ECLI:NL:RBGEL:2025:7828

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
290032.23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag en vernieling na schietincident in Zutphen

Op 11 september 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in Zutphen uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 6 oktober 2022 met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van twee mannen die hem belaagden. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden voor poging tot doodslag. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk en met voorwaardelijk opzet heeft geschoten, waardoor hij de aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers heeft aanvaard. Daarnaast zijn twee medeverdachten veroordeeld tot taakstraffen voor openlijk geweld en bedreiging. De rechtbank heeft ook de omstandigheden waaronder het schietincident plaatsvond in overweging genomen, waaronder de eerdere confrontatie met de slachtoffers die met honkbalknuppels naar de woning van de verdachte waren gekomen. De rechtbank heeft de verklaringen van de andere verdachten en getuigen zorgvuldig gewogen en geconcludeerd dat er voldoende bewijs was voor de veroordeling van de verdachte. De rechtbank heeft de straf gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.290032.23
Datum uitspraak : 11 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. S.J. Nijhof, advocaat in [plaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 6 oktober 2022 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, op korte afstand van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vuurwapen heeft gericht op die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of vervolgens meermalen, althans eenmaal, een kogel op en/of in de richting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 oktober 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ,
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- op korte afstand en/of in de nabijheid van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] aan hen een vuurwapen te tonen, en/of
- dit vuurwapen op die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te richten, en/of
- vervolgens meermalen, althans eenmaal, een kogel af te vuren (in de richting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] );
2
hij op of omstreeks 6 oktober 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, een goed, te weten een personenauto van het merk Ford Ka met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder zowel feit 1 primair als feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal wordt vrijgesproken, omdat verdachte ontkent te hebben geschoten en er verder onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Allereerst zijn de getuigenverklaringen van verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] onbetrouwbaar. Het was een uiterst chaotische situatie. De getuigen hebben voordat zij naar de woning van cliënt gingen veel alcohol gedronken, wat hun beoordelingsvermogen heeft beïnvloed. Daarbij heeft verdachte [medeverdachte 1] weinig zicht gehad op de situatie, omdat het allemaal erg snel ging. Tot slot hebben de verdachten tijd gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen.
Ten tweede is de bewijskracht van de hypothese dat de verzameling deeltjes die zijn aangetroffen op de onderzoeksset schiethanden van verdachte en op de schotrestbemonsteringen van de hulzen dezelfde bron van herkomst hebben slechts 10 tot 100. Daar zijn geen conclusies aan te verbinden.
Ten derde kan de schietrichting niet worden vastgesteld. Het incident vond plaats op
6 oktober 2022 en pas op 26 oktober 2022 is onderzoek gedaan naar de plaats delict. Niet kan worden vastgesteld dat het projectiel dat in de Ford Ka terecht is gekomen afkomstig is van het incident op 6 oktober 2022. Datzelfde geldt voor de inslag in de bakstenen muur. Daarbij is in de bakstenen muur enkel met een staafje een indicatieve test op de aanwezigheid van koper gedaan. Het is onbekend hoelang dat al op de muur zat.
Ten vierde kan, als al kan worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten, geen voorwaardelijk opzet worden bewezen. Niet is vast komen te staan met welk wapen er is geschoten en of dat met een zwaar kaliber is geweest. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de kans op ricocheren van de kogels bestond.
Tot slot staat tegenover het scenario dat door het Openbaar Ministerie wordt geschetst de verklaring van getuige [getuige] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] een wapen had en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een paar weken geleden op iemand hadden geschoten, omdat die aan kinderen zou zitten. Hij hoorde dat ze [naam]
(de zoon van verdachte)te grazen zouden nemen door op hem te schieten.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank constateert dat in onderhavige zaak meerdere en uiteenlopende verklaringen zijn afgelegd, niet alleen door verdachte, maar ook door de andere verdachten en/of getuigen. Daarbij is de rechtbank zich ervan bewust dat er achterliggende conflicten tussen de zoon van verdachte met de andere verdachten spelen waar de rechtbank geen zicht op heeft gekregen. De rechtbank zal daarom in haar beoordeling alle verklaringen met de nodige behoedzaamheid beoordelen en enkel acht slaan op (onderdelen van de) verklaringen die worden ondersteund door objectief bewijs dat zich in het dossier bevindt.
Verdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij op 6 oktober 2022 met [medeverdachte 1]
(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2]
(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 4]
(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] )en een donkere jongen
(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] )naar het huis van verdachte ging en dat zij daar in de straat parkeerden. [medeverdachte 3] liep met [medeverdachte 1] richting de woning van verdachte. Hij zag dat [medeverdachte 2] omhoog klom op een muurtje om de camera
eraf te slopen. Dat was aan de zijkant van het huis. [medeverdachte 3] is toen weggelopen richting het park, waar [medeverdachte 4] en de donkere jongen stonden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] stonden nog bij de woning. Na ongeveer een minuut hoorde [medeverdachte 3] de eerste knal. Hij zag dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wegrenden in hun richting en de straat overstaken. Hij zag een man met een vuurwapen en hoorde daarna nog drie of vier keer een knal. De man met het vuurwapen stond op straat ter hoogte van de auto die op zijn erf stond. De man schoot gericht op [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [2]
Verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zag dat de vader van [naam]
(de rechtbank begrijpt: verdachte)een pistool in zijn hand had, het pistool doorlaadde en op hem en [medeverdachte 2] schoot. [medeverdachte 1] draaide zich toen om om weg te rennen. Hij heeft verklaard dat de vader van [naam] gericht op hen schoot. Hij schoot schuin naar de overkant, waar [medeverdachte 1] stond en over de stoep waar [medeverdachte 2] stond. [3] Ook verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat er op hen is geschoten. [4]
Op 6 oktober 2022 om 02.17 uur vond forensisch onderzoek plaats aan de [adres 1] in [plaats] , het perceel van verdachte. Op het trottoir dichtbij de oprit van de woning van verdachte lagen twee hulzen (SIN [SIN 1] en SIN [SIN 2] ). Op het dak van de auto op de oprit lag één huls (SIN [SIN 3] ) en onder de auto lag een kogelpatroon (SIN [SIN 4] ). De drie hulzen en het kogelpatroon waren van het kaliber 9mm. De handen van verdachte werden bemonsterd (SIN [SIN 5] ). [5] Op 7 oktober 2022 werd nog een huls op de stoep tegen de muur van de woning aan de [adres 2] aangetroffen (SIN [SIN 6] ). Ook deze huls was van het kaliber 9mm. [6]
Uit vergelijkend onderzoek kwam als resultaat dat het extreem veel waarschijnlijker is wanneer de hulzen ( [SIN 6] , [SIN 1] , [SIN 2] en [SIN 3] ) zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber. [7]
Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat haar schoonzoon op 23 september 2022 haar Ford Ka (kenteken [kenteken] ) had geparkeerd op de oprit van de woning aan het [adres 3] in [plaats] . Op 21 oktober 2022 ontdekte zij dat er in het rechtervoorspatbord een gaatje zat, dat er op 23 september 2022 nog niet in zat. Ook verklaarde zij dat er tussen 23 september 2022 en 21 oktober 2022 niet met haar auto was gereden. [8]
Op 26 oktober 2022 werd de Ford Ka onderzocht. Tijdens het openen van het rechtervoorportier viel er een projectiel uit. Op de oprit van perceel [adres 3] op de locatie waar de Ford Ka had gestaan tijdens het schietincident zagen de verbalisanten stukjes kunststof van vermoedelijk de auto liggen. Er lag een stukje kunststof bij met daarop een vermoedelijk ricochet. Dit is met behulp van de “bullet hole testing kit” getest op de aanwezigheid van koper. Vervolgens was een verkleuring te zien die de indicatie gaf dat er inderdaad koper aanwezig was op het stukje kunststof.
Verder werden de verbalisanten tijdens het onderzoek ter plaatse op 26 oktober gewezen op een kapotte baksteen in de muur van de schuren, waarbij het vermoeden was dat hier een kogelpunt tegenaan was gekomen. De verbalisanten hebben de plek op de baksteen getest op de aanwezigheid van lood en koper. Hierbij zagen zij een minimale verkleuring welke de indicatie gaf dat er koper aanwezig was. [9] De rechtbank stelt op basis van foto 10 op pagina 365 van het dossier vast dat de beschadiging in de muur ter hoogte van de derde rij bakstenen van onderen was. [10]
De bemonstering van de handen van verdachte is onderzocht op aanwezigheid van schotresten. De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de onderzoeksset schiethanden ( [SIN 5] ) waarmee de handen van verdachte zijn bemonsterd, zijn zeer veel waarschijnlijker (bewijskracht: 10.000 - 1.000.000) wanneer er schotresten op deze bemonsteringen aanwezig zijn, dan wanneer er géén schotresten op deze bemonsteringen aanwezig zijn. Op de stubs van de onderzoeksset schiethanden waarmee de handen van verdachte zijn bemonsterd, zijn categorie A- en B-deeltjes aangetroffen. Categorie A-deeltjes zijn deeltjes met een elementsamenstelling en morfologie die karakteristiek zijn voor schotresten. Categorie A-deeltjes worden vrijwel nooit aangetroffen bij personen die, voor zover bekend, niets met een schietproces te maken hebben. De bewijskracht van deze deeltjes is daarom groot. [11]
De deeltjesverzameling in de onderzoekssets schiethanden zijn vergeleken met de schotrestbemonsteringen uit de vier hulzen die zijn aangetroffen op de plaats delict. De bevindingen van het onderzoek aan de onderzoeksset schiethanden van verdachte en de schotrestenbemonsteringen uit de hulzen ( [SIN 3] , [SIN 2] , [SIN 1] en [SIN 6] ) zijn waarschijnlijker (bewijskracht 10-100) wanneer de deeltjesverzameling van de schiethanden en de schotrestbemonstering van de hulzen een zelfde bron van herkomst hebben dan wanneer zij een verschillende bron van herkomst hebben. [12]
De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de andere verdachten onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten.
De rechtbank erkent dat de verklaringen van de andere verdachten met de nodige voorzichtigheid moeten worden bezien, omdat zij er mogelijk belang bij hebben om de schietpartij in de schoenen van verdachte te schuiven. Desalniettemin acht de rechtbank de verklaringen van de andere verdachten op relevante punten betrouwbaar, omdat zij worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen die pas na hun verklaringen bekend zijn geworden. Zij hebben hun verklaringen niet op het objectieve bewijs kunnen afstemmen. Zo wordt de verklaring van verdachte [medeverdachte 3] , dat er gericht op [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werd geschoten, ondersteund door het feit dat er een projectiel in de Ford Ka en een indicatie van koper in de bakstenen muur aan de overkant van de straat zijn aangetroffen. Dat deze beschadigingen op een ander moment dan 6 oktober 2022 zijn ontstaan is niet gebleken en ook niet aannemelijk geworden. De verdediging heeft hiertoe niets concreets aangevoerd.
Ook lagen er vier hulzen op de oprit van verdachte, wat de verklaring van [medeverdachte 3] , dat de schutter op straat stond ter hoogte van de auto op zijn erf, ondersteunt.
De verklaring van [medeverdachte 1] dat de vader van [naam]
(verdachte)heeft geschoten wordt ondersteund door het forensische bewijs. De rechtbank concludeert op basis van het forensische bewijs dat op de handen van verdachte schotresten aanwezig waren, waaronder categorie A-deeltjes. Categorie A-deeltjes worden vrijwel nooit aangetroffen bij personen die, voor zover bekend, niets met een schietproces te maken hebben. Op de handen van verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werden geen categorie A-deeltjes aangetroffen. De categorie A-deeltjes die bij verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] werden aangetroffen zijn karakteristiek voor de gemarkeerde munitie zoals in gebruik bij de Nederlandse politie. Dat betekent dat deze deeltjes waarschijnlijk afkomstig zijn van secundaire overdacht, bijvoorbeeld via de aanhoudende verbalisanten. Verder concludeert de rechtbank dat de schotresten op de handen van verdachte afkomstig zijn van de vier hulzen die op de plaats delict zijn aangetroffen. De vier hulzen zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen.
De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang het volgende vast. Verdachte heeft op straat ter hoogte van de auto op zijn erf meerdere keren gericht geschoten op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – die op dat moment wegrenden van de woning van verdachte – met een pistool met 9mm kaliber munitie. Gezien de aangetroffen schotbeschadigingen in de auto en de muur aan de overkant van de straat heeft verdachte in ieder geval twee schoten in horizontale richting afgevuurd. De rechtbank overweegt dat verdachte hiermee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat vitale lichaamsdelen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , al dan niet via ricocherende kogels, zouden worden geraakt, waardoor zij zouden komen te overlijden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte geen geoefend schutter is, dat de plek van de schietpartij die nacht slecht verlicht was en dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] in beweging waren doordat zij wegrenden. Verdachte kon daarom niet voorspellen of de kogels [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zouden raken. Het gevaar van het handelen van verdachte moet voor verdachte, net als voor ieder ander, duidelijk zijn geweest. Door in de beschreven situatie toch in de richting van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te schieten, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op hun dood aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel, is de rechtbank niet gebleken. Daarmee is er sprake van voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het aan verdachte primair ten laste gelegde feit 1, poging tot doodslag op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , wettig en overtuigend bewezen.
De aan de verdachte onder feit 2 ten laste gelegde vernieling ziet op dezelfde feitelijke gedragingen. Door gericht met een vuurwapen horizontaal richting de overkant van de straat te schieten is de kans dat een daar geparkeerde auto wordt geraakt aanmerkelijk. Door zo te schieten heeft verdachte willens en wetens aanvaard dat de auto zou worden geraakt en daardoor beschadiging zou oplopen. Verdachte had daarmee voorwaardelijk opzet op het beschadigen van de Ford Ka van [slachtoffer] . Feit 2 is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1 primair:hij op
of omstreeks6 oktober 2022 te [plaats]
, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 1] en
/of[medeverdachte 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet,
op korte afstand van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]een vuurwapen heeft gericht op die [medeverdachte 1] en
/of[medeverdachte 2] en
/ofvervolgens meermalen,
althans eenmaal,een kogel
op en/ofin de richting van die [medeverdachte 1] en
/of[medeverdachte 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:hij op
of omstreeks6 oktober 2022 te [plaats] ,
althans in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk, een goed, te weten een personenauto van het merk Ford Ka met kenteken [kenteken] ,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft
vernield,beschadigd
en/of onbruikbaar gemaakt.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, primair:
poging tot doodslag, meermalen gepleegd;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en met de aanleiding van het uiteindelijke schieten, namelijk dat verdachte bij zijn woning is geconfronteerd met openlijke geweldpleging jegens een aantal van zijn goederen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, vanwege de bepleite vrijspraak.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van twee personen en een beschadiging van een auto. Verdachte werd in de nacht van 6 oktober 2022 bij zijn woning belaagd door drie personen, waarvan twee van hen honkbalknuppels bij zich hadden. Een van de mannen vernielde een beveiligingscamera, waarna verdachte en zijn zoon naar buiten kwamen. Op dat moment waren er nog twee personen bij de woning. Verdachte heeft vervolgens met een vuurwapen gericht op deze twee personen geschoten, terwijl zij wegrenden van de woning van verdachte. De aangevers mogen van geluk spreken dat zij niet zijn geraakt. Een geparkeerde auto aan de overkant van de straat werd wel geraakt. Verdachte heeft door zijn handelen het leven van de aangevers op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dergelijk gewelddadig optreden op straat, midden in een woonwijk, is niet alleen levensbedreigend en angstaanjagend voor de slachtoffers, maar ook schokkend voor omwonenden en getuigen van het incident. Dat verdachte ervoor kiest om op deze manier te reageren op de eerdere aanval, is een ernstige vorm van eigenrichting die grote gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat de aangevers de initiële agressors waren door met knuppels naar het huis van verdachte te gaan en daar de beveiligingscamera kapot te slaan.
De reclassering adviseert in haar rapport van 7 augustus 2024 een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij vanwege de proceshouding en lage responsiviteit van verdachte geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 40 maanden passend en geboden.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden. Verdachte is op 19 oktober 2022 aangehouden en als verdachte gehoord. Op dat moment is de redelijke termijn gaan lopen. Het uitgangspunt is dat in een strafzaak binnen twee jaar na het begin van de redelijke termijn een eindvonnis is uitgesproken. De uitspraak volgt op 11 september 2025, twee jaar en bijna elf maanden nadat de termijn is gaan lopen. Dat betekent een overschrijding van bijna elf maanden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de straf met 10 procent te matigen.
De rechtbank legt daarom aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [medeverdachte 2] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan immateriële schade en € 3.000,- aan nader te onderbouwen schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, omdat de benadeelde partij deels eigen schuld heeft en dat te complex is om dat door strafrechters vast te stellen. Daarbij ontbreken stukken van een arts of specialist dat sprake is van psychisch letsel.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. Primair vanwege de bepleite vrijspraak, subsidiair wegens een gebrek aan onderbouwing.
Overweging van de rechtbank
Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij openlijke geweldpleging bij de woning van verdachte heeft gepleegd, waarna verdachte als reactie daarop in zijn richting heeft geschoten. De rechtbank merkt op dat mogelijk sprake is van (deels) eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij. Ook heeft de rechtbank overwogen dat zij onvoldoende zicht heeft gekregen op het achterliggende conflict. Ook dat heeft mogelijk gevolgen voor de beoordeling van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat een verder debat hierover een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 verklaart de benadeelde partij
[medeverdachte 2] niet-ontvankelijkin de vordering tot materiële schade/smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bril (voorzitter), mr. A.M.P.T. Blokhuis en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Schoen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 september 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-202310280908, gesloten op 25 november 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 136.
3.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 75 en 76; het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 81 en bijlage 2, p. 85.
4.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 36.
5.Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 334, 335 en 337.
6.Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 352 en 353.
7.Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] op 6 oktober 2022, p. 752, 753 en 755.
8.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 764.
9.Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 1] [plaats] ), p. 356 en 357.
10.Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 1] [plaats] ), p. 365.
11.Verkorte rapportage betreffende schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] op 6 oktober 2022, p. 667, 668 en 676.
12.Aanvullend schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] op 6 oktober 2022, p. 712 t/m 719.