In deze kortgedingprocedure staat centraal de vraag wie contractspartij is voor werkzaamheden aan het bouwproject [project 1], waarbij 139 flexwoningen gerealiseerd worden. [Eiseres in conv] vordert betaling van opdrachtgevers en [gedaagde in conv 3] voor verrichte werkzaamheden en een verbod op het gebruik van bouwtekeningen zolang niet betaald is.
Partijen verschillen van mening over de toewijzing van de opdracht: [eiseres in conv] stelt dat zij rechtstreeks opdracht had van opdrachtgevers, terwijl opdrachtgevers en [gedaagde in conv 3] betwisten dat de opdracht niet aan [eiseres in conv] is gegeven maar aan [gedaagde in conv 3]. Ook is onduidelijk of sprake is van één of twee overeenkomsten en wie de exploitatierechten van de bouwtekeningen bezit.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen onvoldoende vaststaan en dat nader onderzoek nodig is, wat niet past in een kort geding. De vorderingen worden daarom afgewezen. Daarnaast worden opdrachtgevers niet-ontvankelijk verklaard in hun reconventionele vorderingen tegen [gedaagde in conv 3]. [Eiseres in conv] wordt veroordeeld in de proceskosten van opdrachtgevers en [gedaagde in conv 3].