ECLI:NL:RBGEL:2025:5975

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
008255-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belaging met voorwaardelijke gevangenisstraf en verplichte behandeling

Op 18 juli 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in Zutphen uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van belaging. De verdachte, geboren op 1984, heeft gedurende een periode van bijna anderhalf jaar de aangeefster stelselmatig belaagd. Dit omvatte het besmeuren van haar auto, het versturen van bedreigende brieven, en het plaatsen van een tracker onder haar auto. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, met als doel haar vrees aan te jagen. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan belaging en heeft een taakstraf van 240 uren opgelegd, evenals een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank heeft bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf, waaronder een meldplicht en een ambulante behandelverplichting. Daarnaast is er een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, die de verdachte verbiedt contact te hebben met de aangeefster en zich in de nabijheid van haar woning te bevinden. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij, die bestaat uit materiële schade en smartengeld, en heeft de verdachte verplicht om dit bedrag aan de Staat te betalen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarbij de rechters de ernst van de feiten en de impact op de aangeefster in overweging hebben genomen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/008255-25
Datum uitspraak : 18 juli 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag 1] 1984 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [postcode 1] in [woonplaats] .
raadsman: mr. W.L.M. Fleuren, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 juli 2025.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 21 september 2023 tot en met 6 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- een of meermalen de auto van die [slachtoffer] te besmeuren met etenswaren,
- een of meerdere voorwerp(en) in de brievenbus van die [slachtoffer] te stoppen (een (kogel)huls en/of een of meerdere (sleutel)hanger(s) en/of een doekje met satésaus/poep en/of meerdere condooms),
- een of meerdere enveloppen en/of brieven en/of posters (al dan niet met bedreigende, provocerende en/of beledigende inhoud) te sturen, althans in de brievenbus van die [slachtoffer] achter te laten,
- zich een of meermalen rondom de woning (flat) van die [slachtoffer] op te houden en/of haar te begluren en/of foto’s van de omgeving en/of haar woning/flat te maken en/of
- een smarttag/tracker onder de auto van die [slachtoffer] te (laten) plaatsen,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 18-21;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 juli 2025.
Gelet op de verklaring van aangeefster en de duur en frequentie van de handelingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wederrechtelijke en stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Uit het feit dat verdachte een kogelbrief en verschillende briefjes met dreigende teksten heeft gestuurd, leidt de rechtbank af dat verdachte het oogmerk heeft gehad om aangeefster vrees aan te jagen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
een ofmeerdere momenten in
of omstreeksde periode van 21 september 2023 tot en met 6 januari 2025 te [plaats] ,
althans in Nederland,wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
-
een ofmeermalen de auto van die [slachtoffer] te besmeuren met etenswaren,
-
een ofmeerdere voorwerp
(en
)in de brievenbus van die [slachtoffer] te stoppen (een
(kogel
)huls en
/of een ofmeerdere (sleutel)hanger
(s
)en
/ofeen doekje met satésaus
/poepen
/ofmeerdere condooms),
-
een ofmeerdere enveloppen en
/ofbrieven en
/ofeenposter
s(al dan niet met bedreigende, provocerende en/of beledigende inhoud) te sturen
, althans in de brievenbus van die [slachtoffer] achter te laten,- zich
een ofmeermalen rondom de woning (flat) van die [slachtoffer] op te houden en
/ofhaar te begluren en
/offoto’s van de omgeving en
/ofhaar woning/flat te maken en
/of- een smarttag/tracker onder de auto van die [slachtoffer] te
(laten
)plaatsen,
met het oogmerk die [slachtoffer] ,
te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/ofvrees aan te jagen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring cursief verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Belaging

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandelverplichting. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaren wordt opgelegd inhoudende een locatieverbod dat ziet op de omgeving van de woning en de werkplek van aangeefster alsmede op de toegang tot de begraafplaats (nabij het hondenuitlaatgebied waar aangeefster dagelijks komt) en een contactverbod met aangeefster. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de geplande behandeling bij Kairos van groot belang is en prioriteit moet hebben. Een gevangenisstraf zal geen uitkomst bieden, leiden tot ontslag en verlies van huisvesting. Verder heeft de raadsman bepleit dat er geen vrijheidsbeperkende maatregel moet worden opgelegd en een locatieverbod niet zou mogen zien op de (toegang tot de) begraafplaats in de buurt van de woning van aangeefster, omdat de grootouders van verdachte daar begraven liggen en hij hun graf wil kunnen bezoeken.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft bijna anderhalf jaar lang aangeefster belaagd door ’s nachts onder andere brieven en spullen zoals huissleutels, een kogelhuls en een doekje met satésaus in haar brievenbus te doen. Uit de tekst van de brieven (opgesteld door aangever, waarbij hij zich voordeed als een ander) kon aangeefster opmaken dat iemand haar en haar familie in de gaten hield, haar huissleutel had en in haar woning was geweest. De inhoud van de brieven werd steeds dreigender. Ook heeft verdachte – door zich online voor te doen als een ander – zijn zoon ertoe bewogen een tracker onder de auto van aangeefster te plaatsen.
Verdachte heeft verklaard dat hij dit alles deed om echte emoties bij aangeefster te ontlokken, die hij tijdens normaal contact met haar niet zou hebben gekregen.
Aangeefster heeft al die tijd niet geweten wie degene was die haar belaagde en verdachte was juist een van de mensen aan wie zij haar zorgen daarover toevertrouwde. Aangeefster en haar zoon hebben zich maandenlang onveilig gevoeld in hun eigen huis en omgeving. Hoewel verdachte de gevolgen van zijn handelen dus van dichtbij heeft kunnen zien, was dat voor verdachte kennelijk geen reden om ermee te stoppen.
Uit het reclasseringsadvies van 18 juni 2025 volgt dat verdachte inmiddels op eigen initiatief hulp heeft gezocht bij een forensische polikliniek, omdat hij zijn gedrag wil veranderen. Hij gebruikt medicatie, waardoor hij meer rust heeft in zijn hoofd. De reclassering schat in dat er een gemiddeld risico op herhaling is en adviseert dat aan een voorwaardelijke straf een meldplicht, ambulante behandelverplichting, een contactverbod en een locatieverbod worden verbonden.
Gelet op de ernst van het feit en de angst die verdachte doelbewust bij aangeefster heeft veroorzaakt, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf eigenlijk de enige passende reactie zijn. Verdachte heeft nu echter nog een baan en een woning. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou betekenen dat verdachte zijn baan en vervolgens ook zijn woning kwijt raakt omdat hij volgens zijn bewindvoerder zonder zijn baan de woning niet meer kan betalen. Verdachte zou in dat geval na zijn detentie zonder baan, zonder woning en onbehandeld voor de problematiek die aan de stalking ten grondslag ligt in de maatschappij terugkeren, hetgeen de rechtbank onwenselijk acht. In die situatie zijn de risico’s voor aangeefster of voor andere personen om weer slachtoffer van het gedrag van verdachte te worden te groot. Daarom kiest de rechtbank ervoor om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar de maximale taakstraf. Niet zozeer om verdachte op het gebied van woning en werk ten gunste te zijn, maar omdat het in het belang van de maatschappij is dat het risico op herhaling zo klein mogelijk wordt gemaakt. De rechtbank zal aan verdachte tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met daaraan gekoppeld een verplichte behandeling. Als later blijkt dat verdachte niet meewerkt met de verplichte behandeling of met andere voorwaarden, dan hangt hem dus alsnog gevangenisstraf boven het hoofd. De op te leggen taakstraf zal de maximale taakstraf van 240 uren zijn omdat een lagere taakstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.
De rechtbank zal daarom aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van de dagen dat verdachte in verzekering heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en ambulante behandeling opleggen.
De rechtbank zal niet bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Uit artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht volgt dat daarvoor is vereist dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Van gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam is in dit geval geen sprake.
Verder zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaar opleggen inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor:
  • een straal van 100 meter van de woning gelegen aan de [adres 2] , [postcode 2] [plaats] en het bijbehorende erf/terrein
  • een straal van 100 meter van het pand aan de het [adres 3] in [plaats] , het bij dat adres horende erf/terrein en het bedrijvenpark aan de [adres 3] ;
  • [straatnaam 1] , [straatnaam 2] , [straatnaam 3] , [straatnaam 4] , [straatnaam 5] , [straatnaam 6] en [straatnaam 7] in [plaats] .
Aan de [straatnaam 7] ligt de toegang tot een begraafplaats. Deze begraafplaats ligt in de buurt van de woning van aangeefster en grenst aan een hondenuitlaatveld waar zij haar hond dagelijks uitlaat. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster onbelemmerd haar dagelijkse werkzaamheden moet kunnen uitvoeren en bij het uitlaten van haar hond niet geconfronteerd moet worden met de mogelijkheid dat verdachte haar vanaf de begraafplaats zou kunnen zien. Zij is immers door het toedoen van verdachte al te lang belemmerd geweest in haar dagelijks leven.
De rechtbank begrijpt het belang dat verdachte het graf van zijn grootouders op deze begraafplaats wil kunnen bezoeken, maar het belang van aangeefster weegt in deze omstandigheden zwaarder.
De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een langere duur van de vrijheidsbeperkende maatregel dan door de officier van justitie gevorderd.
De rechtbank zal bepalen dat de vrijheidsbeperkende maatregel (het contact- en locatieverbod) per direct ingaat. De problematiek van verdachte is op dit moment nog onbehandeld. Daarom moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen richting aangeefster. Het contact- en locatieverbod zal daarom dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.134 aan materiële schade en € 4.000 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade betreft de volgende posten:
  • Kosten slotenmaker € 150
  • Aanschaf beveiligingscamera’s € 44
  • Kosten eigen risico (fysiotherapie) € 385
  • Kosten medische piercing € 170
  • Kosten eigen risico 2025 (psycholoog) € 385
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de posten slotenmaker, eigen risico en medische piercing moeten worden afgewezen. Wat betreft de kosten van de slotenmaker ontbreekt een bewijs van betaling en wat betreft de kosten van het eigen risico en de medische piercing is er onvoldoende causaal verband.
De immateriële schade moet volgens de verdediging worden gematigd.
Voor wat betreft te kosten van de beveiligingscamera heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Wat betreft de post kosten slotenmaker bevindt zich bij de vordering een bon. Deze is weliswaar handgeschreven, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het bedrag aan de slotenmaker is betaald.
Wat betreft de posten eigen risico en medische piercing is de rechtbank van oordeel dat het zeer goed voorstelbaar is dat wanneer iemand maandenlang wordt belaagd, dit zorgt voor dusdanig veel angst en stress dat medische hulp – zoals fysiotherapie, psychotherapie en een medische piercing – noodzakelijk zijn. Dit volgt voor wat betreft de fysiotherapie en psychotherapie ook uit de door benadeelde bijgevoegde verklaringen van haar fysiotherapeut en huisarts. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gemaakte kosten het gevolg zijn van het handelen van verdachte.
De rechtbank overweegt dat de schadepost beveiligingscamera’s niet inhoudelijk is betwist.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering (tot een hoogte van € 1.134) kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door benadeelde bijna anderhalf jaar lang te belagen is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Aangeefster heeft onderbouwd dat sprake is van behandeling wegens ernstige PTSS en trauma klachten en daarmee naar het oordeel van de rechtbank onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen in vergelijkbare gevallen worden toegewezen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 4.000 vaststellen.
Verdachte is vanaf 4 juli 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;
  • bepaalt dat deze gevangenisstraf,
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als
bijzondere voorwaardendat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 4];
  • verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 legt op
een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende;
Een gebiedsverbod.Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende
5 jarenniet bevindt op de volgende locaties:
  • de woning gelegen aan de [adres 2] , [plaats] , het bijbehorende erf/terrein en een straal van 100 meter daaromheen;
  • het pand (het bedrijf [bedrijf] ) gelegen aan de [adres 3] in [plaats] en een straal van 100 meter daaromheen, het bij dat adres horende erf/terrein en het bedrijvenpark aan de [adres 3] ;
  • [adres 2] , [straatnaam 2] , [straatnaam 3] , [straatnaam 4] , [straatnaam 5] , [straatnaam 6] en [straatnaam 7] in [plaats] .
Een contactverbod.Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende
5 jarenzich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1981, woonachtig aan de [adres 2] , [postcode 2] [plaats]
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal (dus voor beide verboden samen).
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
 beveelt dat de maatregel
dadelijk uitvoerbaaris;
  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.134 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 60 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2025.
Mr. van de Sande is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024194390, gesloten op 2 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.