ECLI:NL:RBGEL:2025:5274

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
C/05/449765 KG RK 25-280
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na beslissing voorlopige hechtenis

De wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland heeft op 29 april 2025 het wrakingsverzoek van verzoeker tegen drie rechters van de rechtbank afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. Het verzoek betrof de wraking van rechters die op 3 april 2025 besloten om de schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker op te heffen.

Verzoeker stelde dat de beslissing was gebaseerd op niet-onderbouwde TCI-informatie die duidde op een vluchtgevaar, wat volgens hem wijst op vooringenomenheid van de rechters. De wrakingskamer oordeelde echter dat een wrakingsverzoek alleen ontvankelijk is indien het wordt ingediend voordat een beslissing is genomen, en dat het verzoek na de beslissing was ingediend. Bovendien hadden de gewraakte rechters geen verdere rol in de strafzaak, waardoor het verzoek geen doel meer diende.

De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker geen belang had bij het wrakingsverzoek en verklaarde het verzoek dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen mondelinge behandeling gehouden en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de beslissing werd ingediend en geen belang meer diende.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/449765/ KG RK 25-280
Beslissing van 29 april 2025
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [plaats],
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.
strekkende tot de wraking van
mr. Y. van Wezel, mr. I. Linssen en mr. J.M. Moorman,
rechters in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 3 april 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 11 april 2025.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak
met nummer 05-087278-22, waarin verzoeker de verdachte is. De rechters hebben in deze zaak op de zitting van 3 april 2025 als raadkamer gevangenhouding de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker behandeld. De rechters hebben direct op de zitting, na een korte schorsing, omstreeks 09.30 uur de vordering van de officier van justitie toegewezen en een bevel tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker gegeven. Op 3 april 2025 om 14.10 uur is het wrakingsverzoek tegen de rechters ingediend.
2.2
Verzoeker heeft het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechters hebben hun beslissing om de schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker op te heffen enkel genomen op basis van TCI-informatie waaruit zou volgen dat verzoeker voornemens zou zijn naar het buitenland te vluchten. Deze informatie kon niet nader worden onderbouwd of geverifieerd. Dit is een onbegrijpelijke beslissing, die in deze omstandigheden duidt op vooringenomenheid van de rechtbank.
2.3
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Het verzoek is gedaan nadat de rechters een beslissing hebben genomen op de voorliggende vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat een (eind)beslissing is genomen op een vordering in de zaak van verzoeker. De rechters hebben immers na de beslissing van 3 april 2025 verder geen bemoeienis meer met de strafzaak van verzoeker, aangezien de strafzaak wordt behandeld door drie andere rechters. Het wrakingsverzoek kan dus niet meer het beoogde doel, het vervangen van de gewraakte rechters bij een terechte wraking, dienen. Verzoeker heeft aldus geen belang bij het ingediende wrakingsverzoek.
3.3.
Verzoeker kan op grond van het voorgaande niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
- verklaart verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.J. Peerdeman, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. J.M.C. Schuurman–Kleijberg, leden in tegenwoordigheid van de griffier
[griffier] en in openbaar uitgesproken op 29 april 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.