Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
8 januari 2025. In de e-mail van 9 januari 2025 van [verweerder] aan [verzoeker] staat hierover het volgende:
3.Het verzoek en het verweer
1 maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zijnde 16 januari 2025, althans de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 10.000,00 dat werkgever daarmee in gebreke blijft;
4.Het (voorwaardelijk) tegenverzoek en het verweer
5.De beoordeling
“Wij geven jouw één laatste kans en nodigen je ondanks dit incident nog steeds uit om aanstaande maandag 13 januari 2025 om 09.00 uur op kantoor te verschijnen om jouw kant van het verhaal toe te lichten (…) Het eerstvolgende incident dat plaatsvindt zullen wij niet meer tolereren. Wij kiezen voor de veiligheid van het bedrijf en personeel. Dat betekent voor jou dat wij direct over zullen gaan op ontslag op staande voet. Wij vertrouwen erop dat jij hiermee voldoende gewaarschuwd bent én dat jij geen ontoelaatbaar gedrag meer zal vertonen.”[verzoeker] heeft dit opgevat als een laatste waarschuwing. Nadien is er geen sprake meer geweest van ontoelaatbaar gedrag, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven is. [verweerder] geeft een andere uitleg aan de e-mail van 10 januari 2025. De laatste waarschuwing zou zien op de laatste kans voor [verzoeker] om zijn kant van het verhaal toe te lichten in een gesprek met [verweerder] . Gelet op het feit dat de e-mail van
10 januari 2025 onduidelijk is en op verschillende manieren kan worden uitgelegd, gaat de kantonrechter uit van de uitleg die [verzoeker] aan de e-mail van 10 januari 2025 geeft. Blijkbaar vond [verweerder] de incidenten die zijn voorgevallen tot
10 januari 2025 nog een onvoldoende dringende reden om over te gaan tot een ontslag op staande voet. Nu er zich tussen 10 en 16 januari 2025 geen incidenten meer hebben voorgedaan, valt niet in te zien waarom dit op 16 januari 2025 anders zou zijn. Het ontslag op staande voet kan dan ook niet in stand blijven. De gevraagde vernietiging zal worden uitgesproken.
“De telefoonwaarde mag je inhouden van mijn salaris, maar de rest waar geen bewijzen van zijn, niet.”Daarnaast heeft [verweerder] een factuur overgelegd waaruit de waarde van de telefoon blijkt. Hieruit blijkt dat de inhouding van een nettobedrag van
€ 185,00 op het salaris van [verzoeker] tussen partijen is overeengekomen. Het verzoek tot betaling van een bedrag van € 185,00 door [verweerder] aan [verzoeker] zal dan ook worden afgewezen.
2 en 16 maart 2024, 6 april 2024, 1 juni 2024, 13 en 31 juli 2024 en 13 en 16 augustus 2024 tussen hem en [verweerder] , voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze overuren heeft gewerkt. Het verweer van [verweerder] dat [verzoeker] geen handen en voeten heeft gegeven aan zijn stelling dat deze overuren niet zijn uitbetaald, slaagt niet. Het is immers aan [verweerder] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat betaling van de overuren heeft plaatsgevonden (artikel 150 Rv). Dit heeft [verweerder] nagelaten. Evenmin heeft [verweerder] verweer gevoerd tegen de berekening van het loon van de overuren conform artikel 42 lid 2 sub b van de cao, zodat de kantonrechter een brutobedrag van € 6.187,20 toewijst. Ook de verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente hierover worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld.