Partijen, ouders van een minderjarige, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De moeder is zonder toestemming van de vader verhuisd met het kind naar een andere plaats. De vader vordert in kort geding dat de moeder binnen zeven dagen terugverhuist naar een woning nabij de voormalige echtelijke woning of binnen een straal van 10 kilometer daarvan.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de moeder zonder toestemming handelde en daarmee het gezamenlijk gezag schond. Toch is het contact tussen vader en kind na de verhuizing nog steeds frequent en ongewijzigd, waardoor geen spoedeisend belang bestaat om terugverhuizing te bevelen. De moeder heeft inmiddels een verzoek tot vervangende toestemming ingediend bij de rechtbank.
De rechtbank benadrukt dat een concrete belangenafweging aan de hand van verhuiscriteria pas in een bodemprocedure kan plaatsvinden. Gezien het voorlopige karakter van het kort geding en het ontbreken van directe nadelige gevolgen voor het contact, wijst de voorzieningenrechter de vordering af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.