De golfprofessional was sinds 1985 actief en vanaf 2016 tot 2023 maat van de maatschap. Na het beëindigen van het lidmaatschap sloten partijen een overeenkomst waarin de golfprofessional als opdrachtnemer werkzaamheden verrichtte voor de maatschap.
De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de rechtsverhouding: arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht. De rechtbank paste de door de Hoge Raad geformuleerde negen gezichtspunten toe, waaronder de aard en duur van de werkzaamheden, wijze van beloning, inbedding in de organisatie en het economisch risico.
Uit de feiten bleek dat de golfprofessional veel vrijheid had in de uitvoering, zich als ondernemer gedroeg, en zijn werkzaamheden factureerde via zijn vennootschap. De maatschap hield geen loonheffingen in en er was geen verplichting tot persoonlijk werk. De overeenkomst was expliciet als overeenkomst van opdracht benoemd.
De rechtbank concludeerde dat de verhouding geen arbeidsovereenkomst was, maar een overeenkomst van opdracht. Daarom wees zij de vorderingen van de golfprofessional af en veroordeelde hem in de proceskosten.