Uitspraak
1.De procedure
2.De zaak in het kort
3.De feiten
7. Duur van de overeenkomst
(…)
Rechtbank Gelderland
De werknemer werkte sinds augustus 2020 bij de werkgever in het kader van een BBL-opleiding tot automonteur, waarbij vanaf augustus 2022 een BPV-overeenkomst werd gesloten. De werkgever beëindigde deze overeenkomst per 1 september 2024 vanwege studieachterstanden van de werknemer. De werknemer stelde dat er ook een arbeidsovereenkomst bestond die niet rechtsgeldig was opgezegd en vorderde vergoedingen.
De kantonrechter stelde vast dat aan alle elementen van een arbeidsovereenkomst was voldaan: de werknemer verrichtte arbeid onder gezag van de werkgever, ontving loon en werkte gedurende zekere tijd. De werkzaamheden waren niet overwegend gericht op het leerdoel, maar ook in het belang van de werkgever. De opzegging was onregelmatig, maar de werknemer berustte hierin en vorderde geen vernietiging.
De kantonrechter kende een gefixeerde schadevergoeding van drie maandsalarissen toe en een transitievergoeding over de periode van de arbeidsovereenkomst. De billijke vergoeding werd afgewezen omdat het verwijtbaar handelen van de werkgever voortkwam uit het gedrag van de werknemer en de omstandigheden. Tevens werd de werknemer veroordeeld tot terugbetaling van een lening aan de werkgever. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Er bestond een arbeidsovereenkomst die onregelmatig werd opgezegd; werkgever moet schade- en transitievergoeding betalen, billijke vergoeding wordt afgewezen.