ECLI:NL:RBGEL:2025:11825

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
05.100281.25.vs
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 57 SrArt. 243 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetverkrachting met dwang, bedreiging en diefstal in relationele context

Op 27 februari 2025 heeft verdachte in Nijmegen seksuele handelingen verricht met zijn ex-partner tegen haar wil, waarbij hij dwang en bedreiging gebruikte. Tevens bedreigde hij haar via e-mails met de dood en stal hij persoonlijke eigendommen uit haar woning.

De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en ondersteunt door DNA-bewijs en e-maildreigementen. Verdachte handelde met opzet en wist dat het slachtoffer niet instemde met de seksuele handelingen. De bedreigingen en diefstal zijn eveneens wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en legt een dadelijk uitvoerbaar contact- en locatieverbod op voor vijf jaar. Daarnaast wordt smartengeld van €5.000 toegekend aan het slachtoffer. De civiele vordering voor materiële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende causaal verband.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, contact- en locatieverbod en smartengeld van €5.000.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.100281.25
Datum uitspraak : 12 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres] ,
op dit moment gedetineerd in [plaats] .
Raadsman: mr. G.A.R. Di Antonio, advocaat in Maastricht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 februari 2025 te Nijmegen,
met een persoon, te weten [slachtoffer] ,
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar mond en/of het brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar vagina,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
zonder toestemming van die [slachtoffer] haar woning te betreden en/of met een stok of een stuk hout, althans een voorwerp in de hand in haar richting te lopen en/of voor haar te gaan staan en/of
(daarbij) die stok of dat stuk hout, althans dat voorwerp dreigend naast zijn hoofd omhoog te houden en/of
(vervolgens) die [slachtoffer] te sommeren haar kleding uit te trekken en/of haar te sommeren hem te pijpen, althans zijn geslachtsdeel in haar mond te nemen en/of
haar mede te delen dat zij daarmee pas mocht stoppen als hij vond dat het genoeg was en/of
(vervolgens) die [slachtoffer] bij de benen vast te pakken en/of haar benen omhoog te trekken/duwen en/of richting haar hoofd te duwen en/of
tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij een slet en/of hoer is en/of
tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij moest stoppen met huilen en/of
misbruik/gebruik te maken van zijn fysieke overwicht over die [slachtoffer] en/of
meerdere malen voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] en/of
(aldus) voor die [slachtoffer] een dreigende situatie te creëren, waaraan zij zich niet kon of durfde te onttrekken;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 december 2024 tot en met 7 maart 2025 te Nijmegen, in elk geval in Nederland,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die die [slachtoffer] , onder meer via mailberichten, dreigend de woorden toe te voegen
"Ik ga weg nadat ik je hoofd eraf heb geschoten" en/of
"Dood aan jou, jij hoer, jij hond. Ik zal je vernietigen met mijn woorden. Dit is serieus. je hebt dit vandaag gedaan om mij boos te maken. Oke, ik zal je mijn boosheid laten zien" en/of
"Het zal eindigen nadat ik jou en [naam] heb vermoord" en/of
"Als ik je met hem zou zien, zou ik je vermoorden" en/of
"Ik ga hier niet weg voordat ik jou en hem heb vermoord" en/of
"Ik zal jullie hoofden er samen afschieten" en/of
"Ik zal wraak op je nemen" en/of
"Ik ga nergens heen, ik ga niet sterven en ik ga niet naar de gevangenis voordat ik wraak op je neem",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 27 februari 2025 te Nijmegen,
één of meerdere sleutels en/of een mobiele telefoon en/of een paspoort en/of een druppel (een zogenaamde tag die toegang tot een gebouw/plaats geeft), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
zonder toestemming van die [slachtoffer] haar woning te betreden en/of
met een stok of een stuk hout, althans een voorwerp in de hand in haar richting te lopen en/of voor haar te gaan staan en/of
(daarbij) die stok of dat stuk hout, althans dat voorwerp dreigend naast zijn hoofd omhoog te houden en/of
(vervolgens) tegen de wil van die [slachtoffer] seksuele handelingen met haar te verrichten, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 27 februari 2025 hebben er seksuele handelingen plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster [slachtoffer] . Deze handelingen vonden plaats in de woning van [slachtoffer] in Nijmegen. Er heeft onder andere vaginale penetratie plaatsgevonden en [slachtoffer] heeft verdachte oraal bevredigd. Na de seksuele handelingen heeft verdachte de woning van [slachtoffer] verlaten en heeft daarbij sleutels, het paspoort en de telefoon van [slachtoffer] meegenomen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle drie de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman vraagt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van feit 1. Verdachte had geen enkele reden om aan te nemen dat de seks tegen de wil van aangeefster plaatsvond. Subsidiair vraagt de raadsman om verdachte vrij te spreken van de strafverzwarende omstandigheden die ten laste zijn gelegd.
Ten aanzien van feit 2 zou de pleegperiode ingekort moeten worden naar enkel 26 februari omdat de zinsneden die in de tenlastelegging zijn opgenomen allen komen uit de e-mails gestuurd op 26 februari 2025. Verder refereert de raadsman zich voor dit feit aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman vraagt om vrijspraak van het derde feit. Verdachte had niet de intentie zich de spullen van [slachtoffer] toe te eigenen, hij wilde ze na een tijdje weer teruggeven aan aangeefster. Subsidiair vraagt de raadsman om verdachte vrij te spreken van de strafverzwarende omstandigheden die ten laste zijn gelegd.
Beoordeling door de rechtbank
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de drie tenlastegelegde gedragingen kiest de rechtbank ervoor om de feiten in een andere volgorde dan die van de tenlastelegging te bespreken. De rechtbank zal eerst ingaan op feit 2, daarna op feit 3 en als laatste op feit 1.
Feit 2: De bedreiging
Tussen verdachte en [slachtoffer] was sprake van een liefdesrelatie, gedurende ongeveer 2 jaar. Begin december 2024 had [slachtoffer] aangegeven dat zij deze relatie wilde beëindigen. Verdachte was namelijk erg controlerend en overheersend en wilde altijd weten waar [slachtoffer] was. Volgens [slachtoffer] accepteerde verdachte niet dat zij de relatie beëindigde. Hij achtervolgde haar en werd boos wanneer hij zag dat [slachtoffer] een mannelijke vriend, [naam] , op bezoek had. Hij zei tegen haar dat als zij geen man in haar leven zou hebben, dat hij dan rustig zou blijven. Als [slachtoffer] deed wat hij zei was hij lief tegen haar. In die periode werd [slachtoffer] gemaild door het e-mailadres [e-mail address] . [2]
Verdachte bekent dat [e-mail address] zijn e-mailadres is. Op 26 februari 2024 zag hij een Tiktok-filmpje van [slachtoffer] waarin zij met [naam] praatte en zij plannen maakten om de volgende dag iets te gaan doen samen. Verdachte werd toen heel boos. Hij heeft toen uit boosheid alcohol gedronken. Hij heeft vervolgens e-mails gestuurd naar [slachtoffer] , maar wat hij daarin gezegd heeft, kan hij zich niet herinneren omdat hij door de alcohol niet bij zijn verstand was. [3]
[slachtoffer] heeft zeven verschillende e-mails aan de politie verstrekt. Deze e-mails werden verzonden door [e-mail address] aan het e-mailadres van [slachtoffer] . In een proces-verbaal heeft de politie de teksten uit deze e-mails opgenomen. Hieruit blijkt dat op 26 februari 2025 door verdachte onder andere de volgende teksten naar [slachtoffer] gemaild werden:
- Ik ga hier niet weg voordat ik jou en hem heb vermoord;
- Hij zal naar je huis komen, oké [naam] , ik zal jullie hoofden er samen afschieten;
- Ik zal wraak op je nemen;
- Ik ga nergens heen, ik ga niet sterven en ik ga niet naar de gevangenis voordat ik wraak op je neem;
- Dood aan jou, hoer, jij hond, Ik zal je vernietigen met mijn woorden. Dit is serieus. Je hebt dit vandaag gedaan om mij boos te maken. Oké, ik zal je mijn boosheid laten zien;
- Het zal eindigen nadat ik jou en [naam] heb vermoord;
- Ja, als ik je met hem zou zien, zou ik je vermoorde. Ik weet dat hij naar je huis zal komen of jij naar hem. Ik ben hier en we zullen zien wie er wint.
- Ik ga weg nadat ik je hoofd eraf heb geschoten. [4]
De politie heeft daarnaast onderzoek gedaan aan de telefoon van verdachte. Hierin werden ook e-mails aangetroffen tussen verdachte en [slachtoffer] . Opvallend noemt de politie een mailwisseling van 5 en 6 december 2024. De roepnaam van het mailadres van verdachte verandert daarin van ‘ [naam] ’ naar ‘ [naam] ’ en vervolgens weer naar ‘ [naam] ’. Het lijkt alsof verdachte een andere identiteit aanneemt als een gemeentemedewerker van de gemeente Nijmegen. Hoewel verdachte ontkent dat hij ‘ [naam] ’ is, bestaat daar bij de rechtbank geen twijfel over. De naam verspringt binnen korte tijd heen en weer naar verdachtes naam en alle e-mails komen uit zijn mailadres.
Op 6 december 2025 om 01:10 uur wordt geschreven aan [slachtoffer] : “Je foto’s en sleutels worden ontvangen door je supervisor. Ik maak geen grapje meer. Ik zal je martelen zoals jij mij hebt gemarteld.” [5] Op 6 januari 2025 stuurt verdachte als [naam] om 12:18 “ Ik snij je deze lange, vieze tong af”. [6]
Hoewel deze teksten niet letterlijk in de tenlastelegging opgenomen is, zijn dit wel woorden van gelijke dreigende aard of strekking als de tenlastegelegde zinsneden.
Verdachte en [slachtoffer] hebben een relatie gehad en zodoende kent hij haar goed. Het stuklopen van die relatie riep emoties bij hem op en hij ging haar volgen en controleren. Hij kwam meermaals onaangekondigd in haar woning met sleutels die hij zichzelf toe-eigende. Bovendien bestond bij verdachte enorme boosheid over een nieuwe relatie die [slachtoffer] had met [naam] . Zo blijkt ook uit meerdere eerdere incidenten die tussen verdachte, [slachtoffer] en [naam] plaats hadden gevonden. Bij een van die incidenten, op 19 of 20 december 2024, zou verdachte [naam] het huis van [slachtoffer] uit gezet hebben en was door [naam] de politie gebeld. [7] Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er in 2024 inderdaad een incident met [naam] heeft plaatsgevonden. Bij een tweede incident zou verdachte [naam] met een mes verwond hebben in de woning van [slachtoffer] . [8] [slachtoffer] verklaart bovendien dat zij op 8 februari 2025 door verdachte fysiek is mishandeld. [9]
De bewoordingen die door verdachte gebruikt zijn in de e-mails zijn dreigend van aard. Hij dreigde onder andere om [slachtoffer] (en [naam] ) van het leven te beroven. Bij [slachtoffer] mocht de redelijke vrees bestaan dat verdachte deze dreigementen ook daadwerkelijk zou uitvoeren. Dit volgt uit de bovengenoemde omstandigheden van de situatie en de geschiedenis tussen beiden.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Feit 3: De diefstal
Aangeefster vermoedt dat verdachte naast haar mobiele telefoon, sleutels en paspoort ook de blauwe druppel die toegang gaf tot de algemene ruimte had meegenomen. [10]
Toen de politie kort na de melding van [slachtoffer] ter plaatse kwam en de straat van [slachtoffer] inreed zagen zij een man op een fiets. Zij probeerden deze man te achtervolgen maar verloren hem uit het oog. Wel vonden zij de achtergelaten fiets. Een buurman sprak vervolgens de politie aan en vertelde dat hij een man had zien liggen in de bosjes en dat deze daarna weg was gerend. [11] Deze getuige wees het betreffende bosje aan en tussen dat bosje en een gebouw trof de politie aan: twee zilverkleurige sleutels, een blauwe druppel met daarop een sticker van woningbouwvereniging [bedrijf] , een Nederlands paspoort op naam van [slachtoffer] en een mobiele telefoon (die later ontgrendeld werd met de code die [slachtoffer] doorgaf). [12]
Verdachte verklaart dat hij de man was die op de fiets zat en wegfietste en -rende voor de politie. Hij verklaart dat hij op dat moment het paspoort, de mobiele telefoon en de sleutels van de woning van [slachtoffer] bij zich droeg. Hij heeft de spullen daarna in de straat van [slachtoffer] achtergelaten. Hij had die spullen meegenomen, zonder toestemming van [slachtoffer] , met de bedoeling om de spullen later terug te geven. Verdachte verklaart dat hij met het meenemen van de spullen ervoor wilde zorgen dat [slachtoffer] haar woning niet zou verlaten en niet naar [naam] toe zou gaan. Volgens verdachte zou [slachtoffer] immers nooit haar woning verlaten zonder sleutel, mobiele telefoon en paspoort. [13]
De rechtbank overweegt ten eerste dat verdachte niet alleen de sleutel, mobiele telefoon en het paspoort van [slachtoffer] heeft meegenomen, maar ook de blauwe druppel van [bedrijf] . Dat volgt uit de verklaring van [slachtoffer] en die verklaring vindt steun in het feit dat de druppel samen met de andere door verdachte meegenomen spullen is aangetroffen in de bosjes. [14] Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij deze spullen meenam op 27 februari 2025. Hij had namelijk op 26 februari gezien dat [slachtoffer] met [naam] afsprak en hij wilde die plannen doorkruisen door de spullen mee te nemen. [15]
De raadsman bepleit dat verdachte de spullen wel opzettelijk weggenomen heeft, maar dat hij daarbij geen oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. Hij wilde de spullen immers op een later moment teruggeven.
De rechtbank overweegt dat ook het zich tijdelijk de feitelijke heerschappij willen verschaffen over iemands anders spullen, onder omstandigheden kan opleveren dat de verdachte zich dat goed heeft toegeëigend. [16]
De rechtbank overweegt dat verdachte de spullen van [slachtoffer] heeft meegenomen zonder haar toestemming en voor zijn eigen doeleinden, namelijk het voorkomen dat [slachtoffer] zou afspreken met een andere man. Het doel van verdachte was dan ook expliciet om [slachtoffer] de heerschappij over en het gebruik van haar eigen spullen te ontnemen. Hij heeft daarmee zelf als heer en meester over de spullen beschikt. Verdachte heeft daarmee het oogmerk gehad op wederrechtelijke toe-eigening van de spullen van [slachtoffer] .
De rechtbank sluit zich bij het subsidiaire standpunt van de raadsman aan. Het geweld en/of de bedreiging met geweld die zouden hebben plaatsgevonden (zie feit 3), werden niet gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, maar hangen samen met het hierna onder feit 1 bewezenverklaarde feit.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. De rechtbank zal verdachte partieel vrij spreken, namelijk van de gekwalificeerde diefstal.
Feit 1: De verkrachting
Juridisch kader
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van aangeefster en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen.
Verklaring aangeefster
[slachtoffer] verklaart dat zij op 27 februari 2025 rond 09:00 uur plots haar voordeur van het slot hoorde gaan. Zij schrok en zag verdachte dreigend met een stok of plank in zijn hand staan. Hij hield de stok vast naast zijn hoofd op een manier die zei “luisteren”. [slachtoffer] was bang dat als zij niet zou luisteren, hij haar zou slaan. Hij zei dat zij op de bank moest gaan zitten. Hij noemde haar ‘slet’ en ‘hoer’. Hij zei dat [slachtoffer] haar kleding uit moest doen. Dit zei hij in het Arabisch, maar [slachtoffer] herkende de woorden. [slachtoffer] deed haar broek uit, maar toen zei hij dat ze verder moest gaan. Ze heeft toen alle kleding uitgetrokken. Hij kwam naar haar toe lopen en ging voor haar staan. Hij deed zijn boxer uit en zei dat zij hem moest pijpen. Zij huilde en wilde stoppen, maar hij zei dat ze door moest gaan totdat hij vond dat het genoeg was. Dit duurde ongeveer 10 minuten.
Toen pakte verdachte de benen van [slachtoffer] en deed haar voeten omhoog richting zijn schouders. [slachtoffer] zat nog steeds op de bank. Hij stopte zijn stijve piemel in haar vagina. Dit gebeurde zonder condoom. [slachtoffer] huilde zachtjes en deed haar ogen dicht om niet in zijn ogen te hoeven kijken. Verdachte heeft tijdens de seks gezegd dat zij moest stoppen met huilen. [slachtoffer] heeft niks gezegd. Nadat verdachte klaarkwam, is [slachtoffer] gaan douchen. Verdachte wist dat de begeleider van [slachtoffer] op bezoek zou komen en daarom heeft hij de woning verlaten. [17]
Verklaring verdachte
Verdachte verklaart dat hij in de avond van 26 februari 2025 het eerdergenoemde Tiktok-filmpje van [slachtoffer] zag en haar daarna opbelde en tegen haar zei dat hij de volgende dag in de ochtend zou komen. De ochtend van 27 februari 2025 is hij naar [slachtoffer] toe gegaan en heeft hij zichzelf binnengelaten. Hij heeft haar toen verboden om met [naam] om te gaan. Daarna hebben ze seks gehad. [18]
Bovenstaande betreft de verklaring die verdachte tijdens de terechtzitting heeft afgelegd. De rechtbank merkt op dat verdachte tijdens alle eerdere verhoren heeft verklaard dat hij op 27 februari 2025 en de twee tot drie maanden daarvoor geen seks met [slachtoffer] had gehad. Dit verklaarde hij ook nog tijdens zijn laatste verhoor op 10 juli 2025, toen hij met DNA-resultaten werd geconfronteerd.
Seksuele handelingen
Op 27 februari 2025 werden biologische sporen afgenomen op en in het lichaam van [slachtoffer] . De buitenste schaamlippen, de binnenste schaamlippen, het perineum en diep vaginaal werden positief getest op spermavloeistof en daar werden ook spermacellen waargenomen. De sporen zijn vergeleken met het DNA van de verdachte en daaruit kwam een match. Ten aanzien van het gevonden DNA van de swab 'diep vaginaal' werd een bewijskrachtberekening gedaan. Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het sperma in de bemonstering van verdachte is, dan wanneer het sperma van een andere willekeurige onbekende man zou zijn. [19] De rechtbank acht hiermee bewezen dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden op 27 februari 2025 tussen verdachte en [slachtoffer] die mede bestonden uit het zonder condoom seksueel binnendringen.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is, of de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar is. De rechtbank acht het van belang om voorop te stellen dat de verklaring van [slachtoffer] op de rechtbank authentiek overkomt. Nadat verdachte haar woning heeft verlaten, heeft zij gelijk de politie gebeld en gezegd dat zij verkracht was door verdachte. [20] Dat zij de politie zo snel belde, blijkt wel uit het feit dat de politie verdachte al wegfietsend aantrof in de straat van [slachtoffer] . [21] Bovendien is [slachtoffer] na het doen van aangifte niet teruggekeerd naar haar woning, maar is zij naar een geheime locatie (een blijf-van-mijn-lijfhuis) gegaan, waardoor haar kinderen op dat moment niet bij haar konden verblijven maar bij hun vader verbleven. [22] Dit draagt volgens de rechtbank bij aan de authenticiteit van de verklaring en de gevoelde angst van [slachtoffer] .
De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] ook consistent. Gelijk op 27 februari 2025, omstreeks 12:00 uur heeft er een eerste informatief gesprek plaatsgevonden waarin [slachtoffer] het verhaal heeft verteld. Een aantal dagen later, op 3 maart 2025, heeft [slachtoffer] uitgebreid aangifte gedaan. Deze twee verklaringen komen overeen en sluiten bovendien ook op alle punten aan bij de aanvullende aangifte die [slachtoffer] op 25 maart 2025 nog deed. [23]
Gelet op voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar.
Steunbewijs
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door een of meerdere zelfstandige bewijsmiddelen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
De delen van de verklaring van [slachtoffer] die zien op de bedreiging de dag ervoor en op de diefstal gelijk na de seks, zijn reeds besproken en daarvoor bestaan voldoende objectieve bewijsmiddelen. Dat deze delen van de verklaring door objectieve bewijsmiddelen ondersteund worden, vergroten en ondersteunen de geloofwaardigheid van de gehele verklaring van [slachtoffer] .
De verklaring van [slachtoffer] dat haar wil ontbrak, wordt bovendien ondersteund door de onder feit 2 bewezen verklaarde bedreiging en de door verdachte bekende diefstal. Verdachte stuurde een aantal dreigende e-mails in de avond van 26 februari 2025 naar [slachtoffer] stuurde waarin hij haar met de dood bedreigde. Het ligt niet voor de hand dat [slachtoffer] gelijk de ochtend daarna uit vrije wil seks zou hebben met verdachte. De bedreiging ondersteunt daarom de verklaring van [slachtoffer] omtrent haar ontbrekende wil.
Verdachte verklaart dat hij op de avond van 26 februari tegen [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij langs zou komen de ochtend erna. Daarmee zou van afspreken met wederzijds goedvinden al geen sprake zijn. Wat daar ook van zij, van de beweerde communicatie van deze strekking is niets aangetroffen in de telefoon van verdachte. Dit ondersteunt de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte zonder goedvinden en tegen de wil van [slachtoffer] langskwam. Tezamen met het feit dat verdachte bij het verlaten van de woning ook de persoonlijke eigendommen van [slachtoffer] stal, wijst dat op een situatie waarin verdachte tegen de wil van [slachtoffer] handelde en dat zij daarover geen controle had.
Gelet op dit steunbewijs gaat de rechtbank uit van de omstandigheden en handelingen zoals deze door aangeefster zijn beschreven.
Opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.
De rechtbank is van oordeel dat uit de door aangeefster beschreven omstandigheden en handelingen blijkt dat bij haar de wil tot seksueel contact met verdachte ontbrak én dat het niet anders kan dan dit voor verdachte duidelijk was. Dit blijkt uit de volgende omstandigheden.
De rechtbank neemt als eerste de context waarbinnen het feit plaatsvond in aanmerking. [slachtoffer] had de relatie uitgemaakt. Zij wilde geen relatie en geen seks meer. Verdachte was het daar niet mee eens. Hij geeft op vragen van de rechtbank of de relatie in zijn ogen op de pleegdatum nog aan was geen eenduidig antwoord. Verdachte beschrijft het contact van [slachtoffer] met [naam] echter wel als ‘vreemdgaan’. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte [slachtoffer] nog wel als de zijne zag en dat hij niet accepteerde dat het uit was en dat zij anderen zag. Dit blijkt ook uit de online geuite doodsbedreigingen en andere uitlatingen van verdachte tegen [slachtoffer] , te weten:
- Dat hij niet zonder [slachtoffer] kon, en zijn hele leven achter haar aan zou komen, ook al zouden zij geen relatie hebben; [24]
- Dat wanneer [slachtoffer] geen man in haar leven zou hebben, hij rustig zou blijven. [25]
[slachtoffer] verklaart bovendien over de relatie en de periode voor 27 februari 2025:
- Dat verdachte controlerend en overheersend was; [26]
- Dat hij haar constant in de gaten hield en haar berichtjes stuurde waarin hij zei dat hij wist waar ze was; [27]
- Dat er op 19/20 december 2024 een incident had plaatsgevonden waarbij verdachte [naam] het huis van [slachtoffer] uit zette en de politie vervolgens op verzoek van [slachtoffer] verdachte het huis uit zette; [28]
- Dat verdachte meermalen haar sleutels meenam waardoor zij haar sloten moest veranderen;
- Dat hij soms zomaar in de woning verscheen, vermoedelijk via de balkondeur;
- Dat als zij deed wat hij zei, hij dan lief deed; [29]
- Dat zij heel veel angst heeft voor hem; [30]
- Dat verdachte vond dat hij seks moest krijgen wanneer hij daar zin in had en dat [slachtoffer] het gevoel had dat zij daar geen keuze in had. [31]
Uit de verklaring van verdachte en uit de dreigmails blijkt dat verdachte woedend was over de relatie van [slachtoffer] met [naam] . De laatste druppel lijkt een Tiktok-filmpje te zijn geweest op 26 februari 2025, waarna hij [slachtoffer] met de dood bedreigde. De ochtend daarna komt verdachte onaangekondigd en zonder toestemming met een gestolen sleutel de woning binnen. Hij draagt dan bovendien een stok/plank bij zich. [slachtoffer] verklaart daarover dat zij bang was dat verdachte haar zou slaan als zij niet zou luisteren.
[slachtoffer] verklaart dat zij tijdens de seks haar ogen sloot en huilde. Dit kon verdachte zien en was een duidelijk zichtbaar teken dat zij het niet wilde. Dat verdachte dit gezien heeft, blijkt ook uit de verklaring van [slachtoffer] , dat verdachte haar vertelde dat ze moest stoppen met huilen. [32]
[slachtoffer] spreekt Nederlands en verdachte Arabisch. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] enkele woorden Arabisch spreekt en verdachte enkele woorden Nederlands. [33] Verder werd er gecommuniceerd via Google Translate. Uit bovengenoemde bewijsmiddelen is niet gebleken dat de taalbarrière enige rol van betekenis heeft gespeeld bij het feit.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat bij [slachtoffer] de wil tot het verrichten van de onderhavige seksuele handelingen ontbrak. Uit de gehele context blijkt voor de rechtbank dat verdachte niet bezig was met wat [slachtoffer] wilde maar enkel met wat hij zelf wilde.
Gekwalificeerde opzetverkrachting
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging.
Door de gehele context waarbinnen het feit plaatsvond, alsmede het gebruik van de stok/plank is naar het oordeel van de rechtbank zodanige pressie op [slachtoffer] uitgeoefend dat zij niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Bovendien hebben deze omstandigheden in combinatie met het gebruik van de stok een dreigende situatie voor [slachtoffer] gecreëerd waaraan zij zich niet durfde te onttrekken.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks27 februari 2025 te Nijmegen,
met een persoon, te weten [slachtoffer] ,
een of meerseksuele handelingen die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen
/duwenvan zijn geslachtsdeel in haar mond en
/ofhet brengen
/duwenvan zijn geslachtsdeel in haar vagina,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door
envergezeld van
en/of gevolgd doordwang
, gewelden
/ofbedreiging, door
zonder toestemming van die [slachtoffer] haar woning te betreden en
/ofmet een stok of een stuk hout
, althans een voorwerpin de hand in haar richting te lopen en/of voor haar te gaan staan en
/of
(daarbij) die stok of dat stuk hout
, althans dat voorwerpdreigend naast zijn hoofd omhoog te houden en
/of
(vervolgens) die [slachtoffer] te sommeren haar kleding uit te trekken en
/ofhaar te sommeren hem te pijpen
, althans zijn geslachtsdeel in haar mond te nemenen
/of
haar mede te delen dat zij daarmee pas mocht stoppen als hij vond dat het genoeg was en
/of
(vervolgens) die [slachtoffer] bij de benen vast te pakken en
/ofhaar benen omhoog te
trekken/duwen en
/ofrichting haar hoofd te duwen en
/of
tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij een slet en
/ofhoer is en
/of
tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij moest stoppen met huilen en
/of
misbruik/gebruik te maken van zijn fysieke overwicht over die [slachtoffer] en/of
meerdere malen voorbij te gaan aan de verbale en
/ofnon-verbale tekenen van
verzet en/ofweerstand van die [slachtoffer] en
/of
(aldus) voor die [slachtoffer] een dreigende situatie te creëren, waaraan zij zich niet kon of durfde te onttrekken;
2.
hij op een of meer tijdstippen in
of omstreeksde periode van
6december 2024 tot en met
26 februari2025 te Nijmegen,
in elk geval in Nederland,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en
/ofmet zware mishandeling,
door die die [slachtoffer] ,
onder meervia mailberichten, dreigend de woorden toe te voegen
"Ik ga weg nadat ik je hoofd eraf heb geschoten" en
/of
"Dood aan jou, jij hoer, jij hond. Ik zal je vernietigen met mijn woorden. Dit is serieus. je hebt dit vandaag gedaan om mij boos te maken. Oke, ik zal je mijn boosheid laten zien" en
/of
"Het zal eindigen nadat ik jou en [naam] heb vermoord" en
/of
"Als ik je met hem zou zien, zou ik je vermoorden" en
/of
"Ik ga hier niet weg voordat ik jou en hem heb vermoord" en
/of
"Ik zal jullie hoofden er samen afschieten" en
/of
"Ik zal wraak op je nemen" en
/of
"Ik ga nergens heen, ik ga niet sterven en ik ga niet naar de gevangenis voordat ik wraak op je neem",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op
of omstreeks27 februari 2025 te Nijmegen,
één of meerdere sleutels en
/ofeen mobiele telefoon en
/ofeen paspoort en
/ofeen druppel (een zogenaamde tag die toegang tot een gebouw/plaats geeft),
in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan [slachtoffer] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
zonder toestemming van die [slachtoffer] haar woning te betreden en/of
met een stok of een stuk hout, althans een voorwerp in de hand in haar richting te lopen en/of voor haar te gaan staan en/of
(daarbij) die stok of dat stuk hout, althans dat voorwerp dreigend naast zijn hoofd omhoog te houden en/of
(vervolgens) tegen de wil van die [slachtoffer] seksuele handelingen met haar te verrichten, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Opzetverkrachting, voorafgegaan door en vergezeld van dwang en bedreiging.
feit 2:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
feit 3:
Diefstal

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie vraagt daarnaast om oplegging van een maatregel in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht. De maatregel van een contact- en locatieverbod moet gelden voor het adres van [slachtoffer] , [adres] , en een straal van 1 kilometer daar omheen. De officier van justitie vraagt om dadelijke tenuitvoerlegging van de maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, mochten alle feiten bewezen worden verklaard, verdachte veroordeeld zou moeten worden tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daar zou nog een aanzienlijke periode van voorwaardelijke gevangenisstraf aan toegevoegd kunnen worden. Daarbij kunnen algemene en bijzondere voorwaarden gelden, waaronder een contact- en locatieverbod voor [adres] en een straal van 1 kilometer daaromheen. Een 38v Sr-maatregel is te fors omdat nergens uit blijkt dat er bij [slachtoffer] nog vrees is voor herhaling. Subsidiair kan voor artikel 38v Sr de dadelijke uitvoerbaarheid niet opgelegd worden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van zijn ex-partner [slachtoffer] , met toepassing van dwang en bedreiging. Verdachte is daarbij niet alleen tegen de wil van [slachtoffer] haar woning binnen gekomen, maar heeft daar vervolgens ook tegen haar wil seksuele handelingen verricht waarbij hij seksueel bij haar is binnengedrongen.
Opzetverkrachting is een zeer ernstig feit waarmee een grove inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Verkrachting is een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en emotionele gevolgen heeft voor het slachtoffer. Dat geldt ook voor [slachtoffer] . Zij is opgenomen bij Moviera en heeft daar een intensieve traumabehandeling ondergaan. Gedurende die periode kon zij haar kinderen enkel in de weekenden nog zien in een blijf-van-mijn-lijfhuis.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in Nederland nog niet eerder is veroordeeld voor enig feit. Uit het reclasseringsrapport van 22 oktober 2025 blijkt dat er ten aanzien van verdachte weinig gezegd, ingeschat of aangeraden kan worden. Verdachte weet geen relevante referenten te noemen en geeft ten aanzien van bepaalde leefgebieden weinig openheid van zaken. Ook op zijn persoonlijkheid is weinig zicht verkregen. Een en ander wordt bemoeilijkt door de taalbarrière. Deze staat ook in de weg aan eventuele interventies. De reclassering adviseert wel om een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen met een dadelijke uitvoerbaarheid.
In zijn sociaal verhoor verklaart verdachte dat hij in 2023 op 21-jarige leeftijd uit Syrië is vertrokken. Hij woont in een AZC en heeft geen kinderen, werk of inkomen. In detentie heeft hij het zwaar gehad. Hij heeft paniekaanvallen ontwikkeld en last van hartproblemen en suikerziekte.
Voor de bepaling van de modaliteit en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Er zijn nog geen oriëntatiepunten voor gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals in dit geval aan de orde is, maar wel voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 van Pro het Wetboek van Strafrecht (oud).
Voor de laatstgenoemde verkrachting met een beperkte mate van dwang hanteren de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt. Voor geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang geldt 36 maanden als uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat dit als uitgangspunt kan worden genomen bij de op te leggen straf en sluit daarbij meer aan bij de variant van ‘beperkte mate van dwang’.
In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte in de woning van [slachtoffer] is binnengedrongen, een plek die bij uitstek veilig zou moeten zijn. Daarnaast heeft verdachte geen condoom gebruikt. Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden. Daarvan zal de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht afgetrokken worden. Er zal daarnaast geen voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd omdat de rechtbank geen mogelijkheden tot interventies ziet.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Dit omdat de context waarbinnen de verdachte de feiten heeft gepleegd nog altijd onveranderd is. De maatregel houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren zich niet binnen een straal van 1 kilometer rondom [adres] bevindt en dat hij zich onthoudt van direct of indirect contact met [slachtoffer] .
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. De duur van deze hechtenis wordt vastgesteld op 7 dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat het een feit in de relationele sfeer betreft. Verdachte kon niet niet accepteren dat de relatie met [slachtoffer] over was. De tenlastegelegde feiten staan niet op zich en waren niet eenmalig, maar hebben plaatsgevonden over een langere periode. Verdachte verklaart dat hij nog altijd veel om [slachtoffer] geeft en dat hij haar en haar kinderen als familie ziet en van hen houdt. [34]
Gelet op dit alles tezamen acht de rechtbank vrees voor herhaling in de toekomst gerechtvaardigd.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de tenlastegelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 133,96 aan materiële schade en € 10.000, - aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard voor wat betreft de materiële schade. Er is enkel een e-mail van [bedrijf] overgedragen. Dit is een informatieve e-mail en betreft geen bevestiging van opdracht of rekeningafschrift. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd.
De verdediging vraagt om de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen tot € 7.500, -.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de diefstal van de sleutels en de gevorderde materiële schade. De sleutels zijn direct na het feit teruggevonden in de bosjes en teruggegeven aan [slachtoffer] . De rechtbank ziet daarom geen reden om naar aanleiding van de diefstal van de sleutels op 27 februari 2025 het slot te vervangen. Indien [slachtoffer] zich genoodzaakt voelde het slot te vervangen omdat verdachte op een ander moment ook sleutels gestolen zou hebben, dan valt dat buiten het bewezen verklaarde. De rechtbank zal om die reden de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezen gekwalificeerde opzetverkrachting schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de verkrachting en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan rechtvaardigen die conclusie. De nadelige gevolgen van de bewezenverklaarde verkrachting liggen zo voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing daarvan aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse Schaal. Het gaat om een eenmalige verkrachting tussen een benadeelde en een verdachte die een relatie met elkaar hebben gehad. Dit soort verkrachting valt onder de categorie ‘c: tamelijk ernstig’. Daarvoor worden bedragen tussen de € 2.500, - en € 7.500, - genoemd. De rechtbank classificeert onderhavige zaak als van gemiddelde zwaarte. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld daarom op een bedrag van € 5.000,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de schade niet-ontvankelijk verklaren.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 243, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende
Een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 5 jaren niet bevindt binnen een straal van 1 kilometer van [adres] .
en
Een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 5 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1988.
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
 beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezen verklaarde onder feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000, - aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag te betalen van € 5.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 60 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. I.S. Termaat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2025.
Mr. H.C. Leemreize, mr. I.S. Termaat en mr. M.J.A. Dams zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025161604, datum sluiting onbekend, ingekomen op 25 juni 2025, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50-52.
3.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 63-66.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 72-73.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 74.
7.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 43-44; Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50-51.
8.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 51.
9.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 52.
10.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 42, 44 en 46.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 16.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 19-20.
13.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
14.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 44; Proces-verbaal van bevindingen, p. 19.
15.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
16.HR 10 december 1957, ECLI:NL:HR:1957:17.
17.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 41-42, 44-45.
18.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
19.Rapport NFI, p. 91, 95-97.
20.Proces-verbaal van bevindingen, p. 16; Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 42.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 16.
22.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50; Proces-verbaal van bevindingen, p. 56.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 22; Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 39-48; Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50-54.
24.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50-51.
25.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 51.
26.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50.
27.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50-51.
28.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 50-51.
29.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 51.
30.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 53.
31.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 42-43.
32.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 45.
33.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 42, 44-45; Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
34.Schriftelijke verklaring van verdachte, overgelegd tijdens de zitting van 28 november 2025.