ECLI:NL:RBGEL:2025:11800

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
05/270548-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leidinggevende handel in harddrugs gedurende twee jaar met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte heeft gedurende ongeveer twee jaar, van februari 2021 tot februari 2023, samen met anderen bedrijfsmatig gehandeld in harddrugs, waarbij hij een leidinggevende en aansturende rol vervulde. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op meerdere tijdstippen heroïne, cocaïne, hasjiesj en MDMA bewerkte, verhandelde en aanwezig had.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van getuigen en verdachte, observatieverslagen, NFI-rapporten, en chatberichten waarin sprake was van handel en voorbereiding van drugshandel. Verdachte bekende handel vanaf zomer 2022, maar de rechtbank concludeerde op basis van bewijsmiddelen dat de handel al vanaf februari 2021 plaatsvond.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de lange periode van handel, de grote klantenkring, en de recidive van verdachte. De redelijke termijn was met negen maanden overschreden, wat matiging van de straf rechtvaardigde. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur op, met subsidiaire hechtenis van 120 dagen, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van drie jaar.

Daarnaast werden diverse in beslag genomen goederen verbeurd verklaard, met uitzondering van een zilverkleurige Apple iPhone die aan verdachte werd teruggegeven. De straf houdt rekening met de eendaadse samenloop van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf, 120 dagen hechtenis subsidiair, en 12 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens bedrijfsmatige handel in harddrugs.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/270548-23
Datum uitspraak : 24 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] (Duitsland),
op dit moment gedetineerd in [plaats] .
Raadsman: mr. R. van Veen, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 22 februari 2023 te Doetinchem en/of te Groenlo, en/of te Aalten, en/of te Zeddam, en/of te Zelhem, en/of te Winterswijk en/of (een) ander(e) plaats(en) gelegen in de provincie Gelderland en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 23 februari 2023 te Dieren, (althans) in de gemeente Rheden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
a.
ongeveer 157,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 51,98 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of
b.
ongeveer 85,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 23 februari 2023 te Dieren, (althans) in de gemeente Rheden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,
van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door in een woning een of meerdere van de volgend voorwerp(en) op te slaan/voorhanden te hebben , te weten
624 gram, althans een hoeveelheid versnijdingsmiddel, en/of
een geldbedrag van €1390,- , en/of
402, althans een hoeveelheid lege gripzakjes, en/of
twee/een rol(len) lege boterhamzakjes, en/of
628, althans een hoeveelheid lege ponypacks , en/of
een of meerdere weegscha(a)l(en) en/of een big shopper;
4.
hij op of omstreeks 23 februari 2023 te Zelhem, (althans) in de gemeente Bronckhorst
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 159,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
ongeveer 55,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, en/of ongeveer 51,07 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of heroïne, en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle feiten zoals deze zijn tenlastegelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat slechts een periode van 9 september 2022 tot en met 22 februari 2023 bewezen kan worden verklaard. De verklaring van verdachte op dit punt is niet op voorhand onaannemelijk. De verklaring van getuige [getuige] kan verder niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat zij belastend over verdachte heeft verklaard, maar de verdediging haar niet heeft kunnen horen.
Ten aanzien van feiten 2 tot en met 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De verdachte heeft bekend dat hij vanaf de zomer van 2022 tot en met 22 februari 2023heeft gehandeld in verdovende middelen. Hij ontkent dat hij in de tenlastegelegde periode daarvoor (vanaf 1 februari 2021) ook al in verdovende middelen heeft gehandeld.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van getuige [getuige] niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Nu de rechtbank deze verklaring niet voor het bewijs gebruikt, behoeft dit verweer geen bespreking.
Verdachte heeft verklaard dat hij in de zomer van 2022 is begonnen met de handel in verdovende middelen, namelijk vanaf het moment van overname van een dealtelefoon met contacten van dealer ‘ [verdachte] ’. [2]
In één van de jaszakken van verdachte is een telefoon aangetroffen, een zwarte iPhone. [3] De Apple ID van deze telefoon en meerdere accounts op sociale media die daarop zijn aangetroffen, hadden de naam ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’ of variaties daarop, waaronder de naam [naam] ( [naam] ) op Snapchat. Verdachte heeft verklaard dat hij gebruik maakte van deze naam op sociale media. [4] Op deze telefoon staan door [naam] over drugs en handel daarin gevoerde berichten met verschillende personen vanaf juni 2020 en mei 2022. [5]
Op basis hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte deze telefoon ook voor de zomer van 2022 al in gebruik had.
Er vond van 5 juni 2020 tot en met 15 november 2022 een Snapchat-gesprek plaats tussen verdachte ( [naam] ) en [naam] ( [naam] ), waarin onder andere de volgende berichten werden verstuurd:
  • Verdachte op 12 juli 2020: ‘
  • Verdachte op 4 augustus 2020: ‘
  • [naam] op 6 augustus 2020: ‘Wat gaan we ze geven per dag.
  • Verdachte op 4 oktober 2020: ‘
  • Verdachte op 7 oktober 2020: ‘
Volgens de politie wordt er met koffie en blok gedoeld op de handel in verdovende middelen en met tetra en lido op versnijdingsmiddelen. Verder wordt er gesproken over het uitbreiden van een drugslijn. [6]
[naam] heeft verklaard dat hij ongeveer vanaf april 2020 cocaïne en heroïne koopt bij [verdachte] . Op 23 februari 2023 heeft hij [verdachte] een WhatsApp-bericht gestuurd dat hij cocaïne en heroïne wilde kopen. Ze hebben diezelfde dag om 15:00 uur afgesproken bij de Plus. [naam] is aan de bijrijderskant in de Volkswagen Golf GTI van [verdachte] gestapt. [verdachte] overhandigde hem de cocaïne en de heroïne en [naam] gaf hem vijftig euro. [7] De politie heeft deze overdracht waargenomen en verdachte uiteindelijk later die middag aangehouden. [8]
[naam] heeft verklaard dat hij sinds een jaar of 3 à 4 drugs afnam bij [verdachte] . Dit was meestal basecoke. Toen hem een foto van verdachte werd getoond, herkende [naam] hem als [verdachte] . [naam] herkende een foto van medeverdachte [medeverdachte] als iemand die wel eens voor [verdachte] reed en van wie hij wel eens drugs heeft afgenomen. [9]
[naam] heeft verklaard dat hij een jaar of acht geleden voor het eerst drugs heeft gekocht van [verdachte] , die hij het langst kent als [verdachte] . In die acht jaar heeft [naam] ruim 100 keer heroïne en basecoke bij hem gekocht. In de periode van 5 tot en met 19 februari 2022 heeft [naam] ten minste elf keer verdovende middelen bij hem gekocht. De politie liet [naam] een foto van verdachte zien. [naam] herkende hem als [verdachte] , [verdachte] of [verdachte] . [10]
De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de gehele tenlastegelegde periode heeft gehandeld in verdovende middelen.
Voor het overige volstaat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit tenlastegelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van observatie, p. 15-17;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 101-102;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 404-417;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 429-442;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 563-572;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 599-612;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 821;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 november 2025.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van observatie, p. 15-17;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 101-102;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 149-150;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 227;
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 230-248;
- de NFI-rapporten, p. 252-264;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 636-637;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 821;
- het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, p. 823;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 november 2025.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van observatie, p. 15-17;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 101-102;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 149-150;
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 232, 242-243 en 244;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 636-637;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 821;
- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 850-851 en p. 853;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 november 2025.
Feit 4
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van observatie, p. 15-17;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 101-102;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 108-109;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 114;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 265-288
- de NFI-rapporten, p. 291-312;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 636-637;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 821;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 november 2025.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
een ofmeerdere tijdstip
(pen
)gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 22 februari 2023 te Doetinchem en
/ofte Groenlo, en
/ofte Aalten, en
/ofte Zeddam, en
/ofte Zelhem, en
/ofte Winterswijk en/of (een) ander(e) plaats(en) gelegen in de provincie Gelderland en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,meermalen,
althans eenmaal, meermalen, althans eenmaal,opzettelijk heeft bewerkt en
/ofverwerkt en
/ofverkocht en
/ofafgeleverd en
/ofverstrekt en
/ofvervoerd
, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehadeen hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en
/ofeen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en
/ofcocaïne
, zijnde (telkens
)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op
of omstreeks23 februari 2023 te Dieren,
(althans)in de gemeente Rheden tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad
a.
ongeveer 157,92 gram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne en
/ofongeveer 51,98 gram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendeheroïne, zijnde cocaïne en
/ofheroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die weten
/of
b.
ongeveer 85,1 gram
, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramvan een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op
of omstreeks23 februari 2023 te Dieren,
(althans)in de gemeente Rheden tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden
en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk
telen,bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,
van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
voorwerpen,
vervoermiddelen,stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door in een woning een of meerdere van de volgend voorwerp(en) op te slaan/voorhanden te hebben, te weten
624 gram
, althans een hoeveelheidversnijdingsmiddel, en
/of
een geldbedrag van € 1.390,- , en
/of
402
, althans een hoeveelheidlege gripzakjes, en
/of
twee
/eenrol
(len
)lege boterhamzakjes, en
/of
628
, althans een hoeveelheidlege ponypacks, en
/of
een ofmeerdere weegscha
(a)l
(en
)en
/ofeen big shopper;
4.
hij op
of omstreeks23 februari 2023 te Zelhem,
(althans)in de gemeente Bronckhorst
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk gevalopzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 159,92 gram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne en
/of
ongeveer 55,22 gram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendeheroïne
,en
/ofongeveer 51,07 gram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendeMDMA, zijnde cocaïne en
/ofheroïne, en
/ofMDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van:
feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
en
feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
en
feit 3:
medeplegen van voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen
en
feit 4:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 27 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit in verband met de beperkte periode die volgens de verdediging voor feit 1 bewezen kan worden verklaard, de overschrijding van de redelijke termijn, de toepassing van artikel 63 Sr Pro en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met één of meer anderen gedurende een periode van ongeveer twee jaar gehandeld in harddrugs. Deze handel was bedrijfsmatig opgezet. Er werd dagelijks gedeald. De politie heeft verdachte één willekeurige dag geobserveerd en zag meteen dat verdachte betrokken was bij meerdere overdrachten. Verder blijkt uit het procesdossier dat er een grote hoeveelheid afnemers klant waren bij verdachte. Zij namen niet alleen regelmatig bij verdachte af, maar vaak ook gedurende langere tijd, soms zelfs meerdere jaren. De rechtbank neemt dit hem kwalijk.
Verdachte lijkt hierin ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte] een leidinggevende en aansturende rol te hebben gehad. Bovendien heeft hij zich gedurende een veel langere periode beziggehouden met deze praktijken. De rechtbank houdt hiermee rekening bij de strafoplegging.
Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Bovendien gaat het gebruik ervan vaak samen met verschillende vormen van criminaliteit. Verdachte en zijn mededader(s) hebben met hun handelen niet alleen misbruik gemaakt van kwetsbare mensen met een verslaving, maar ook een bijdrage geleverd aan de instandhouding hiervan, enkel voor hun eigen financiële gewin. Dit rekent de rechtbank hen aan.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte d.d. 6 oktober 2025 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar twee keer is veroordeeld wegens het overtreden van de Opiumwet. Er is dus sprake van meermaals recidive. Kennelijk trekt verdachte hier geen lering uit, want het heeft hem er niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen. Bovendien is verdachte op 17 juni 2025 door de politierechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Ook zijn aanhouding en inverzekeringstelling in het kader van onderhavige strafzaak lijken dus weinig indruk op hem te hebben gemaakt. De rechtbank vindt dit zorgelijk.
Verdachte heeft ter terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij een eigen bedrijf heeft, in een huurwoning in Duitsland woont en ieder weekend bij zijn kinderen is.
De overschrijding van de redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 24 februari 2023 in verzekering gesteld. Aan deze handeling kon verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Er is echter pas op 24 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak.
Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met negen maanden overschreden. Dat de zaak niet ‘op de plank is blijven liggen’, maar dat er op verzoek van de verdediging nog getuigen moesten worden gehoord bij de rechter-commissaris, zoals de officier van justitie heeft betoogd, doet daar niet aan af.
De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Conclusie
Alles afwegende komt de rechtbank tot het volgende.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie onvoldoende rekening houdt met de eendaadse samenloop tussen de feiten. De rechtbank is niet blind voor de onderlinge samenhang tussen de bewezenverklaarde strafbare feiten en zal daarmee rekening houden in de strafoplegging.
Normaal gesproken staan op dit soort feiten langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn is de rechtbank echter van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen redelijk strafdoel meer dient. Verder houdt de rechtbank rekening met de positieve weg die verdachte is ingeslagen, ook al is dit nog redelijk pril. Daarom zal de rechtbank ook de duur van de gevangenisstraf beperken.
De rechtbank merkt tegelijkertijd op dat verdachte hiermee een kans krijgt om te laten zien dat hij op het rechte pad kan blijven. Het voorwaardelijke strafdeel beoogt een stok achter de deur te zijn. Als hij weer in de fout gaat, kan de voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer worden gelegd, bovenop de straf die hij voor het nieuwe strafbaar feit zal krijgen.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr Pro en met een proeftijd van 3 jaar.

8.De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle in beslag genomen goederen verbeurd moeten worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de Renault Twingo moet worden teruggegeven aan verdachte. Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de volgende voorwerpen, met behulp waarvan feiten 1 tot en met 4 zijn begaan of voorbereid, verbeurd verklaren:
  • Een bedrag van 50 euro dat is aangetroffen in de heuptas van verdachte (PL0600-2023084564-G2927011),
  • Een telefoontoestel (zwarte Samsung; PL0600-2023084564-G2927101),
  • Een telefoontoestel (zilverkleurige Apple iPhone; PL0600-2023084564-G2926962),
  • Een telefoontoestel (goudkleurige Samsung met kapotte achterkant; PL0600-2023084564-G2926967),
  • Een telefoontoestel (rode Apple uit de jaszak van verdachte; PL0600-2023084564-G2927000),
  • Een telefoontoestel (Apple, zwarte backcover met ruitjes; PL0600-2023084564-G2926965),
  • Een personenauto (Renault Twingo met kenteken [kenteken] ; PL0600-2023084564-G672595) en
  • Een plastic tas (PL0600-2023084564-G2927482).
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank zal de teruggave van zilverkleurige Apple iPhone (PL0600-2023084564-G2926956) aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10, 10 a en 11 van de Opiumwet;

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
o Een bedrag van 50 euro dat is aangetroffen in de heuptas van verdachte (PL0600-2023084564-G2927011),
o Een telefoontoestel (zwarte Samsung; PL0600-2023084564-G2927101),
o Een telefoontoestel (zilverkleurige Apple iPhone; PL0600-2023084564-G2926962),
o Een telefoontoestel (goudkleurige Samsung met kapotte achterkant; PL0600-2023084564-G2926967),
o Een telefoontoestel (rode Apple uit de jaszak van verdachte; PL0600-2023084564-G2927000),
o Een telefoontoestel (Apple, zwarte backcover met ruitjes; PL0600-2023084564-G2926965),
o Een personenauto (Renault Twingo met kenteken [kenteken] ; PL0600-2023084564-G672595) en
o Een plastic tas (PL0600-2023084564-G2927482);
 gelast de teruggave van de zilverkleurige Apple iPhone (PL0600-2023084564-G2926956) aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. G.M.L. Tomassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2025.
Mr. Stratenus en mr. Tomassen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2023339160, gesloten op 25 september 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 november 2025.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 210.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 522-523 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 november 2025.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 527-5 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 november 2025.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 527-531.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam] , p. 642-643
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 109.
9.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , p. 651
10.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , p. 714-715 en 717.