ECLI:NL:RBGEL:2025:11663

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/05/459637 KG RK 25-851
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak

Op 22 december 2025 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland in Zutphen het wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen. Het verzoek was gericht tegen de rechters W.H.S. Duinkerke, C.H. van Breevoort-de Bruin en J.S.W. Lucassen in een strafzaak tegen verzoeker. De procedure begon met een mondeling wrakingsverzoek op 4 november 2025, waarin verzoeker zijn gronden uiteenzette. Hij was het niet eens met het gebruik van een verouderd psychologisch rapport en de benoeming van zijn advocaat, mr. [advocaat]. De rechters hebben op 17 november 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek, maar hebben niet in de wraking berust.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn gronden verder aangevuld, waarbij hij stelde dat de rechters vooringenomen waren en dat er ernstige vormverzuimen waren. De wrakingskamer oordeelde dat een rechter alleen gewraakt kan worden als er objectieve aanwijzingen zijn voor partijdigheid. De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker niet voldoende concrete omstandigheden had aangevoerd die de schijn van partijdigheid rechtvaardigden. De aangevoerde gronden waren voornamelijk gericht op de inhoud van de rechterlijke beslissing, wat niet relevant is voor de wrakingsprocedure. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat verzoeker zijn visie op de beslissing tijdens de terechtzitting heeft kunnen toelichten, waardoor eventuele schendingen van het beginsel van hoor en wederhoor zijn hersteld.

Uiteindelijk heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen, en deze beslissing is openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/459637 KG RK 25-851
Beslissing van 22 december 2025
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
MR. W.H.S. DUINKERKE, MR. C.H. VAN BREEVOORT-DE BRUIN EN MR. J.S.W. LUCASSEN
rechters in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van 4 november 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld
  • de schriftelijke reactie van de rechters van 17 november 2025
  • de mail van verzoeker met bijlagen van 15 december 2025.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is alleen verzoeker verschenen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak met nummer 05.044334.23 tegen verzoeker als verdachte. Bij beslissing van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank in deze zaak ingevolge artikel 509a en 509c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een last tot aanwijzing van een advocaat aan verzoeker gegeven en bepaald dat deze last zal worden gegeven aan mr. [advocaat] uit [woonplaats]. Daarbij is bepaald dat verzoeker niet zijn raadsvrouw terzijde kan schuiven of afstand kan doen van zijn rechtsbijstand.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van 4 november 2025 het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
“De gronden voor wraking zijn:
dat ik het niet eens ben met het gebruik van het psychologisch rapport uit 2014, van 11 jaar oud dus, de mede op basis hiervan afgegeven 509a Sv beslissing en de benoeming van mr. [advocaat] als zijn advocaat.
U kunt zelf zien dat de advocaat geen onderzoekswensen voor mij heeft ingediend, dus zij handelt niet in mijn belang. Ook heeft zij geen bezwaar gemaakt tegen de inhoudelijke behandeling vandaag.”
2.3.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer heeft verzoeker zijn wrakingsgronden (deels) aangevuld. Hij heeft hierbij – samengevat – de volgende wrakingsgronden aangevoerd:
De onderbouwing van de 509a Sv beslissing is gebaseerd op een onrechtmatig en verouderd rapport.
Het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden bij het nemen van de 509a Sv beslissing.
Door de 509a Sv beslissing is het recht op vrije advocaatkeuze beperkt.
De noodzaak van de 509a Sv beslissing is onvoldoende gemotiveerd.
De rechters hebben de 509a Sv beslissing gebaseerd op feiten waarvan verzoeker de onjuistheid heeft aangetoond.
Er is sprake van ernstige vormverzuimen.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Zoals aangegeven onder 2.4 heeft verzoeker bij de mondelinge behandeling van de wrakingskamer de gronden van zijn verzoek (deels) aangevuld. De wet schrijft echter voor dat alle feiten en omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen tegelijk moeten worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. De door verzoeker aangevoerde nadere gronden waren hem echter al vóór indiening van het verzoek bekend. De later aangevoerde gronden zoals weergegeven in 2.4 onder nummer 2,3,4 en 6 kunnen daarom niet in de beoordeling worden betrokken.
3.3.
Verzoeker vindt de rechters vooringenomen omdat zij een onjuiste beslissing hebben genomen. Verzoeker doelt hierbij op de beslissing op grond van artikel 509a Sv om aan hem mr. [advocaat] toe te wijzen als advocaat. Behoudens de door verzoeker vermeende schending van het beginsel van hoor en wederhoor, zien alle (aanvullende) wrakingsgronden op de inhoud van deze beslissing. De juistheid van de rechterlijke beslissing kan echter alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechters. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. De aangevoerde gronden halen deze hoge drempel niet.
3.4.
Ten aanzien van de vermeende schending van het beginsel van hoor en wederhoor merkt de wrakingskamer ten overvloede het volgende op. Voor zover dit beginsel zou zijn geschonden bij het nemen van de beslissing op grond van artikel 509a Sv, is dit tijdens de terechtzitting van 4 november 2025 hersteld. Verzoeker heeft tijdens die zitting zijn visie op deze beslissing immers kunnen toelichten. De rechters hebben naar aanleiding van deze toelichting hun beslissing heroverwogen, maar geen grond gezien om op de beslissing terug te komen.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, mr. M.J.H. Schuurman en mr. S. Boot, leden in tegenwoordigheid van de griffier mr. [griffier] en in openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.