Op 22 december 2025 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland in Zutphen het wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen. Het verzoek was gericht tegen de rechters W.H.S. Duinkerke, C.H. van Breevoort-de Bruin en J.S.W. Lucassen in een strafzaak tegen verzoeker. De procedure begon met een mondeling wrakingsverzoek op 4 november 2025, waarin verzoeker zijn gronden uiteenzette. Hij was het niet eens met het gebruik van een verouderd psychologisch rapport en de benoeming van zijn advocaat, mr. [advocaat]. De rechters hebben op 17 november 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek, maar hebben niet in de wraking berust.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn gronden verder aangevuld, waarbij hij stelde dat de rechters vooringenomen waren en dat er ernstige vormverzuimen waren. De wrakingskamer oordeelde dat een rechter alleen gewraakt kan worden als er objectieve aanwijzingen zijn voor partijdigheid. De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker niet voldoende concrete omstandigheden had aangevoerd die de schijn van partijdigheid rechtvaardigden. De aangevoerde gronden waren voornamelijk gericht op de inhoud van de rechterlijke beslissing, wat niet relevant is voor de wrakingsprocedure. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat verzoeker zijn visie op de beslissing tijdens de terechtzitting heeft kunnen toelichten, waardoor eventuele schendingen van het beginsel van hoor en wederhoor zijn hersteld.
Uiteindelijk heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen, en deze beslissing is openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.