ECLI:NL:RBGEL:2025:11628

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
224254-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het runnen van een hennepkwekerij met bijbehorende strafmaat

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met medeverdachten een hennepkwekerij heeft gerund in Apeldoorn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 2 februari 2023 tot en met 29 mei 2024 opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en verwerkt, en dat hij daarbij een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de bedrijfsvoering van de kwekerij. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wist van de kwekerij en heeft geholpen met de verzorging van de planten. De officier van justitie had een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 240 uur geëist, maar de rechtbank legde uiteindelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 weken en een taakstraf van 180 uur op. De verdachte werd vrijgesproken van een tweede feit, namelijk de diefstal van elektriciteit, omdat er onvoldoende bewijs was voor opzet. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij Liander N.V. niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte was vrijgesproken van het feit dat aan de vordering ten grondslag lag.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.224254.24
Datum uitspraak : 19 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] (Kosovo),
wonende aan de [adres 1],
[postcode], in [woonplaats].
Raadsman: mr. C.A. Boeve, advocaat in Zwolle.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 2 februari 2023 tot en met 29 mei 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 482 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 482 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
2.
hij in of omstreeks de periode van 2 februari 2023 tot en met 29 mei 2024 te Apeldoorn
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Liander N.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braal, verbreking en/of inklimming (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de bovenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken);
3.
hij op of omstreeks 4 juni 2024 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 68 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 29 mei 2024 is onderzoek gedaan in het pand aan [adres 2] in Apeldoorn. Daarbij is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In kweekruimte A, met een oppervlakte van 11,1 m2, stonden 196 hennepplanten die op dat moment vier weken oud waren. In kweekruimte B, met een oppervlakte van 16,3 m2, stonden 286 hennepplanten die op dat moment vier weken oud waren. Alle hennepplanten stonden in een grote kweekbak met potgrond.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er vrijspraak dient te volgen voor feit 1 en 2 vanwege gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte is wel eens in het pand geweest en heeft enkele keren hulp verleend aan werkzaamheden voor de hennepkwekerij, maar deze bijdrage is zo minimaal dat er geen sprake kan zijn van medeplegen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte pas betrokken was bij de kwekerij vanaf het voorjaar van 2024. Ten aanzien van feit 3 refereert de verdediging zich.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Liander N.V. heeft aangifte gedaan van diefstal van energie en in deze aangifte wordt benoemd dat, in overleg met de politie, zij tot de conclusie komt dat de hennepplantage was ingericht van 2 februari 2023 tot en met 29 mei 2024. [2] De fraudespecialist van Liander komt samen met de verbalisant van de politie tot de conclusie dat er voor de inval op 29 mei 2024 zes keer eerder is geoogst. Deze conclusie is gebaseerd op het aantreffen van de volgende indicatoren:
  • oude hennepresten van eerdere oogsten op de vloeren en de stellage;
  • stofresten op de voorschakelapparatuur;
  • vervuiling door oude THC-resten op de deurkozijnen;
  • verkleuring van het gebruikte houtwerk in de kweekruimten;
  • stofresten op de ventilatoren, voorschakelapparatuur en overige elektra;
  • schimmelgroei op het houtwerk vanwege een continue geopend dakraam;
  • de aangetroffen foto’s van de kweekruimten op de in beslag genomen telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1].
Betrokkenheid verdachten
De telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] is onderzocht en hieruit is onder meer het volgende gebleken. Op 28 december 2022 heeft [medeverdachte 1] een notitie aangemaakt in zijn telefoon en deze is voor het laatst bijgewerkt op 27 mei 2024. In deze notitie stonden de namen van verdachte [verdachte] en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Onder hun namen stonden verschillende bedragen met de vermelding huur, elektriciteit, internet, water en gas/elektriciteit. [4] Op 10 januari 2023 is met de telefoon van [medeverdachte 1] een foto gemaakt van de openingstijden van de growshop [growshop] aan de [adres 3] in [plaats], Duitsland. [5] Op 21 februari 2023 heeft [medeverdachte 1] een notitie gemaakt met een plantenvoedingsschema voor hennepteelt. Deze notitie is voor het laatst bijgewerkt op 6 mei 2024. [6] [medeverdachte 1] heeft op 16 maart 2023 drie foto’s doorgestuurd via de applicatie Telegram aan een andere, onbekend gebleven, gebruiker. Hij bericht aan deze gebruiker “nog niet klaar broer”. Een verbalisant herkent op deze foto’s de hennepkwekerij van [adres 2] in Apeldoorn en ziet dat de planten op het moment dat deze foto’s werden gemaakt zes à zeven weken oud waren. [7]
De telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] is ook onderzocht. Hierin is onder andere een notitie opgeslagen op 21 januari 2024 waarin bovenaan staat “[naam 1] koopt”. In deze notitie is een overzicht te zien met getallen waar “gr” achter staat – de rechtbank begrijpt “grammen” – en deze getallen worden vermenigvuldigd met 4.000 of 4.500. Verbalisanten geven aan dat hen ambtshalve bekend is dat een kilo hennep een marktwaarde heeft van ongeveer 4.000 tot 4.500 euro. [8] [medeverdachte 2] heeft daarnaast een contact in zijn telefoon opgeslagen met het nummer [telefoonnummer] onder de naam “[naam 1] ”. Wanneer verbalisanten dit nummer onderzoeken blijkt dat dit telefoonnummer van [naam 1] is, de eigenaar van coffeeshop [coffeeshop] in Apeldoorn.
Verder wordt in de telefoon van [medeverdachte 2] een afbeelding van een notitie van 2 mei 2024 aangetroffen met als koptekst ‘Afrekening’, waar de drie namen van de (mede)verdachten onder staan. De notitie is door verdachte [medeverdachte 1] aan medeverdachte [medeverdachte 2] gestuurd. [9] Dezelfde notitie is ook naar verdachte [verdachte] gestuurd door [medeverdachte 1]. [10]
Het energiecontract van [adres 2] in Apeldoorn staat sinds 1 januari 2023 op naam van medeverdachte [medeverdachte 1]. [11] Tijdens verschillende observatiemomenten heeft de politie waargenomen dat de auto van [medeverdachte 1] geparkeerd staat bij het pand, namelijk op 15, 22, 23 en 24 mei 2024. [12] Tijdens een 48-uurs observatie die hierop volgt wordt [medeverdachte 1] op 27 en 28 mei waargenomen bij het pand aan [adres 2]. [13] Verder heeft [medeverdachte 1] bij de politie verklaard dat hij de hennepstekken in de grond heeft gezet, plantenvoeding in Duitsland heeft gekocht en de schakelklok heeft ingesteld. [medeverdachte 1] moest er ongeveer twee à drie keer per week zijn om de planten te verzorgen. Toen er werd geoogst, moest hij ook aanwezig zijn en hij heeft geholpen bij het knippen. De witte schoenen die de politie heeft gevonden in het pand met de hennepkwekerij zijn van [medeverdachte 1], zo verklaart hij bij de politie. [14] De zwarte schoenen die zijn gevonden op de eerste verdieping van het pand zijn van [medeverdachte 2], die dit ook bekent. [15]
[medeverdachte 1] verklaart bij de politie dat verdachte [verdachte] hem een paar keer heeft geholpen in de kwekerij bij het water geven van de planten. [16] [verdachte] verklaart hierover dat hij boven is geweest in het pand aan [adres 2], dat hij daar cannabisplanten heeft gezien en afwist van de hennepkwekerij. [17] Ook verklaart hij dat [medeverdachte 1] hem wel eens heeft gevraagd om te helpen in de kwekerij en dat hij ([verdachte]) dit heeft gedaan door te helpen met potgrond, water geven en het geven van voeding aan de planten. [18]
[medeverdachte 1] stuurt op 3 september 2023 een bericht aan [verdachte] waarin hij het telefoonnummer van coffeeshophouder [naam 2] uit [plaats] (Duitsland) deelt met [verdachte]. [19] Ook deelt verdachte met [verdachte] een foto van de schakelklok uit de hennepkwekerij aan [adres 2]. [20]
In de periode van 10 maart 2023 tot 29 mei 2024 vinden er 770 oproepen plaats tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]. Tussen 13 juni 2023 en 30 mei 2024 vinden er 1885 oproepen plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [21] Deze grote hoeveelheid oproepen laat zich niet uitleggen door enkel een goede vriendschap of omdat verdachte en zijn medeverdachten elkaar helpen bij het regelen van zaken met instanties, zoals de medeverdachten hebben verklaard bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
Verdachte en zijn medeverdachten hebben verder verklaard dat de kostenoverzichten te maken hebben met de werkzaamheden die zij samen verrichtten aan de chalets van hun werkgever [naam 3]. Deze verklaring acht de rechtbank gezien voornoemde bewijsmiddelen ook niet geloofwaardig. Met name de notitie waar bovenaan “[naam 1] koopt” staat, en waar gesproken wordt over grammen, vereist een verduidelijkende verklaring, die niet is gegeven. Daar staat tegenover dat verbalisanten vaststellen dat de grammen worden vermenigvuldigd met de hen bekende marktwaarde van een kilo hennep.
Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting aangegeven dat hij simpelweg geïnteresseerd was in hoe de hennepkwekerij werkte en daarom de foto van de schakelklok toegestuurd heeft gekregen. Gezien voornoemde bewijsmiddelen, waaronder de kostenoverzichten waarin verdachte ook wordt meegenomen, en het delen van de contactinformatie van [naam 2] door [medeverdachte 1] met [verdachte], acht de rechtbank ook deze verklaring niet geloofwaardig.
Nauwe en bewuste samenwerking
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het runnen van de hennepkwekerij. Verdachte wist van de kwekerij en heeft geholpen in de kwekerij met de verzorging van de planten. Dit is een belangrijke bijdrage aan de bedrijfsvoering van de kwekerij. Dat de bijdrage van verdachte structureel was, volgt uit het feit dat verdachte is meegenomen in de bovengenoemde kostenoverzichten van de kwekerij, waarvan het eerste kostenoverzicht is aangemaakt op 28 december 2022. Om die reden acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat verdachte pas vanaf maart 2024 betrokken was, zoals subsidiair door de raadsman is aangevoerd.
De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het telen en verwerken van de hennep en dat hierbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten.
Conclusie feit 1
De in de aangifte genoemde startdatum van de hennepkwekerij, 2 februari 2023, vindt steun in de aangetroffen indicatoren en de notities van december 2022 en het eerste kwartaal van 2023. Gelet op voornoemde bewijsmiddelen in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in de periode tussen 2 februari 2023 en 29 mei 2024 samen met anderen een hennepkwekerij heeft gerund in het pand aan [adres 2] in Apeldoorn.
Gelet op de omvang van de kwekerij, de periode en de professionele manier waarop de hennepkwekerij was ingericht, was sprake van beroeps- dan wel bedrijfsmatig handelen en van een grote hoeveelheid hennep.
Feit 2 vrijspraak
Ten aanzien van feit 2 geldt dat noch uit het procesdossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat, ook al zou verdachte kennis hebben gehad van de diefstal van de stroom, verdachte ook opzet had op deze diefstal. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 2.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 262;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in
of omstreeksde periode van 2 februari 2023 tot en met 29 mei 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen, al dan nietin de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld
en/of bereiden
/ofbewerkt en
/ofverwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2]
)een hoeveelheid van
(in totaal
) ongeveer482 hennepplanten
, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, terwijl dit gepleegde feit
(mede)betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 482 hennepplanten
, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
3.
hij op
of omstreeks4 juni 2024 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer68 gram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramhennep
,zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
feit 3:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van 240 uur.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat zal worden volstaan met de oplegging van een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De hoogte van de taakstraf dient beperkt te worden gezien de gezondheid van verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte, waaronder de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verdachte heeft samen met twee medeverdachten 16 maanden lang op een beroeps-/bedrijfsmatige wijze een hennepkwekerij gerund in een pand in Apeldoorn. Verdachte heeft ook een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Bovendien gaat professionele hennepteelt vaak gepaard met bijkomende criminaliteit die een ondermijnend effect heeft op de maatschappij. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze gevolgen.
De reclassering adviseert in het rapport van 30 oktober 2025 een straf zonder bijzondere voorwaarden en de rechtbank neemt dit advies over. De rechtbank overweegt dat de LOVS-oriëntatiepunten bij een hoeveelheid van tussen de 100 en 500 planten uitgaan van een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand. Daar komt in strafverzwarende zin bij dat sprake is van meerdere oogsten. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie, omdat zij verdachte vrijspreekt van feit 2.
De rechtbank komt alles overziend tot oplegging van een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 weken, met een proeftijd van drie jaar.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij Liander N.V. heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 31.130,59 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft aangegeven dat medeverdachte [medeverdachte 1] een betalingsregeling met de benadeelde partij heeft getroffen. De medeverdachte heeft inmiddels € 1.500,00 betaald. Er moet daarom nog een bedrag van € 29.630,59 vergoed worden aan de benadeelde partij.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 2. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat er een betalingsregeling is getroffen met medeverdachte [medeverdachte 1].
Overweging van de rechtbank
Verdachte is vrijgesproken van feit 2. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 weken;
 bepaalt dat
deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een
taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
 verklaart de benadeelde partij Liander N.V. niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. P. Verkroost en mr. I.S. Termaat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2025.
Mr. H.C. Leemreize is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024254147, gesloten op 12 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 85.
3.Proces-verbaal van aangifte, p. 91.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 131.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 108.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 130-131.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 106 en 111.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 255-256.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 120, proces-verbaal van bevindingen, p. 254-255.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 122.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 28-29.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33-34.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 41.
14.Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1], p. 287-291.
15.Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2], p. 380.
16.Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1], p. 309.
17.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 341-342.
18.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 344.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 114.
20.Proces-verbaal van bevindingen, p. 119.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 129.