In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 24 december 2025 een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure tussen [eiseres] en de gedaagden [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. De rechtbank heeft de vraag behandeld of de zaak, gezien de aard van het geschil, verwezen moest worden naar de kantonrechter. De eiseres, eigenaar van een woning, vordert ontruiming van de woning door de gedaagden, die zonder recht of titel in de woning verblijven. De gedaagden hebben zich verweerd door te stellen dat de rechtbank niet bevoegd is en dat de zaak naar de kantonrechter moet worden verwezen, omdat het geschil huurrechtelijke aspecten bevat. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingen van de eiseres betrekking hebben op huurovereenkomsten die door de gedaagden zijn aangegaan met de overleden vader van de eiseres. De rechtbank concludeert dat de vorderingen van de eiseres, die onder andere ontruiming en gebruiksvergoeding betreffen, huurovereenkomsten zijn en dat de zaak daarom door de kantonrechter moet worden behandeld. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de rolzitting van de kantonrechter op 7 januari 2026, waarbij partijen niet hoeven te verschijnen. De beslissing over de proceskosten is aangehouden tot de verdere behandeling van de zaak.