ECLI:NL:RBGEL:2025:1161
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding bij niet tijdig beslissen door officier van justitie
Betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het rijden van 6 km/u te hard op 29 januari 2024. Tegen deze beschikking werd op 11 maart 2024 beroep ingesteld door de gemachtigde, maar met onjuiste gegevens zoals een verkeerd CJIB-nummer en beschikkingsdatum. Na correctie van deze gegevens op 27 mei 2024 volgde een langdurige procedure met meerdere brieven en een hoorgesprek.
De officier van justitie besloot uiteindelijk op 15 januari 2025 op het administratief beroep, wat te laat was volgens de wettelijke termijnen. De gemachtigde stelde de officier van justitie in gebreke en stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen, met een verzoek om een dwangsom en proceskostenvergoeding.
Tijdens de zitting op 24 januari 2025 trok de gemachtigde het beroep tegen het niet tijdig beslissen in, maar verzocht wel om proceskostenvergoeding. De kantonrechter oordeelde dat het verzoek om proceskostenvergoeding gelijktijdig met de intrekking was gedaan en onderzocht of de officier van justitie hiervoor veroordeeld kon worden.
De kantonrechter concludeerde dat de vertraging mede te wijten was aan de onzorgvuldigheid van de gemachtigde bij het indienen van het eerste beroepschrift met onjuiste gegevens. De officier van justitie had na ontvangst van het correcte beroepschrift redelijk gehandeld. Daarom wees de kantonrechter het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Er werd tevens vastgesteld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen door officier van justitie wordt afgewezen.