ECLI:NL:RBGEL:2025:11550

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
458723
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over licentieverlening van handelsnaam en merkrechten in kort geding

In deze zaak, die op 19 december 2025 door de Rechtbank Gelderland is behandeld, gaat het om een kort geding tussen twee besloten vennootschappen, [eiser 1] en [eiser 2], en een derde besloten vennootschap, [gedaagde]. De eisende partijen vorderen een verbod voor [gedaagde] om gebruik te maken van de handelsnaam en merkrechten die verband houden met het product [product]. De achtergrond van het geschil ligt in een licentieovereenkomst die op 12 februari 2025 is gesloten tussen [gedaagde] en [bedrijf 2], vertegenwoordigd door [betrokkene 1]. De eisers stellen dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig was, omdat [bedrijf 2] niet de rechthebbende was op de handelsnaam en merkrechten. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] op basis van de licentieovereenkomst gerechtigd was om het patent en de handelsnaam te gebruiken. De vorderingen van de eisers zijn afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de licentie op enig moment rechtsgeldig is opgezegd. De eisers zijn veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde].

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/458723 / KG ZA 25-382
Vonnis in kort geding van 19 december 2025
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 1],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 2],
beiden statutair gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen [eisers] en afzonderlijk aan te duiden met [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. A.A. Bart,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
statutair gevestigd te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] , en kantoorhoudende te [plaats 4] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.W. van Luipen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9
- de aanvullende producties 10 tot en met 14 van [eisers]
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025
- de pleitnota van [eisers]
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1] ) heeft een gelaagd warmte-isolatieproduct ontwikkeld, genaamd [product] . Dit product is vastgelegd in een patent met kenmerk [nummer] (verder te noemen: het patent). Uit het in het geding gebrachte uittreksel van het Octrooicentrum Nederland blijkt dat het patent op 30 juli 2009 is verleend en dat op dat moment Groenzoom N.V. te Willemstad, Curaçao, de houder van het patent was. [betrokkene 1] stond op dat moment als een van de uitvinder(s) genoemd. Het patent is blijkens voornoemd uittreksel op 16 oktober 2012 overgedragen aan [bedrijf 1] en op 23 januari 2018 aan [betrokkene 1] .
2.2.
[betrokkene 1] is middellijk bestuurder van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [betrokkene 1] is eveneens middellijk bestuurder van [bedrijf 3]
2.3.
[bedrijf 3] heeft op 20 mei 2009 het volgende teken bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) als beeldmerk gedeponeerd voor de klassen 17, 35 en 42 (onder registratienummer [registratienummer 1] ). Het merk is op 1 maart 2010 geregistreerd.
[afbeelding gepseudonimiseerd]
2.4.
[bedrijf 3] heeft op 22 juni 2016 het volgende teken bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) als beeldmerk gedeponeerd voor de klassen 17, 35 en 42 (onder registratienummer [registratienummer 2] ). Het merk is op 14 december 2016 geregistreerd.
[afbeelding gepseudonimiseerd]
De onder 2.3 en 2.4 weergegeven merken zullen hierna samen de ‘ [product] -merken’ worden genoemd.
2.5.
[betrokkene 2] (de broer van [betrokkene 1] ) heeft het patent langdurig geëxploiteerd in de door hem gedreven onderneming [bedrijf 4] (verder te noemen: [bedrijf 4] ).
2.6.
[eiser 1] nam jarenlang [product] producten af van [bedrijf 4] . De heer [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) is bestuurder van [eiser 1] .
2.7.
Vanaf september 2024 hebben (onder anderen) [betrokkene 1] , (ex-)werknemers van [bedrijf 4] en [betrokkene 4] en diens zoon [betrokkene 5] (hierna te noemen: [betrokkene 4 + 5] ), (middellijk) bestuurders van [gedaagde] , gesproken over de exploitatie van het patent in, uiteindelijk, [gedaagde] en de (latere) toetreding van aandeelhouders waaronder [betrokkene 3] .
2.8.
[bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [betrokkene 1] , heeft als licentiegever op 12 februari 2025 een zogenoemde licentieovereenkomst (hierna: LO1) gesloten met [gedaagde] als licentienemer, vertegenwoordigd door [betrokkene 4 + 5] . Bij de ondertekening van de LO1 waren (onder meer) aanwezig [betrokkene 4 + 5] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 6] (hierna te noemen: [betrokkene 6] ) en [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ). [betrokkene 6] en [betrokkene 7] waren op dat moment werkzaam bij [bedrijf 4] . De LO1 vermeldt onder meer:
‘(…)
A. Licentiegever het door licentiegever gehouden patent met referentienummer [nummer] (Patent) thans in bezit en in eigendom van [bedrijf 2] bekend onder de naam [product]
B. Dat licentiegever het Patent, omschreven als [nummer] (Patent) te kennen heeft gegeven om het patent onbezwaard aan te bieden aan [gedaagde] (verder te benoemen als [gedaagde] ) met de doelstelling om licentieopbrengst te verzilveren
C. Dat het Patent thans in de markt wordt gebruikt door [eiser 2] , en dat licentiegever dit gebruik zal stoppen en het exclusieve recht van gebruik van het Patent onder de naam [product] zal worden overgedragen aan [gedaagde] voor een periode van 5 jaar met een eventuele nog overeen te komen verlenging.
D. [gedaagde] zal zorgdragen voor de productie en ter beschikkingstelling aan de markt van de producten die betrekking hebben op het Patent.
E. Partijen in deze licentie overeenkomst zijn overeengekomen als volgt:
Exclusieve recht en voorwaarden:
Hier bij verklaart licentiegever onherroepelijk akkoord te zijn met het exclusief ter beschikking stellen van het Patent zoals beschreven in bijlage (Patent) [nummer] aan licentienemer voor de aansluitende periode van 5 jaar waarbij inbegrepen is het gebruik van de handelsnaam [product] .
(…)
Periode en beëindiging:
Licentienemer verkrijgt na ondertekening van deze overeenkomst door alle betrokkenen het onmiddellijke en onbezwaarde recht om gebruik te maken van het benoemde Patent, inclusief de naam [product] . Dit gebruiksrecht is ongelimiteerd en dus vrij te gebruiken door de licentienemer voor een periode van 5 aaneengesloten jaren.
Licentiegever kan deze overeenkomst tussentijds en zonder enige vergoeding aan licentienemer beëindigen:
- met onmiddellijke ingang in geval Licentienemer surseance of faillissement aanvraagt of in staat van surseance of faillissement wordt verklaard.
- met onmiddellijke ingang als Licentienemer niet voldoet aan de voorwaarden van deze overeenkomst.
- indien de Licentienemer het patent ongebruikt laat voor een aansluitende periode van 3 maanden zal de ter beschikkingsstelling vervallen en gaat het gebruiksrecht automatisch terug aan Licentiegever.
(…)’
De LO1 is door [betrokkene 1] (bedoeld zal zijn: [betrokkene 1] ) als licentiegever en door [betrokkene 5] en [betrokkene 4] als licentienemers ondertekend.
2.9.
Bij e-mailbericht van 26 maart 2025 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en [betrokkene 6] laten weten dat hij toch afziet van de beoogde samenwerking c.q. het voorgenomen aandeelhouderschap in [gedaagde] .
2.10.
Bij brief van 8 april 2025 heeft [gedaagde] [bedrijf 4] gesommeerd alle activiteiten op het gebied van de exploitatie van [product] producten te staken vanwege inbreuk op haar exclusieve licentie op het patent.
2.11.
[bedrijf 4] is bij vonnis van eveneens 8 april 2025 failliet verklaard met benoeming van mr. D. de Goede tot curator.
2.12.
Bij brief van 9 mei 2025 heeft [betrokkene 1] namens [bedrijf 2] de LO1 met [gedaagde] eenzijdig beëindigd. [gedaagde] heeft op 15 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen de gestelde beëindiging van de LO1 en [bedrijf 2] gesommeerd de verplichtingen uit de LO1 na te komen.
2.13.
Bij koopovereenkomst van 10 juni 2025 heeft [eiser 1] van voornoemde curator de activa en activiteiten van [bedrijf 4] verkregen tegen betaling van € 31.500,00.
2.14.
[betrokkene 1] heeft als patenthouder bij licentieovereenkomst van 30 juni 2025 aan [bedrijf 2] als licentienemer, vertegenwoordigd door zichzelf en door [betrokkene 8] , een exclusie, niet-overdraagbare licentie verleend op het patent. De licentie omvat het recht om het patent commercieel te exploiteren en sublicenties te verstrekken aan derden. In deze overeenkomst staat in artikel 1.3. dat [betrokkene 1] bevestigt dat [bedrijf 2] op grond van deze overeenkomst bevoegd is om een sublicentieovereenkomst te sluiten met [eiser 1] , in overeenstemming met de bijgevoegde conceptovereenkomst tussen [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [eiser 1] .
2.15.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] , beiden vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 8] , hebben als respectievelijk licentiegever en merkhouder eveneens op 30 juni 2025 een licentieovereenkomst (hierna: LO2) gesloten met [eiser 1] als licentienemer, vertegenwoordigd door [betrokkene 3] . De LO2 vermeldt onder meer:
‘(…)
Artikel 2 Verlening van de Licentie
2.1.
Licentiegever verleent hierbij aan Licentienemer een exclusieve, niet-overdraagbare
licentie, zonder recht op sublicentie, om het Octrooi te gebruiken voor de productie en
verkoop van Producten.
2.2.
Merkhouder verleent aan Licentienemer een exclusieve, niet-overdraagbare merklicentie op de Merken, uitsluitend voor gebruik op en in verband met de Producten.
Licentienemer is gerechtigd de Merken te gebruiken op verpakkingen,
marketingmateriaal en digitale uitingen, mits uitsluitend in relatie tot de Producten.
(…)
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel 2 is Licentienemer gerechtigd
een sublicentie op het Octrooi en de Merken te verlenen aan een door haar op te richten
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Nederlands recht
("NewCo"), mits Licentienemer enig aandeelhouder van NewCo is bij oprichting.
(…)
Artikel 4 Duur en beëindiging
4.1
Deze overeenkomst treedt in werking op de datum van ondertekening en wordt
aangegaan voor 3 jaar, , tenzij gebruik wordt gemaakt van de koopoptie in artikel 1 1 van
deze Overeenkomst. In dat geval vervalt deze Overeenkomst op het moment dat de
Merken en/of het Octrooi aan Licentienemer en/of Newco zijn overgedragen.
(…)
Artikel 9 Geschil met derde partij over exclusieve licentie
9.1
Licentienemer verklaart uitdrukkelijk er volledig van op de hoogte te zijn dat tussen
Licentiegever en een derde partij, [gedaagde] B. V. (hierna de "Derde
Licentiehouder") een juridisch geschil bestaat over de vraag of aan die derde een
geldige en exclusieve licentie op het Octrooi is verleend. Licentiegever is van mening dat
deze vermeende exclusieve licentie nooit rechtsgeldig verstrekt is, maar voor zover dat
het geval zou zijn, dat deze exclusieve licentie is vervallen, terwijl de Derde
Licentiehouder dit betwist. Licentienemer is eveneens, op basis van advies van eigen
juridisch adviseurs, van mening dat de exclusieve licentie waarop de Derde
Licentiehouder zich beroept, niet (langer) bestaat.
(…)’
2.16.
Op 24 juli 2025 is [eiser 2] (eiseres sub 2) opgericht. Enig aandeelhouder van [eiser 2] is [bedrijf 5] [eiser 1] heeft aan [eiser 2] een sublicentie verleend voor het gebruik van het patent en de [product] -merken.
2.17.
[gedaagde] heeft zich op enig moment tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewend vanwege de door [betrokkene 1] namens [bedrijf 2] gestelde beëindiging van de LO1. Inzet van dat kort geding was nakoming van de LO1 door [bedrijf 2] . Bij vonnis van 16 september 2025 (zaaknummer C/03/344185 KG ZA 25-292) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat voornoemde beëindiging geen effect sorteert, is [bedrijf 2] verboden het patent en de handelsnaam [product] aan derden ter beschikking te stellen gedurende de looptijd van de LO1 en is [bedrijf 2] veroordeeld het patent en de handelsnaam exclusief en onbezwaard aan [gedaagde] ter beschikking te stellen voor de duur van 5 jaar. [bedrijf 2] is tegen voornoemd vonnis in hoger beroep gegaan.
2.18.
Bij brief van 21 september 2025 heeft [bedrijf 2] zich tot [eiser 1] gewend met de boodschap dat zij zich vanwege het vonnis van 16 september 2025 in een lastige positie bevindt omdat zij de medewerking van [eiser 1] nodig heeft om aan het vonnis te voldoen en zij verzoekt laatstgenoemde om mee te werken aan de beëindiging dan wel schorsing van de LO2 hangende het hoger beroep.
2.19.
[eiser 1] heeft daarop bij e-mailbericht van 1 oktober 2025 aan [bedrijf 2] te kennen gegeven dat zij daartoe niet bereid is.
2.20.
Bij brief van 23 oktober 2025 heeft [eisers] [gedaagde] gesommeerd het gebruik van de (handels)naam [product] en de [product] -merken te staken en gestaakt te houden, de website [website] offline te halen en te houden alsmede deze over te dragen, allerhande publieke claims te verwijderen en een rectificatie te plaatsen.
2.21.
In reactie daarop heeft [gedaagde] bij brief van 30 oktober 2025 aan [eisers] te kennen gegeven niet aan de sommatie te zullen voldoen omdat zij reeds vóór [eisers] een exclusieve licentie heeft gekregen om het patent en ook de (handels)naam [product] te gebruiken, met daarbij een spiegelbeeldige sommatie om, kort gezegd, ieder gebruik van de (handels)naam [product] te staken en gestaakt te houden.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te verbieden:
a. in Nederland en in de gehele Europese Unie gebruik te maken van “ [product] ”, “ [product] ” of enig ander teken dat gelijk is aan of in geringe mate afwijkt van de [product] -merken en/of van de handelsnaam [product] : als handelsnaam, bedrijfsnaam of onderdeel daarvan; als merk op producten, verpakkingen, marketingmateriaal of digitale uitingen; als domeinnaam of onderdeel van een domeinnaam; in stukken voor zakelijk gebruik, advertenties of commerciële communicatie;
b. te beweren, te suggereren of anderszins kenbaar te maken dat [gedaagde] exclusieve rechten heeft op de handelsnaam [product] of op de [product] -merken;
c. te beweren, te suggereren of anderszins kenbaar te maken dat [eiser 1] en/of [eiser 2] onrechtmatig handelt door [product] producten te produceren of te vermarkten, of dat het gebruik door [eiser 1] en/of [eiser 2] van de handelsnaam of [product] -merken moet worden gestopt;
II. [gedaagde] te gebieden en te veroordelen om binnen 7 (zeven) dagen na betekening van dit vonnis:
d. de website [website] volledig offline te halen en te houden;
e. alle LinkedIn-posts, Facebook-posts, Instagram-posts en andere publieke uitingen waarin [gedaagde] claimt exclusieve rechten te hebben op de handelsnaam [product] of waarin wordt gesuggereerd dat [eiser 1] en/of [eiser 2] onrechtmatig handelt, te verwijderen;
f. een rectificatie te plaatsen op de LinkedIn-accounts van [gedaagde] en [betrokkene 5] met de tekst zoals hiervoor onder V vermeld, althans met een in goede justitie te bepalen tekst;
g. inzage te verstrekken in haar (verkoop)administratie van haar verkopen van het lsobooster product aan een onafhankelijke accountant en door middel van deze accountant opgave te doen van bedoelde verkopen;
III. [gedaagde] te gebieden en te veroordelen om binnen 14 (veertien) dagen na betekening van dit vonnis:
h. de domeinnaam [website] over te dragen aan [eiser 2] , door alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de overdracht bij de domeinregistrar, waaronder het verstrekken van transfer codes en het ondertekenen van benodigde documenten,
althans
de domeinnaam [website] permanent te deactiveren en zich jegens [eiser 2] te verbinden deze domeinnaam niet aan derden over te dragen of anderszins te gebruiken;
IV. al het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. [gedaagde] op de voet van artikel 1019h Rv te veroordelen in de werkelijke kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure op grond van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering
.
4.2.
[gedaagde] betwist niet (meer) dat [eisers] spoedeisend belang heeft bij de vorderingen. Dit vloeit ook voort uit de aard daarvan. [eisers] stelt dat [gedaagde] inbreuk maakt op de [product] -merken en (handels)naam, waarop [eisers] een exclusieve licentie stelt te hebben. Nu deze gestelde inbreuk een voortdurend karakter heeft, is daarmee het spoedeisend belang van [eisers] gegeven om hiertegen op te treden.
4.3.
De vorderingen strekken ertoe (i) [gedaagde] in Nederland en de gehele Europese Unie te verbieden op welke wijze dan ook gebruik te maken van de [product] -merken en de (handels)naam [product] , (ii) de website [website] offline te halen, (iii) publieke claims ter zake de [product] producten te rectificeren en (iv) voornoemde domeinnaam over te dragen dan wel permanent te deactiveren.
[eisers] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser 1] heeft op grond van de LO2 van 30 juni 2025 van [bedrijf 2] en [product] de exclusieve licentie verkregen om het patent en de [product] -merken te gebruiken voor isolatiematerialen in de gehele Europese Unie en ‘via’ deze merken ook de handelsnaam [product] . [eisers] stelt primair dat [gedaagde] inbreuk maakt op die exclusieve rechten door een teken te gebruiken dat identiek is aan de [product] -merken voor identieke waren (isolatiemateriaal), zowel als bedrijfsnaam ( [bedrijf 6] ) als in allerhande commerciële uitingen (zoals op haar website) en [gedaagde] geen toestemming heeft voor dat gebruik van de merkhouder, [bedrijf 3] , of de exclusieve merklicentiehouder, [eiser 1] . Subsidiair stelt [eisers] dat sprake is van handelsnaaminbreuk. [eiser 1] voert de handelsnaam [product] als rechtsopvolger van [bedrijf 4] , die de handelsnaam daarvoor al meer dan 15 jaar rechtmatig voerde. [gedaagde] voert deze handelsnaam pas sinds oktober 2025. Meer subsidiair stelt [eisers] dat het gebruik van de [product] -merken en (van het kernwoord [product] in) de domeinnaam [website] door [gedaagde] onrechtmatig is.
4.4.
[gedaagde] betwist niet dat zij de handels- en merknaam [product] (en ook het patent zoals voornoemd) gebruikt maar zij stelt zich op het standpunt dat dit gebruik geen merk- en/of handelsnaaminbreuk oplevert en ook niet onrechtmatig is vanwege de op 12 februari 2025 tot stand gekomen LO1 tussen haar en [betrokkene 1] c.q. [bedrijf 2] . Op die datum heeft [gedaagde] naar eigen zeggen een exclusieve licentie verkregen op het gebruik van het patent, de merknaam en de handelsnaam [product] voor de duur van vijf jaar. Dit recht heeft [gedaagde] verkregen van de directeur van [bedrijf 2] , [betrokkene 1] , tevens eigenaar van [bedrijf 3] , die bevoegd was om de genoemde rechten over te dragen. De LO1 bevat (onder A.) ook een verklaring van [betrokkene 1] dat hij de rechthebbende is met betrekking tot voornoemde rechten. [bedrijf 2] en [product] konden vanwege het exclusieve karakter van de op 12 februari 2025 verstrekte licentie niet nogmaals (al dan niet exclusief) aan [eiser 1] een exclusieve licentie ter zake de (handels)naam [product] , de [product] -merken (en het patent) verlenen zodat [eisers] deze rechten ook niet ten opzichte van [gedaagde] kan inroepen. [gedaagde] betwist wel dat zij de beeldmerken, zoals afgebeeld onder 2.3 en 2.4, thans nog gebruikt. Zij heeft naar eigen zeggen geheel vrijwillig haar website en overige uitingen aangepast, zodat de afbeeldingen van die merken daarop niet meer voorkomen.
4.5.
Gelet op het verweer van [gedaagde] ligt allereerst de vraag voor of [gedaagde] , zoals zij stelt en [eisers] betwist, op 12 februari 2025 van [bedrijf 2] c.q. [betrokkene 1] een exclusieve licentie op het patent en de daaraan verbonden handelsnaam- en merklicentie heeft verkregen. [eisers] voert in dit verband aan dat [bedrijf 2] op 12 februari 2025 helemaal geen octrooi- en/of handelsnaamlicentie aan [gedaagde] kon verstrekken omdat [bedrijf 2] niet de handelsnaamgebruiker was, dat was [bedrijf 4] , en ook het octrooi niet op naam van [bedrijf 2] stond, dat stond immers op dat moment op naam van [betrokkene 1] . Bij de LO1 is voorts geen licentie op de [product] -merken verleend en dat kon ook niet, omdat niet [bedrijf 2] maar [bedrijf 3] merkhouder was (en is). Het voorgaande betekent in de visie van [eisers] dat op 12 februari 2025 geen rechten zijn overgedragen aan [gedaagde] . [eisers] kan hierin niet worden gevolgd. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 4] de [product] producten jarenlang heeft geproduceerd en op de markt heeft gebracht. Ook staat vast dat [eiser 1] de belangrijkste afnemer was van de [product] producten van [bedrijf 4] . Volgens [eisers] lag aan het gebruik van de (handels)naam [product] en de productie van de [product] -producten door [bedrijf 4] een licentie ten grondslag maar dat is binnen het bestek van dit kort geding niet gebleken. Ondanks navraag door de voorzieningenrechter ter zitting is onduidelijk gebleven of aan het gebruik van de (handels)naam [product] door [bedrijf 4] een licentie ten grondslag lag en hoe deze licentie er dan precies uitzag. Bovendien heeft de advocaat van [eisers] desgevraagd bevestigd dat het ook een persoonlijk recht geweest kan zijn. Uit de koopovereenkomst die [eiser 1] op 10 juni 2025 met de curator heeft gesloten blijkt ook dat enkel de handelsnaam [handelsnaam] door de curator is overgedragen. Niet gebleken is dat er nog andere intellectuele eigendomsrechten (met betrekking tot het [product] product) in de failliete boedel zaten. Dat heeft [eisers] ter zitting ook bevestigd. Het voorgaande betekent dat [eisers] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat [bedrijf 2] geen licentie op de handelsnaam [product] aan [gedaagde] kon verstrekken omdat niet [bedrijf 2] maar [bedrijf 4] de rechthebbende op deze handelsnaam was.
4.7.
Uit de in het geding gebrachte stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [betrokkene 1] , de (mede) uitvinder van het [product] product, vanaf medio 2024 is gaat praten met onder meer [betrokkene 4 + 5] en (oud-)werknemers van [bedrijf 4] maar ook [betrokkene 3] over de exploitatie van het patent. Op dat moment ging het kennelijk slechter met [bedrijf 4] althans was [betrokkene 1] niet tevreden met de wijze waarop [betrokkene 2] het patent exploiteerde in [bedrijf 4] . Niet in geschil is dat het op dat moment in ieder geval de bedoeling was dat het patent exclusief zou worden geëxploiteerd vanuit [gedaagde] en dat meerdere aandeelhouders zouden toetreden tot die vennootschap, waaronder [betrokkene 3] . Tegen die achtergrond hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 4 + 5] conceptovereenkomsten uitgewisseld die uiteindelijk hebben geleid tot de getekende LO1 van 12 februari 2025 met de hiervoor geciteerde inhoud.
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is evident dat partijen om tafel hebben gezeten en de LO1 uiteindelijk zijn aangegaan met het idee dat de volledige productie van de [product] producten zou overgaan naar [gedaagde] en dat [betrokkene 1] eraan meewerkte dat [gedaagde] zou kunnen beschikken over (licenties voor het gebruik van) het patent en de (handels)naam [product] en alles wat verder nodig was voor de productie zoals voornoemd. Dit volgt ook met zoveel woorden uit de tekst en de strekking van de LO1 (zie 2.8). In de LO1 staat in de considerans onder C. dat licentiegever het gebruik van het patent door [handelsnaam] (Nederland) zal stoppen en dat het exclusieve recht van het gebruik van het patent onder de naam [product] wordt overgedragen aan [gedaagde] . Onder het kopje ‘exclusieve recht en voorwaarden’ staat vervolgens dat het patent exclusief ter beschikking zal worden gesteld aan [gedaagde] voor de duur van vijf jaar waarbij is inbegrepen het gebruik van de handelsnaam [product] . [eisers] kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat in de LO1 slechts een licentie op het patent wordt verleend.
4.9.
Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt verder dat [betrokkene 1] op het moment van aangaan van de LO1 patenthouder was (zie 2.1). [betrokkene 4 + 5] zijn er terecht van uitgegaan dat hij aldus ook tot licentieverlening aan [gedaagde] bevoegd was en in LO1 het exclusieve gebruik van patent voor een periode van 5 jaar aan [gedaagde] heeft overdragen. Weliswaar staat [bedrijf 2] in de kop van de overeenkomst genoemd als licentiegever maar de LO1 is getekend door ‘ [betrokkene 1] ’ als ‘licentiegever’ en daarbij staat niet dat hij tekent in hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 2] . Niet in geschil is dat de LO1 gesloten is zonder juridische bijstand en [eisers] heeft niet althans niet gemotiveerd weersproken dat alle partijen bij de overeenkomst ervan uitgingen dat [betrokkene 1] niet alleen de wil had maar ook de bevoegdheid om zelf licenties met betrekking tot het patent en de handelsnaam over te dragen. Dit blijkt ook uit de in het geding gebrachte verklaringen van [betrokkene 9] , oud manager van [bedrijf 4] (productie 1 en 4 van [gedaagde] ). Uit die verklaringen blijkt verder dat [bedrijf 4] door (inmiddels oud-)werknemers vertegenwoordigd was bij de gesprekken over de totstandkoming van de LO1 met [gedaagde] . [bedrijf 4] heeft er dan ook redelijkerwijs van uit moeten gaan dat zij in ieder geval vanaf dat moment zelf geen rechten meer had met betrekking tot de [product] producten.
4.10.
In de maanden na de totstandkoming van de LO1 is iedereen, inclusief [betrokkene 3] , vervolgens ook uitgegaan van de geldigheid van de in de LO1 aan [gedaagde] verstrekte licenties. Partijen hebben daar in ieder geval steeds naar gehandeld, ook [betrokkene 3] . Op 26 maart 2025 heeft hij nog aan onder anderen [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en [betrokkene 6] laten weten dat dat hij toch afziet van de voorgenomen samenwerking. [betrokkene 3] is vervolgens pas met [betrokkene 1] in gesprek gegaan over de rechten met betrekking tot de [product] producten toen laatstgenoemde de LO1 met [gedaagde] vanwege inactiviteit had opgezegd en [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] had laten weten dat de LO1 was beëindigd. Tot die tijd heeft hij zich in elk geval ook niet één keer tot [gedaagde] gewend om een eventuele onbevoegdheid van [bedrijf 2] aan te kaarten. Klaarblijkelijk was hij van mening dat er een rechtsgeldige licentieverlening had plaatsgevonden en dat er pas (weer) sprake kon zijn van het verstrekken van licenties aan [eiser 1] nadat de eerdere overeenkomst was geëindigd. Het voorgaande strookt ook met hetgeen naar voren is gebracht in de procedure bij de rechtbank Limburg tussen [bedrijf 2] en [gedaagde] . In die procedure is de bevoegdheid om licenties te vertrekken met betrekking tot de [product] producten kennelijk niet ter discussie gesteld. Blijkbaar zijn er alle betrokken er toen ook nog vanuit gegaan dat er in LO1 rechtsgeldig licenties zijn verleend, ook al stond in de kop van de overeenkomst de naam van [bedrijf 2] . Pas in hoger beroep zijn vragen gesteld over de bevoegdheid van [bedrijf 2] om en gerechtigdheid tot het verstrekken van licenties in de LO1. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is binnen het bestek van dit kort geding aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] op 12 februari 2025 een rechtsgeldige licentie op het patent en de handelsnaam [product] aan [gedaagde] heeft verstrekt. [gedaagde] heeft daar in ieder geval redelijkerwijs op mogen vertrouwen.
4.11.
Het voorgaande geldt ook voor de [product] -merken. Vast staat dat [bedrijf 3] van meet af aan rechthebbende is op de [product] -merken. Gesteld noch gebleken is dat deze merken op enig moment zijn overgedragen. Aan [eisers] kan worden toegegeven dat in de LO1 niet expliciet wordt genoemd dat door [bedrijf 3] een merklicentie aan [gedaagde] wordt verleend. Ervan uitgaande dat de insteek van de LO1 met [gedaagde] was dat [gedaagde] het [product] -product zelf zou gaan produceren, en de overeenkomst in kwestie er ook toe moest leiden dat [gedaagde] daartoe ook daadwerkelijk in staat zou zijn, heeft [gedaagde] er echter redelijkerwijs van uit mogen gaan dat zij met de LO1 ook een licentie op de [product] -merken heeft verkregen. Weliswaar is [bedrijf 3] en niet [bedrijf 2] houder van de beide [product] -merken en was [bedrijf 3] als zodanig niet genoemd in de LO1 maar niet in geschil is dat [betrokkene 1] wel bevoegd was om ook die vennootschap te vertegenwoordigen. [gedaagde] heeft er dan ook gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [betrokkene 1] ook die vennootschap vertegenwoordigde bij de sluiten van LO1. Ook in dit verband is het van belang dat partijen de LO1 zijn aangegaan zonder juridische bijstand.
4.12.
Voor zover [eisers] (ook) in dit kort geding heeft willen stellen dat de LO1, voor zover deze al bevoegdelijk is gesloten, rechtsgeldig is opgezegd vanwege het vermeende ongebruikt laten van het patent door [gedaagde] en de daarmee samenhangende mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de LO1, geldt dat [eisers] in dit kort geding onvoldoende heeft aangevoerd om die conclusie te kunnen rechtvaardigen. Allereerst is [bedrijf 2] geen partij bij dit kort geding maar nog afgezien daarvan heeft [eisers] in dit verband geen andere stellingen ingenomen dan de stellingen die blijkens het vonnis van 16 september 2025 zijn ingenomen in de procedure bij de rechtbank Limburg. Het was aan [eisers] geweest om in dit kort geding te onderbouwen dat dat vonnis (bijvoorbeeld) een kennelijke misslag bevatte maar dat heeft [eisers] niet gedaan. Zij heeft haar pijlen in de dagvaarding maar ook ter zitting gericht op de (on)bevoegdheid van [betrokkene 1] om op 12 februari 2025 licentie(s) te verstrekken ter zake de [product] producten aan [gedaagde] . Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting aangevoerd dat zij het patent wel degelijk gebruikt voor de productie van [product] producten zodat zich geen situatie voordeed waarin de overeenkomst tussentijds kon worden beëindigd.
4.13.
Nu binnen het bestek van dit kort geding aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] op 12 februari 2025 een rechtsgeldige licentie op de (handels)naam [product] en de [product] -merken (en het patent) aan [gedaagde] heeft verstrekt en niet is komen vast te staan dat deze licenties op enig moment voor 30 juni 2025 rechtsgeldig zijn opgezegd, waren [bedrijf 2] en [product] ten tijde van het sluiten van de LO2 met [eiser 1] op 30 juni 2025 (of op enige andere datum na 12 februari 2025) niet meer bevoegd om een exclusieve licentie te verlenen ter zake de handelsnaam (en het patent) respectievelijk de [product] -merken aan [eiser 1] . Dat betekent dat [eisers] deze rechten niet ten opzichte van [gedaagde] kan handhaven. De stellingen van partijen over en weer over (de totstandkoming) van de LO2 behoeven daarom, wat er verder ook van zij, geen bespreking. De slotsom is dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.
4.14.
[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv. Het onderhavige geschil heeft echter voornamelijk betrekking op (uitleg van de) gesloten licentieovereenkomsten en niet zozeer op (inbreuken op) intellectuele eigendomsrechten. Dit onderkent [gedaagde] ook met zoveel woorden in haar conclusie van antwoord. Het voorgaande in ogenschouw genomen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om voor de proceskostenveroordeling aansluiting te zoeken bij het voor kort geding gebruikelijke liquidatietarief.
Gelet op het voorgaande worden de kosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op:
- griffierecht € 714,00
  • salaris advocaat € 1.107,00
  • nakosten
Totaal € 1.999,00
4.15.
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde] van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.