In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Gelderland op 17 december 2025, is een tussenuitspraak gedaan met betrekking tot een gebrekkige dagvaarding. Eiser, vertegenwoordigd door mr. M.P. Harten, had een dagvaarding ingediend tegen de besloten vennootschap [gedaagde], die niet verschenen was. De rechtbank constateerde dat de dagvaarding niet voldeed aan de vereisten van artikel 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat de naam en het kantooradres van de advocaat niet correct waren vermeld. Hierdoor was de dagvaarding nietig, wat betekende dat er geen verstek verleend kon worden tegen [gedaagde]. De rechtbank verklaarde het eerder verleende verstek vervallen en bood eiser de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Eiser werd opgedragen om [gedaagde] opnieuw op te roepen voor de rolzitting op 28 januari 2026, met de vereiste documenten. De rechtbank hield verdere beslissingen aan totdat het herstel van de dagvaarding was ingediend.