3.1.Op grond van deze bevoegdheid is de beleidsregel “Drugsbeleid gemeente Heumen 2019” vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Heumen. Op grond van deze beleidsregel wordt een lokaal bij een eerste overtreding gesloten voor een periode van één jaar.
Is het besluit op de juiste wijze verzonden?
4. Tussen partijen is in geschil of verzoeker op de juiste wijze is geïnformeerd over het besluit. Vast staat dat het besluit aangetekend is verzonden, maar dat verzoeker geen kennis heeft kunnen nemen van dit besluit omdat hij met vakantie was. Na terugkomst heeft hij alsnog kennis genomen van het besluit en heeft hij tijdig bezwaar kunnen maken en een verzoek om een voorlopige voorziening kunnen indienen. De burgemeester heeft daarnaast met de sluiting gewacht tot en met de zitting bij deze rechtbank. Niet gebleken is dat er sprake is van schending van rechtsbeginselen als door verzoeker is gesteld. Het betoog van verzoeker slaagt niet.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van het pand over te gaan?
5. De burgemeester heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet, omdat er sprake is van een overtreding van de Opiumwet.
De burgemeester stelt in het bestreden besluit dat hij gebruik kan maken van zijn bevoegdheid, omdat in opslagruimte [nummer] drugs is aangetroffen. Deze bevoegdheid wordt niet weersproken door verzoeker.
Heeft de burgemeester gehandeld in overeenstemming met zijn beleidsregel?
6. De bevoegdheid, geregeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, biedt de burgemeester beleidsruimte. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om van de bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik te maken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.
7. De burgemeester hanteert beleid (de beleidsregel Drugsbeleid gemeente Heumen 2019) bij het toepassen van zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Het gaat hier om een eerste overtreding door verzoeker. Uit de handhavingsmatrix lokalen bij dit beleid blijkt dat bij een eerste overtreding een sluiting van één jaar volgt. De opgelegde termijn van één jaar past dus binnen dit beleid.
Is de sluiting voor de duur van één jaar evenredig?
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de evenredigheidstoets is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit dat artikel volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de factoren geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol kunnen spelen bij de toetsing van een besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
Zoals onder 6. en 7. is overwogen, heeft de burgemeester beleidsregels opgesteld. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht moet de burgemeester in beginsel handelen overeenkomstig zijn beleidsregels. De termijn van een sluiting voor de duur van één jaar voldoet aan deze beleidsregels. De burgemeester kan alleen afwijken van deze beleidsregels als er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels onevenredig is.
Verzoeker voert in de kern aan dat de noodzaak om de opslagruimte te sluiten ontbreekt en dat de sluiting niet evenwichtig is. De voorzieningenrechter zal daarom de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de maatregel betrekken bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter bespreekt deze aspecten afzonderlijk van elkaar.
Is sluiting van de opslagruimte noodzakelijk?
9. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting wordt beoordeeld of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding wordt beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, dan moet de burgemeester - als deze zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was - nader onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van het pand en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit er toe leiden dat er geen noodzaak bestaat om het pand te sluiten.
10. Verzoeker vindt dat het niet nodig is om de opslagruimte te sluiten. De huurder is vertrokken. Er is geen sprake geweest van drugshandel, loop naar de opslagruimte en recidive. Evenmin is er sprake geweest van gevaar voor de omgeving. De doelen van artikel 13b Opiumwet zijn daarmee al bereikt zonder dat sluiting nodig is. De burgemeester had ook kunnen volstaan met een lichtere maatregel, zoals een waarschuwing.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoeker voorshands slaagt. Uit het besluit en de onderliggende bestuurlijke rapportage blijkt niet van aanwijzingen voor handel, een loop naar de opslagruimte of overlastmeldingen. Ook gaat het niet om harddrugs of een kwetsbare wijk. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt verder dat verzoeker geen relevante antecedenten heeft, zodat van recidive geen sprake is. Nu de burgemeester in het bestreden besluit niet is ingegaan op de specifieke omstandigheden, is de voorzieningenrechter er op dit moment niet van overtuigd dat de sluiting van opslagruimte [nummer] noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. De voorzieningenrechter is daarom voorlopig van oordeel dat het bezwaar van verzoeker op dit punt kans van slagen heeft. Het bestreden besluit zal daarom worden geschorst. Voor de volledigheid zal de voorzieningenechter hieronder ook ingaan op de evenwichtigheid van de sluiting.
Is sluiting van de opslagruimte evenwichtig?12. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kan stellen dat sluiting noodzakelijk is, moet hij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als die duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer naar het pand terug te keren.
De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
13. Verzoeker betoogt dat de sluiting niet evenwichtig is, omdat hem niets kan worden verweten. Hij heeft zijn verplichtingen als verhuurder correct en zorgvuldig uitgevoerd. Er vinden regelmatig controles van alle opslagruimten plaats. Er is een duidelijke huurovereenkomst waarin expliciet staat vermeld dat de opslagruimte uitsluitend gebruikt mag worden voor opslag, dat een andere bestemming verboden is en dat opslag van verboden stoffen verboden is. Er zijn nooit incidenten geweest, nooit klachten en nooit aanwijzingen voor misbruik. Verzoeker heeft ook direct na de vondst de huur van de opslagruimte opgezegd en de spullen van huurder laten verwijderen.
14. De vraag die nu voorligt is of verzoeker voldoende toezicht heeft gehouden. De burgemeester stelt dat het toezicht van verzoeker kennelijk onvoldoende is gebleken; nergens blijkt uit wat verzoeker heeft gedaan in het kader van de zorgplicht. Verzoeker weerspreekt deze stelling. Hij heeft opslagruimte [nummer] verhuurd aan een bekende, die enkele jaren geleden ook al 2 jaar zonder problemen bij hem had gehuurd. Verder ligt de toegang tot de opslagruimte naast het bedrijf van verzoeker en heeft het personeel van verzoeker direct zicht op deze toegang. Ook is er sprake van cameratoezicht en maakt het personeel regelmatig een praatje met de huurders. Het is voor onbekenden daarom niet mogelijk om ongezien de opslagruimten te bereiken. Hoewel er inderdaad geen protocol op papier is voor het toezicht, heeft hij op zitting toegelicht dat er wel (maandelijks) toezicht op de opslagruimte heeft plaatsgevonden. Het is voor hem als leek moeilijk om vast te stellen of er sprake is van drugs of attributen voor het vervaardigen of vervoeren van drugs. De drugs zat verstopt in twee verfbussen, terwijl er op dat moment twee pallets met circa 40 bussen verf stonden. Ook heeft de douane zelf veel moeite gehad om de verborgen ruimte in de auto te vinden. Verzoeker en het personeel hebben niet doorgehad welke bedoelingen de huurder had; zij zijn zelfs nog behulpzaam geweest door met een hefttruck het aggregaat van de huurder te verplaatsen.
15. De voorzieningenrechter overweegt dat van een eigenaar van een pand mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van het pand. Het lag dus op de weg van verzoeker om in zekere mate concreet toezicht te houden op het gebruik van de woning. De voorzieningenrechter acht van belang dat verzoeker stelt te hebben verhuurd aan een bekende met wie hij eerder goede ervaringen had en dat hij het toezicht heeft toegelicht, waarbij hij zowel heeft uitgelegd dat er toezicht is op de toegang naar de opslagruimtes als ook maandelijkse controle in de opslagruimtes. Het ligt op de weg van verzoeker om in de bezwaarprocedure met een nadere onderbouwing van deze stellingen te komen.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de bestuurlijke rapportage van de politie compact is en geen foto’s bevat. Het is daarom voor de voorzieningenrechter moeilijk in te schatten wat er precies op welke plek is aangetroffen, hoe dat eruit zag en of verzoeker kan worden verweten dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter ook hierin aanleiding om het besluit te schorsen.
16. Aan een verdere beoordeling van de evenredigheid komt de voorzieningenrechter niet meer toe.