ECLI:NL:RBGEL:2025:11423

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
512168025
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een 18-jarige jongen voor poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging na het gooien van stenen vanaf een brug

Op 9 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland een 18-jarige jongen veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging. De jongen gooide samen met een medeverdachte stenen vanaf de Vlinderbrug in Lichtenvoorde op passerende voertuigen. Dit gebeurde in de nacht van 20 augustus 2024, waarbij meerdere voertuigen, waaronder een Kia, Volkswagen Transporter en Opel Meriva-A, schade opliepen. De rechtbank oordeelde dat de jongen opzettelijk en wederrechtelijk handelde, met de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor de inzittenden van de voertuigen. De rechtbank legde een taakstraf op van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, en een schadevergoeding aan de slachtoffers. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers, maar hield ook rekening met de kwetsbaarheid van de verdachte, die voor het eerst in aanraking kwam met justitie. De rechtbank wees ook schadevergoedingen toe aan de benadeelde partijen, waaronder materiële schade en smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/121680-25
Datum uitspraak : 9 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. P.W.E. Hoezen, advocaat in Winterswijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 20 augustus 2024 te
Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 3]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
al dan niet in het donker
- met kracht een of meerdere bakstenen, althans een of meer brokken/stukken
steen, vanaf een hoger gelegen plaats te weten de Vlinderbrug in de richting van de
voertuigen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , althans in de richting van
een of meerdere voertuigen welke op dat moment over de N 18 reden, heeft gegooid
en/of laten vallen, en/of
- ( waardoor) die bakstenen, althans brokken/stukken steen door de voorruit in het
middenconsole en/of tegen de linkerachterkant,
althans in/tegen het voertuig van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] terecht
zijn gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 20 augustus 2024 te
Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre, althans in Nederland,
openlijk, te weten de Vlinderbrug over de N18, in elk geval op of aan de openbare
weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere persoon, te weten
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 3]
en/of
een of meerdere auto's, te weten
- een Kia, gekentekend [kenteken 1] , geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1] ,
- een Volkswagen Transporter, gekentekend [kenteken 2] , geheel of ten dele
toebehorend aan [slachtoffer 2] ,
- een Opel Meriva-A, gekentekend [kenteken 3] , geheel of ten dele toebehorend aan
[slachtoffer 3] ,
door al dan niet in het donker
- met kracht een of meerdere bakstenen, althans een of meer brokken/stukken
steen, vanaf een hoger gelegen plaats, te weten Vlinderbrug in de richting van de
voertuigen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ,
althans in de richting van een of meerdere voertuigen welke op dat moment over de
N18 reden, te gooien en/of te laten vallen, en/of
- ( waardoor) die bakstenen, althans brokken/stukken door de voorruit en/of
linkerachterkant, althans in/tegen het voertuig van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
[slachtoffer 3] terecht zijn gekomen,
terwijl hij, verdachte deze goederen opzettelijk heeft vernield;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 20 augustus 2024 te
Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk en wederrechtelijk
- een Kia, gekentekend [kenteken 1] , geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1] ,
- een Volkswagen Transporter, gekentekend [kenteken 2] , geheel of ten dele
toebehorend aan [slachtoffer 2] ,
- een Opel Meriva-A, gekentekend [kenteken 3] , geheel of ten dele toebehorend aan
[slachtoffer 3] ,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n)heeft
vernield,
beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (hierna: [verdachte] ) zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf stenen heeft gegooid en dat hij daarnaast onvoldoende betrokken is om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen. Subsidiair – indien de rechtbank van oordeel is dat wel sprake zou zijn van het gooien van stenen door [verdachte] – heeft zij naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld in welke richting de stenen zijn gegooid. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat het opzet was gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Ook was onvoldoende kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel nu de kans op het raken van een auto met stenen in het midden van de nacht niet aanmerkelijk is.
De beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
De rechtbank zal deze feiten gelijktijdig behandelen gelet op de onderlinge samenhang.
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 20 augustus 2024 omstreeks 01.00 uur in zijn auto – een Kia met het kenteken [kenteken 1] – over de N18 reed. Ter hoogte van Lichtenvoorde bevindt zich de Vlinderbrug. Ter hoogte van deze Vlinderbrug hoorde [slachtoffer 1] ineens een harde knal en zag hij dat zijn voorruit wit werd. Hij schrok hard en trapte op de rem waardoor hij over de weg slingerde en de auto in de berm tot stilstand kon brengen. De hele voorruit was stuk en [slachtoffer 1] nam contact op met de politie. De politie trof restpoeder van een steen aan op de voorruit van de auto en de baksteen bleek in het middenconsole van de auto te liggen. De baksteen was dwars door de voorruit gegaan. [2]
Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij op 20 augustus 2024 rond 00.45 uur onder de Vlinderbrug bij Lichtenvoorde reed. Vanaf de brug werd er een grote steen gegooid die door de voorruit van de auto – een Opel Meriva-A met het kenteken [kenteken 3] – ging. [3]
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 20 augustus 2024 rond 00.45 uur in zijn auto – een Volkswagen Transporter met het kenteken [kenteken 2] – ter hoogte van de Vlinderbrug te Lichtenvoorde reed. Hij hoorde ineens een harde knal door een dreun aan de linker achterkant van de auto. [slachtoffer 2] is doorgereden en zag bij thuiskomst dat de er een diepe deuk in de zijkant van de auto zat. [4]
Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) heeft bij de politie verklaard dat hij samen met [verdachte] in de nacht van 20 augustus 2024 rondfietste in Lichtenvoorde. Op enig moment kwam het idee op om stenen te gooien. [medeverdachte] heeft verder verklaard dat hij en [verdachte] bakstenen op straat vonden en dat zij beiden op de brug stonden aan de kant van het centrum van Lichtenvoorde (de rechtbank begrijpt: de Vlinderbrug). Zowel [medeverdachte] als [verdachte] hebben meerdere stenen gegooid. Dit was tussen 00.30 en 01.00 uur. Het doel was om een auto te raken. [medeverdachte] heeft met een baksteen een auto geraakt, dit was een Kia. Hij heeft niet gezien dat de baksteen de auto raakte want het was te donker. Wel zag hij dat er daardoor een ongeluk werd veroorzaakt en dat de auto stopte aan de zijkant van de weg. [verdachte] stond naast hem op de brug toen de auto werd geraakt en zij keken dezelfde kant op. Ze zijn hierna weggegaan. [5] De rechtbank begrijpt dat de Kia waarover [medeverdachte] heeft verklaard de Kia van aangever [slachtoffer 1] betreft.
[verdachte] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte] op de brug aanwezig was, dat zij die avond samen waren opgetrokken en dat ze samen hadden bedacht om stenen van de brug te gooien. De Kia werd geraakt met een baksteen. [verdachte] heeft verder verklaard dat hij die avond geen andere jongens met bakstenen op de brug heeft gezien. [6]
Wat is er gebeurd?
De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen het volgende af. Op 20 augustus 2024 omstreeks 00.30 en 01.00 uur reden aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in hun auto’s over de N18. Ter hoogte van de Vlinderburg in Lichtenvoorde zijn hun auto’s beschadigd geraakt door stenen. Eveneens rond dit tijdstip waren [verdachte] en [medeverdachte] op de Vlinderbrug aanwezig. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] hebben verklaard dat zij samen een plan hadden bedacht om die nacht stenen vanaf de brug op de weg te gooien en dat de steen die [medeverdachte] gooide een Kia heeft geraakt. De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] lopen uiteen voor wat betreft de vraag of [verdachte] wel of niet stenen heeft gegooid en de vraag of er één of meerdere stenen zijn gegooid. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vragen als volgt.
Zoals hiervoor is vastgesteld heeft [medeverdachte] een baksteen gegooid die op de Kia van [slachtoffer 1] terecht is gekomen. Rond hetzelfde tijdstip en op dezelfde locatie zijn ook de auto’s van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] door een steen geraakt. De rechtbank overweegt dat zij de verklaring van [medeverdachte] dat hij en [verdachte] allebei stenen hebben gegooid betrouwbaar vindt, nu zijn verklaring steun vindt in de drie aangiftes waaruit volgt dat er op die bewuste locatie, rond hetzelfde tijdstip, meerdere stenen op de weg terecht kwamen. Bovendien belast [medeverdachte] ook zichzelf met zijn verklaring. Daarnaast hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte] verklaard dat er rond die tijd geen andere personen op de brug aanwezig waren behalve [verdachte] en [medeverdachte] zelf. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de verklaring van [medeverdachte] en acht zij op basis van deze verklaring en de aangiftes bewezen dat er die avond meerdere stenen vanaf de brug op de auto’s terecht zijn gekomen. Uitgaande van de verklaring van [medeverdachte] vindt de rechtbank dat eveneens vaststaat dat allebei de jongens de stenen hebben gegooid.
Poging tot zware mishandeling
Aan [verdachte] is het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging ten laste gelegd. De rechtbank overweegt ten aanzien van de poging tot zware mishandeling als volgt.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer, als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit letsel als gevolg van zijn handelen zal intreden.
De rechtbank overweegt dat [verdachte] en [medeverdachte] welbewust meerdere stenen van een brug naar beneden op een autoweg hebben gegooid met als doel om een auto te raken. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het gooien van stenen vanaf een brug op een auto zeer ernstige ongelukken kunnen gebeuren. De rechtbank vindt de kans dat een auto onder die omstandigheden daadwerkelijk wordt geraakt, zoals bij drie auto’s is gebeurd, aanmerkelijk. Ook de kans dat een bestuurder of inzittende van een motorrijtuig daarbij vervolgens ernstig gewond raakt naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] door stenen richting op de autoweg onder hen rijdende auto’s te gooien bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat bestuurders rechtstreeks door de steen zouden worden geraakt dan wel als gevolg van het raken van de auto door de steen een ongeluk zouden kunnen krijgen en dat zij als gevolg daarvan zwaar gewond zouden kunnen raken. Deze gedragingen zijn namelijk gezien hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het raken van de rijdende auto’s dat het niet anders kan zijn dan dat de [verdachte] en [medeverdachte] de aanmerkelijke kans op het ontstaan van ernstig letsel hebben aanvaard. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het opzet van [verdachte] op de zware mishandeling van de bestuurders in voorwaardelijke zin is bewezen.
Medeplegen
De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen als volgt. [verdachte] en [medeverdachte] hebben die bewuste avond samen opgetrokken en hebben gezamenlijk het plan bedacht om stenen te gooien vanaf de brug en om hierbij één of meer auto’s te raken. Zij hebben vervolgens samen vanaf de Vlinderburg deze stenen gegooid. De rechtbank vindt dus dat sprake is geweest van een gezamenlijk plan en een gezamenlijke uitvoering van dit plan. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van medeplegen.
Openlijke geweldpleging
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank eveneens bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Door samen met [medeverdachte] op de openbare weg en zichtbaar voor andere personen stenen te gooien heeft hij opzet gehad op de ten laste gelegde geweldshandeling tegen de bestuurders en de auto’s en daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd.
Conclusie
Gelet op de voorgaande overwegingen vindt de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de poging tot zware mishandeling en aan openlijke geweldpleging, zoals ten laste is gelegd onder 1 en 2 primair.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
een ofmeerdere tijdstippen op
of omstreeks20 augustus 2024 te Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en
/ofzijn mededader
(s)voorgenomen misdrijf om aan
- [slachtoffer 1] en
/of
- [slachtoffer 2] en
/of
- [slachtoffer 3]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
al dan nietin het donker
- met kracht
een ofmeerdere bakstenen,
althans een of meer brokken/stukken steen,vanaf een hoger gelegen plaats te weten de Vlinderbrug in de richting van de voertuigen van die [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] ,
althans in de richting van een of meerdere voertuigen welke op dat moment over de N 18 reden,heeft gegooid
en/of laten vallen,en
/of
- ( waardoor) die bakstenen,
althans brokken/stukken steendoor de voorruit in het middenconsole en/of tegen de linkerachterkant, althans in/tegen het voertuig van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] terecht zijn gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
een ofmeerdere tijdstippen op
of omstreeks20 augustus 2024 te Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre,
althans in Nederland,openlijk, te weten vanaf de Vlinderbrug over de N18,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een ofmeerdere persoon, te weten
- [slachtoffer 1] en
/of
- [slachtoffer 2] en
/of
- [slachtoffer 3]
en
/of
een ofmeerdere auto's, te weten
- een Kia, gekentekend [kenteken 1] , geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1] ,
- een Volkswagen Transporter, gekentekend [kenteken 2] , geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 2] ,
- een Opel Meriva-A, gekentekend [kenteken 3] , geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 3] , door
al dan nietin het donker
- met kracht
een ofmeerdere bakstenen,
althans een of meer brokken/stukken steen,vanaf een hoger gelegen plaats, te weten Vlinderbrug in de richting van de voertuigen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ,
althans in de richting van een of meerdere voertuigen welke op dat moment over de N18 reden,te gooien
en/of te laten vallen,en
/of
- ( waardoor) die bakstenen,
althans brokken/stukkendoor de voorruit en/of linkerachterkant, althans in/tegen het voertuig van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] terecht zijn gekomen,
terwijl hij, verdachte deze goederen opzettelijk heeft vernield.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Eendaadse samenloop van
Feit 1:
het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd,
en
Feit 2, primair:
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak geen strafmaat verweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] .
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt een poging tot zware mishandeling van de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en aan openlijke geweldpleging. [verdachte] en [medeverdachte] hebben meerdere bakstenen vanaf een brug tegen de auto’s van de slachtoffers gegooid. Bij de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn de stenen door de autoruit gegaan. Door het handelen van [verdachte] en [medeverdachte] hadden de slachtoffers ernstig gewond kunnen raken en is er schade ontstaan aan hun auto’s. Uit het dossier en ook tijdens de behandeling op de zitting is duidelijk gebleken dat de slachtoffers enorm geschrokken zijn en dat wat er is gebeurd veel impact op hen heeft gehad en hun gevoel van veiligheid in het verkeer heeft aangetast. De rechtbank spreekt van geluk dat het handelen van [verdachte] en [medeverdachte] niet tot ernstig lichamelijk letsel bij de slachtoffers heeft geleid.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] van 20 oktober 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapportage over [verdachte] opgesteld. Uit deze rapportage, gedateerd 26 juni 2025, volgt dat [verdachte] door dit delict voor het eerst in aanraking is gekomen met justitie. Er is sprake van een zeer belaste voorgeschiedenis. [verdachte] heeft niet veilig bij één van zijn ouders kunnen opgroeien en heeft negen jaar in een vast pleeggezin gewoond. Op dit moment woont hij op een groep van de instelling Sius en dat gaat goed. De Raad vindt een leerstraf dan wel begeleiding vanuit de jeugdreclassering niet geboden. Er wordt op dit moment hulp aangeboden aan [verdachte] en hier staat hij ook voor open. De Raad adviseert om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, op te leggen zodat hij de consequenties van zijn gedrag kan ervaren. Een (al dan niet onvoorwaardelijke) jeugddetentie is niet wenselijk omdat [verdachte] een kwetsbare jongen is en zijn positieve ontwikkeling door een jeugddetentie negatief beïnvloed kan worden.
De op te leggen straf
Alles overziend komt de rechtbank tot de volgende conclusies. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop ten aanzien van de poging tot zware mishandeling en de openlijke geweldpleging en houdt daarmee rekening bij het bepalen van de straf. De rechtbank overweegt verder dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten die tot nog veel ernstiger gevolgen hadden kunnen leiden. Anderzijds heeft de rechtbank ook oog voor de kwetsbaarheid van [verdachte] en het feit dat dit de eerste en enige keer is dat hij in aanraking is gekomen met de politie. Gelet op het advies van de Raad is de rechtbank verder van oordeel dat het niet wenselijk is om de positieve ontwikkeling van [verdachte] te laten doorkruisen door het opleggen van een jeugddetentie. Alles afwegende zal de rechtbank aan [verdachte] een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, opleggen voor de duur van 120 uren.. Een gedeelte van deze taakstraf, te weten 60 uren, zal de rechtbank in voorwaardelijke vorm opleggen zodat [verdachte] een stok achter de deur heeft om zich te blijven inzetten voor een positieve ontwikkeling.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

8.1.
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.905,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verder gevorderd de hoofdelijkheid uit te spreken.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is naar voren gebracht dat de benadeelde partij inzake de schadepost voor het collegegeld niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de benadeelde partij deze schade naar het oordeel van de verdediging had kunnen beperken. Ook het causale verband wordt betwist.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten: de kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering à € 375,00 en de kosten voor het collegegeld à
€ 2.530,00. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze schadeposten als volgt. Voor de kosten van het eigen risico geldt dat deze schadepost voldoende is onderbouwd, dat sprake is van rechtstreekse schade en dat de vordering op dit punt niet wordt betwist. Dit betekent dat deze kosten zullen worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 375,00.
De rechtbank oordeelt ten aanzien van de kosten voor het collegegeld als volgt. Door de benadeelde partij is voldoende onderbouwd dat hij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten niet in staat is geweest om zijn studie te volgen. Uit de ter onderbouwing overgelegde stukken volgt dat de benadeelde niet in staat is geweest om te werken. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de benadeelde eveneens niet in staat is geweest om zijn studie te volgen. Deze kosten zijn aan te merken als rechtstreekse schade als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Uit de ter onderbouwing overgelegde evaluatie van de bedrijfsarts en het behandelplan van de GZ-psycholoog volgt dat de benadeelde partij is ziekgemeld per 26 augustus 2024 (binnen een week na het bewezenverklaarde),dat het bewezenverklaarde ‘de druppel’ is geweest en dat hij op 11 juni 2025 nog altijd in de ziektewet zat.
Dit betekent dat de rechtbank ook het gevorderde bedrag van € 2.530,00 zal toewijzen.
Smartengeld
Door de benadeelde partij is een bedrag van € 3.000,00 aan smartengeld gevorderd. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze schadepost als volgt.
Op basis van de onderbouwde vordering tot schadevergoeding, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden in de vorm van psychisch letsel. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij kampt met een posttraumatische stressstoornis waardoor hij nog dagelijks kampt met de psychische gevolgen van de feiten. Bovendien vindt de rechtbank dat het gaat om zeer bedreigende feiten nu de benadeelde nietsvermoedend ’s avonds laat over de weg reed. Dit is aan [verdachte] en de mededader toe te rekenen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank de immateriële schadevergoeding toe tot het gevorderde bedrag van € 3.000,00.
Conclusie
De toe te wijzen bedragen zijn dus de volgende:
  • Materiële schade: € 2.905,00
  • Smartengeld: € 3.000,00
De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag voor materiële schadevergoeding van
€ 2.905,00 met de wettelijke rente met ingang van 19 november 2025, zijnde de datum van indiening van de vordering. De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag van smartengeld van € 3.000,00 met de wettelijke rente met ingang van 20 augustus 2024, de dag van het plegen van het feit.
8.2.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 150,00 aan materiële schade en € 1.600,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verder gevorderd de hoofdelijkheid uit te spreken.
De verdediging heeft gelet op de bepleitte vrijspraak geen verweer gevoerd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit de schadepost voor het eigen risico voor het vervangen van de ruit à € 150,00. De rechtbank overweegt dat uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken onvoldoende is gebleken dat de gevorderde kosten voor het eigen risico zien op het jaar 2024, nu de overlegde polis ziet op het verzekeringsjaar 2025. Bovendien bevindt zich bij de bijlagen een brief, waaruit volgt dat door de verzekeraar een bedrag van € 327,09 is uitgekeerd aan ABS Ruitherstel, zonder dat daarbij verwezen is naar (verrekening van) het eigen risico. De rechtbank is daarom van oordeel dat de schadepost onvoldoende is onderbouwd. Dit betekent dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart in de vordering tot vergoeding van de materiële schade.
Smartengeld
Door de benadeelde partij is een bedrag van € 1.000,00 aan smartengeld gevorderd. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze schadepost als volgt.
Op basis van de onderbouwde vordering tot schadevergoeding, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden nu zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij erg is geschrokken en tot op de dag van vandaag nog last heeft van hetgeen haar is overkomen.. Gelet op de aard en ernst van de naar hun aard zeer bedreigende feiten en gezien de omstandigheden waaronder deze zijn begaan ligt een aantasting van de persoon voor de hand. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank het smartengeld hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.
8.3.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om ten aanzien van alle toegewezen schadebedragen op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op te leggen. [verdachte] wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Omdat sprake is van toepassing van het jeugdstrafrecht zal geen gijzeling aan hem worden opgelegd.
De rechtbank overweegt tot slot dat [verdachte] en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken omdat sprake is van groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, dit zowel voor wat betreft de toegewezen bedragen als de schadevergoedingsmaatregel. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn mededader de schade heeft vergoed.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van
120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
 bepaalt dat een
gedeelte van deze taakstraf, te weten
60 uren,
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.905,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2025, en € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 2.905,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2025 en € 3.000,00 aan smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen
0 dagengijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 1.000,00 aan smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen
0 dagengijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.M. Bögemann (kinderrechter tevens voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. E.M. van Poecke, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Disberg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2025.
mr. Bögemann is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024410696, gesloten op 25 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 7 – 8.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 39 – 40.
4.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 30 – 31.
5.Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], p. 71 – 74.
6.De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 25 november 2025.