Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:11396

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11744564
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en verdeling van goederen en leningen na beëindiging affectieve relatie

Partijen hadden van mei 2019 tot augustus 2024 een affectieve relatie en woonden samen in een woning van gedaagde. Eiser vordert betaling van € 18.243,95 voor goederen ingebracht in de woning, autokosten en andere posten, gebaseerd op een ondertekende overeenkomst van juli 2024. Gedaagde betwist enkele vorderingen en vordert in reconventie terugbetaling van leningen en diverse kosten.

De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst niet vernietigd kan worden wegens onvoldoende bewijs van dwaling of bedrog. De vordering van eiser voor de goederen wordt toegewezen, evenals de helft van de autoverzekering en de kosten voor een tweede autosleutel. De vordering van gedaagde voor terugbetaling van leningen wordt eveneens toegewezen. Diverse andere vorderingen worden deels toegewezen of afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: De rechtbank wijst vorderingen en tegenvorderingen deels toe en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11744564 \ CV EXPL 25-1757
Vonnis van 19 december 2025
in de zaak van
[eiser in conv],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conv] ,
gemachtigde: mr. C. van Heijnsbergen (SVH Gerechtsdeurwaarders),
tegen
[gedaagde in conv],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv] ,
gemachtigde: mr. J. Wassink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering eis in conventie
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser in conv] en [gedaagde in conv] hebben van 14 mei 2019 tot en met 30 augustus 2024 een affectieve relatie gehad.
2.2.
[eiser in conv] woonde samen met [gedaagde in conv] in de woning staande en gelegen aan [adres] , welke woning eigendom is van [gedaagde in conv] .
2.3.
Op 24 april 2019 heeft [gedaagde in conv] een bedrag van € 18.000,00 overgemaakt naar [eiser in conv] met de omschrijving ‘lening’.
2.4.
Op 6 mei 2019 heeft [gedaagde in conv] een bedrag van € 3.000,00 naar [eiser in conv] overgemaakt met de omschrijving ‘lening’.
2.5.
Op 29 mei 2019 heeft [eiser in conv] een bedrag van € 2.500,00 aan [gedaagde in conv] overgemaakt met de omschrijving ‘terugbetaling’.
2.6.
Tijdens de relatie hebben partijen ook een Ford Mustang aangeschaft voor een bedrag van € 63.876,00. Op 20 juli 2022 heeft [gedaagde in conv] ten behoeve van de aankoop van deze auto een bedrag van € 47.645,00 overgemaakt op de gezamenlijke rekening van [gedaagde in conv] en [eiser in conv] met de omschrijving ‘Betaling privé auto Ford Mustang’.
2.7.
Op enig moment heeft [gedaagde in conv] ten behoeve van de Ford Mustang autobanden aangeschaft ten bedrage van € 880,00.
2.8.
[eiser in conv] heeft ten behoeve van deze auto een autoverzekering bij Univé afgesloten. Over de periode 22 juli 2022 tot en met 31 augustus 2024 heeft [eiser in conv] in totaal € 2.050,08 aan verzekeringspremies betaald.
2.9.
Gedurende de affectieve relatie zijn er meerdere gesprekken tussen partijen geweest om te komen tot het sluiten van een samenlevingsovereenkomst. Partijen zijn hiervoor bij de notaris geweest en er is een concept samenlevingsovereenkomst opgesteld. Tot ondertekening van deze overeenkomst is het nooit gekomen.
2.10.
Op 23 juni 2024 hebben partijen in het bijzijn van de vader van [eiser in conv] en de broer van [gedaagde in conv] gesprekken gevoerd over hun relatie. Naar aanleiding van deze gesprekken hebben partijen op 25 juli 2024 een overeenkomst opgesteld en ondertekend. In het gesprek hebben partijen onder andere afgesproken dat de Ford Mustang voor 25% eigendom is van [eiser in conv] en 75% eigendom van [gedaagde in conv] . In de overeenkomst die vervolgens is opgesteld is opgenomen dat de goederen die [eiser in conv] heeft ingebracht in de woning van [gedaagde in conv] een waarde vertegenwoordigen van € 35.533,85. Verder is in de overeenkomst een afschrijfregeling bepaald ten aanzien van deze goederen, waarmee de goederen vanaf 2032 gezamenlijk eigendom van partijen zouden zijn indien zij tot die tijd bij elkaar zouden blijven. Daarnaast is in de overeenkomst opgenomen dat [gedaagde in conv] op 23 juni 2024 een bedrag van € 11.480,00 aan [eiser in conv] heeft betaald ten behoeve van een aantal facturen.
2.11.
[eiser in conv] heeft de Ford Mustang op 27 maart 2025 ingeruild en een nieuwe auto gekocht. De inruilwaarde van de Ford bedroeg € 30.330,45.
2.12.
Omdat [eiser in conv] nog maar één autosleutel van de Ford Mustang in haar bezit had en zij bij de inruil van de auto twee sleutels moest afgeven, heeft zij op 2 april 2025 een nieuwe sleutel aangeschaft voor een bedrag van € 595,01.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser in conv] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis, de veroordeling van [gedaagde in conv] tot betaling van € 18.243,95. Deze vordering is als volgt opgebouwd:
- aankoop goederen [eiser in conv]
35.533,85
- factuur beveiligingswinkel
211,85
- kosten 50% autoverzekering
1.025,04
- aanschaf tweede sleutel Ford
595,01
- buitengerechtelijke incassokosten
1.109,29
- rente tot en met 24 april 2025
+/+ 457,49
Totaal
38.931,78
- verrekening autobanden
-/- 440,00
- verrekening Ford
-/- 22.747,83
Vordering [eiser in conv] op [gedaagde in conv]
15.743,95
- uitgeleend bedrag aan [gedaagde in conv] (eisvermeerdering)
+/+ 2.500,00
Totaal
18.243,95
[eiser in conv] vordert verder de wettelijke rente over een bedrag van € 14.177,17, vanaf de dag van dagvaarding. Daarnaast vordert [eiser in conv] de veroordeling van [gedaagde in conv] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis goederen af te geven aan [eiser in conv] zoals vermeld in het lichaam van de dagvaarding en de conclusie van antwoord in reconventie op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag dan wel gedeelte daarvan dat [gedaagde in conv] met afgifte in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,00 en de veroordeling van [gedaagde in conv] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde in conv] voert verweer. [gedaagde in conv] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conv] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conv] , met veroordeling van [eiser in conv] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde in conv] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De overeenkomst tussen partijen die op 25 juli 2024 is opgesteld en ondertekend en de afspraak omtrent de eigendomsverhouding van de auto te vernietigen;
[eiser in conv] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde in conv]
te betalen een bedrag groot € 11.480,00 uit hoofde van onverschuldigde
betaling na vernietiging van de overeenkomst, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
[eiser in conv] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde in conv]
te betalen een bedrag groot € 18.500,00, zijnde een terugbetalingsverbintenis
uit hoofde van twee geldleningen, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
[eiser in conv] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde in conv]
te betalen een bedrag groot € 51.070,20 (primair), dan wel € 28.828,26
(subsidiair), zijnde betalingsverplichtingen verband houdende met de auto, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
[eiser in conv] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde in conv]
te betalen een bedrag groot € 9.950,02, zijnde betalingsverplichtingen
verband houdende met diverse vorderingen, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
[eiser in conv] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het
vonnis over te gaan tot afgifte van de aan [gedaagde in conv] toebehorende fiets
(Amslod Wellington MRX-600 Grijs / 7Speed / 600WH), zulks op straffe
van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dan wel gedeelte
daarvan dat [gedaagde in conv] met de afgifte in gebreke blijft tot een maximum van
€ 2.500,00;
[eiser in conv] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis.
3.5.
[eiser in conv] voert verweer. [eiser in conv] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conv] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conv] , met veroordeling van [gedaagde in conv] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.
Omdat de vorderingen in conventie en renconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.
De overeenkomst van 25 juli 2024
4.2.
[eiser in conv] stelt dat zij op grond van de ondertekende overeenkomst d.d. 25 juli 2024 recht heeft op € 35.533,85 voor de goederen die zij heeft gekocht ten behoeve van het verhogen van het wooncomfort en het verbeteren van de leefbaarheid van de woning van [gedaagde in conv] . [gedaagde in conv] zou in een gesprek hebben erkend dat hij dit bedrag aan [eiser in conv] verschuldigd is en heeft dit ook door ondertekening van de overeenkomst bevestigd. Aangezien de relatie tussen partijen op 31 augustus 2024 is geëindigd, is de afschrijfregeling zoals opgenomen in de overeenkomst niet van toepassing en is [gedaagde in conv] aan [eiser in conv] het volledige bedrag van € 35.533,85 verschuldigd, aldus [eiser in conv] .
4.3.
[gedaagde in conv] betwist dat hij in een gesprek heeft gezegd dat hij dit bedrag aan [eiser in conv] verschuldigd is. Volgens [gedaagde in conv] zijn de goederen alleen op deze bedragen gewaardeerd. [gedaagde in conv] beroept zich verder op vernietiging van deze overeenkomst. Op het moment van het tekenen van de overeenkomst was [gedaagde in conv] namelijk nog in de veronderstelling dat partijen een relatie hadden en hij wilde deze graag redden. [eiser in conv] deed ook voorkomen alsof dat nog mogelijk was, aldus [gedaagde in conv] . Echter is [gedaagde in conv] erachter gekomen dat [eiser in conv] al op 27 mei 2024 een overeenkomst had getekend voor de aankoop van een andere woning. Dit heeft zij nooit aan [gedaagde in conv] meegedeeld en zij is derhalve niet eerlijk geweest over de omstandigheid dat zij de relatie geen vervolg wilde geven. Als [gedaagde in conv] had geweten dat [eiser in conv] al een andere woning had gekocht dan was hij deze overeenkomst nooit aangegaan. De overeenkomst is volgens [gedaagde in conv] dan ook tot stand gekomen op grond van dwaling c.q. bedrog en moet worden vernietigd. Het resultaat van vernietiging is dat [gedaagde in conv] een bedrag van € 11.480,00 aan [eiser in conv] onverschuldigd heeft betaald.
4.4.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Het beroep van [gedaagde in conv] op dwaling c.q. bedrog slaagt niet. Op de zitting vertelde [gedaagde in conv] namelijk dat de relatie, op het moment van ondertekenen van de overeenkomst, al een tijdje niet lekker liep. Bovendien is door [eiser in conv] onbetwist gesteld dat zij de andere woning in eerste instantie had aangekocht om te verhuren en dat zij ook meerdere woningen verhuurt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde in conv] onvoldoende heeft gesteld om een beroep op dwaling c.q. bedrog te onderbouwen, reden waarom de overeenkomst niet kan worden vernietigd.
4.5.
Door [gedaagde in conv] is op de zitting verder verklaard dat hij tijdens de gesprekken die op 23 juni 2024 zijn gevoerd, op advies van zijn broer, het bedrag van € 11.480,00 aan [eiser in conv] heeft betaald en op dat moment ook de verschuldigdheid van het bedrag van € 35.533,85 heeft erkend om van alles af te zijn. Het verweer van [gedaagde in conv] dat in de overeenkomst de spullen slechts zijn gewaardeerd op dit bedrag en dat hij dit bedrag niet schuldig is aan [eiser in conv] houdt derhalve geen stand. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de overeenkomst ook niet anders worden begrepen dan dat [gedaagde in conv] dit bedrag aan [eiser in conv] verschuldigd is, te meer omdat in de overeenkomst een aflossingsschema is opgenomen.
4.6.
De conclusie uit voorgaande is dat de vordering van [eiser in conv] in conventie van € 35.533,85 wordt toegewezen. Omdat de overeenkomst niet wordt vernietigd wordt de vordering van [gedaagde in conv] in reconventie van € 11.480,00 afgewezen.
De ‘geldleningen’
4.7.
[gedaagde in conv] stelt dat hij op 24 april 2019 € 18.000,00 en op 6 mei 2019 € 3.000 euro aan [eiser in conv] heeft geleend. [eiser in conv] heeft op 29 mei 2019 een bedrag van € 2.500,00 op de lening terugbetaald, aldus [gedaagde in conv] . Hij vordert dan ook terugbetaling van een bedrag van € 18.500,00 op grond van de gestelde leningen. [eiser in conv] betwist dat [gedaagde in conv] deze bedragen aan haar heeft geleend. Zij stelt hierover dat zij in eerste instantie de kosten voor een nieuwe keuken en de kosten voor verbeteringen aan de destijds gezamenlijke woning heeft voorgeschoten en dat [gedaagde in conv] deze kosten vervolgens aan haar terugbetaalde. Het is niet logisch als zij deze kosten zou moeten betalen, terwijl de woning in Batenburg nooit haar eigendom is geweest en de enige omstandigheid dat als omschrijving ‘lening’ bij de overboeking staat betekent niet dat het ook een overeenkomst van geldlening is, aldus [eiser in conv] . Daarnaast was de betaling van € 2.500,00 die zij op 29 mei 2019 aan [gedaagde in conv] heeft overgemaakt geen aflossing van een geldlening, maar een lening van [eiser in conv] aan [gedaagde in conv] omdat hij dit bedrag nodig had voor andere aankopen.
4.8.
De kantonrechter overweegt dat de bedragen die [gedaagde in conv] op 24 april 2019 en 6 mei 2019 aan [eiser in conv] heeft overgemaakt moeten worden gekwalificeerd als leningen. De bedragen zijn namelijk overgemaakt onder de noemer ‘lening’ en kort daarna, op 29 mei 2019 heeft [eiser in conv] een bedrag van € 2.500,00 overgeboekt naar de rekening van [gedaagde in conv] met de omschrijving ‘terugbetaling’. Hoewel [eiser in conv] dit weerspreekt, duidt dit naar het oordeel van de kantonrechter op de terugbetaling van geleend geld, zeker gezien de korte periode tussen de overboekingen op 6 mei 2019 en 29 mei 2019. Door [eiser in conv] is op de zitting weliswaar gesteld dat zij deze bedragen direct heeft doorbetaald aan derden, maar dit heeft zij op geen enkele manier onderbouwd. Bovendien stelt zij in het lichaam van de dagvaarding juist dat zij deze bedragen heeft voorgeschoten. Gelet op deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat vaststaat dat [gedaagde in conv] deze bedragen aan [eiser in conv] heeft geleend en dat [eiser in conv] een bedrag van € 2.500,00 op de lening heeft terugbetaald. Op de zitting is door [eiser in conv] nog gesteld dat zij een geluidsopname kan overleggen waaruit blijkt dat er geen sprake is van leningen. Dit is echter geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Het is immers niet duidelijk wat er dan op die geluidsopnamen te horen zou zijn. Het is bovendien onduidelijk waarom deze niet eerder in het geding zijn gebracht, nu de vordering op deze grond door [gedaagde in conv] in de conclusie van antwoord van 1 augustus 2025 is ingesteld en de mondelinge behandeling op 2 december 2025 heeft plaatsgevonden. Er was dus alle gelegenheid voor van [eiser in conv] om dit beweerde bewijs in te brengen, maar dat heeft zij nagelaten. De kantonrechter gaat hier dan ook aan voorbij.
4.9.
De conclusie is dan ook dat de vordering van € 18.500,00 van [gedaagde in conv] in reconventie wordt toegewezen en dat de vordering van € 2.500,00 van [eiser in conv] in conventie wordt afgewezen.
De Ford Mustang
1)
De eigendomsverhoudingen van de Ford Mustang
4.10.
[eiser in conv] stelt zich op het standpunt dat de Ford Mustang voor 25% haar eigendom was en voor 75% eigendom van [gedaagde in conv] . [gedaagde in conv] heeft ook erkend dat hij deze afspraak omtrent de eigendomsverhoudingen heeft gemaakt. Hij doet echter een beroep op vernietiging van deze afspraak vanwege dwaling c.q. bedrog, op grond van dezelfde omstandigheden zoals genoemd onder 4.3. De kantonrechter oordeelt dat dit verweer om dezelfde redenen zoals genoemd onder 4.4. niet slaagt. Daarnaast is het bedrag van € 47.645,00 dat [gedaagde in conv] voor de auto heeft betaald bijna exact 75% van het aankoopbedrag van de Ford. Dit duidt ook op de omstandigheid dat partijen deze eigendomsverhoudingen zijn overeengekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het dan ook vast dat de auto 25% eigendom was van [eiser in conv] en 75% eigendom van [gedaagde in conv] .
2)
‘Lening’ Ford Mustang
4.11.
[gedaagde in conv] stelt dat het bedrag van € 47.645,00, welke hij heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening, een lening aan [eiser in conv] betrof voor de aankoop van de auto. Hij vordert dit bedrag dan ook terug.
4.12.
Dat deze betaling een lening aan [eiser in conv] betrof blijkt naar het oordeel van de kantonrechter nergens uit. Er staat bijvoorbeeld niet als betalingsomschrijving bij de overboeking ‘lening’ vermeld. Zoals hiervoor ook reeds geoordeeld is het bedrag van de overboeking bijna exact 75% van de aankoopprijs en staat het vast dat de eigendomsverhoudingen van de auto 25%/75% bedragen. Deze vordering van [gedaagde in conv] wordt dan ook afgewezen.
3)
Verdeling kosten Ford Mustang
4.13.
[eiser in conv] stelt dat partijen ten aanzien van de gemaakte kosten voor de auto een 50/50 verdeling zijn overeengekomen. [gedaagde in conv] betwist dit en stelt dat [eiser in conv] verantwoordelijk is voor alle kosten van de auto omdat zij ook 100% eigenaar zou zijn van de auto. Zoals hiervoor geoordeeld kan de afspraak omtrent de eigendomsverhoudingen van de auto niet worden vernietigd en ontbreekt de onderbouwing aan de kant van [gedaagde in conv] waarom [eiser in conv] 100% van de kosten voor de auto moet dragen. De kantonrechter neemt derhalve als uitgangspunt dat de kosten voor het onderhoud van de auto 50/50 bedragen.
4)
Inruilwaarde Ford Mustang
4.14.
[eiser in conv] heeft de auto op 27 maart 2025 ingeruild tegen een bedrag van € 30.330,45. Gelet op de eigendomsverhoudingen komt 75% van dit bedrag toe aan [gedaagde in conv] . Dit betekent dat [gedaagde in conv] recht heeft op een bedrag van € 22.747,83. [eiser in conv] heeft dit bedrag reeds in mindering gebracht op haar vordering.
5)
De autoverzekering
4.15.
[eiser in conv] heeft gesteld en onderbouwd dat zij gedurende de relatie een bedrag van € 2.050,80 voor de autoverzekering heeft betaald. Dit is niet door [gedaagde in conv] betwist. Gelet op het feit dat ieder voor de helft in de kosten voor de auto moet bijdragen, wordt de vordering van [eiser in conv] in conventie van € 1.025,04 ten aanzien van de kosten voor de verzekering toegewezen.
6)
De autobanden
4.16.
Voorgaande betekent ook dat [eiser in conv] haar vordering terecht met € 440,00 heeft verminderd. [gedaagde in conv] heeft immers de kosten voor de aanschaf van autobanden van € 880,00 betaald, waardoor hij recht heeft op betaling van 50% van deze kosten, zijnde € 440,00.
7)
De tweede autosleutel
4.17.
[eiser in conv] vordert betaling van € 595,01. Bij inruil van de Ford Mustang moest zij de auto afleveren met twee autosleutels. Zij heeft toen een nieuwe tweede autosleutel moeten aanschaffen omdat [gedaagde in conv] deze tweede sleutel nog in zijn bezit had en niet wilde of kon afgeven, aldus [eiser in conv] . [eiser in conv] stelt dat zij deze sleutel op 31 augustus 2024 aan [gedaagde in conv] heeft overhandigd. Zij heeft hierbij ook een verklaring overgelegd van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) die dit bevestigt.
4.18.
De kantonrechter overweegt dat [eiser in conv] door de overgelegde verklaring van [naam 1] voldoende heeft onderbouwd dat zij deze sleutel op 31 augustus 2024 aan [gedaagde in conv] heeft overhandigd. Omdat dit door [gedaagde in conv] onvoldoende gemotiveerd is betwist, wijst de kantonrechter de vordering van [eiser in conv] toe. Daarbij komt nog dat [gedaagde in conv] belang had bij de verkoop en dus de aanwezigheid van de tweede sleutel.
8)
De stroom
4.19.
[gedaagde in conv] stelt dat [eiser in conv] voor een bedrag van € 2.545,20 aan stroom heeft verbruikt voor het opladen van de auto. [gedaagde in conv] vordert – indien de afspraak omtrent de eigendomsverhoudingen niet wordt vernietigd – 50% van deze kosten terug, zijnde € 1.272,60. [gedaagde in conv] heeft bij zijn conclusie een productie overgelegd waaruit zou volgen dat [eiser in conv] dit bedrag aan stroom heeft verbruikt.
4.20.
De kantonrechter overweegt hierover dat uit de overgelegde productie niet kan worden afgeleid dat dat specifieke bedrag aan stroom is aangewend voor het opladen van de Ford Mustang. De kantonrechter wijst deze vordering dan ook als onvoldoende onderbouwd af.
9)
Overgemaakte kilometervergoeding
4.21.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde in conv] gedurende de relatie meerdere bedragen heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening voor in totaal een bedrag van € 5.392,87. [gedaagde in conv] stelt dat hij deze bedragen heeft overgemaakt voor het gebruik van de Ford Mustang. Op het moment dat hij deze bedragen overmaakte was hij namelijk in de veronderstelling dat de auto 100% eigendom was van [eiser in conv] . [gedaagde in conv] heeft voor deze bedragen een soort creditfactuur gemaakt op naam van zijn handelsbedrijf welke hij zou hebben verstuurd aan [eiser in conv] . Hij vordert deze bedragen als onverschuldigd betaald terug als vast komt te staan dat de eigendomsverhoudingen van de auto 25%/75% bedragen. [eiser in conv] betwist deze facturen te hebben ontvangen en zij betwist verder dat deze bedragen ten goede zijn gekomen aan haar. Daarnaast volgt volgens [eiser in conv] uit deze facturen dat [gedaagde in conv] een kilometervergoeding voor zakelijk verkeer doorbelast welke kilometers door [gedaagde in conv] zakelijk zijn gereden met de Ford Mustang.
4.22.
De kantonrechter overweegt met betrekking tot bovenstaande vordering dat de hele gang van zaken hem eerder voorkomt als een boekhoudkundige truc, te weten het ten laste van de eenmanszaak van [gedaagde in conv] brengen van privé-kosten om het resultaat te drukken. Ook is het hem volstrekt onduidelijk waarom de facturen ten laste zijn gesteld van [eiser in conv] . Hierdoor lijkt het dat [eiser in conv] de in rekening gebrachte bedragen moet betalen, terwijl de stelling van [gedaagde in conv] is dat hij ze aan [eiser in conv] moest betalen. Bovendien kan uit de betalingen zelf niet worden afgeleid dat deze zijn bedoeld ter betaling van de gereden kilometers door [gedaagde in conv] in de Ford Mustang. De vordering wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Factuur beveiligingswinkel
4.23.
[eiser in conv] vordert betaling van € 211,10. [eiser in conv] heeft op de zitting gesteld dat haar vader een factuur van de beveiligingswinkel van € 211,10 heeft betaald ten behoeve van [gedaagde in conv] . Volgens [eiser in conv] heeft [gedaagde in conv] toegezegd dit bedrag aan [eiser in conv] terug te betalen. [gedaagde in conv] betwist dit en stelt dat hij deze factuur zelf heeft betaald.
4.24.
De kantonrechter overweegt als volgt. Omdat [eiser in conv] stelt dat haar vader dit bedrag aan [gedaagde in conv] heeft betaald en nergens uit blijkt dat [eiser in conv] in de vordering van haar vader is gesubrogeerd, wijst de kantonrechter de vordering af.
Diverse vorderingen [gedaagde in conv]
1)
Betaling diverse bouwmaterialen
4.25.
[gedaagde in conv] stelt dat hij diverse goederen heeft betaald voor het andere huis van [eiser in conv] . Hij vordert terugbetaling van deze bedragen. De kantonrechter zal de overgelegde facturen hieronder nalopen.

Factuur Hormes € 7,10 en factuur AD v.d. Oever € 8,26
4.26.
De kantonrechter wijst deze vorderingen af omdat nergens uit blijkt dat [gedaagde in conv] deze kosten voor [eiser in conv] heeft betaald.

Factuur Hormes € 336,51
4.27.
[eiser in conv] stelt dat de materialen genoemd op de factuur van Hormes door [gedaagde in conv] aan [eiser in conv] zijn doorbelast via een factuur van [gedaagde in conv] van € 665,50. Dit laatstgenoemde bedrag heeft [eiser in conv] op 17 november 2020 aan [gedaagde in conv] betaald. [gedaagde in conv] heeft betaling van dit bedrag erkend, reden waarom deze vordering wordt afgewezen.

Factuur Kremers € 434,15
4.28.
[eiser in conv] erkent dat [gedaagde in conv] het isolatiemateriaal dat op deze factuur in rekening is gebracht voor haar heeft gekocht. Zij stelt echter dat [gedaagde in conv] deze materialen weer heeft teruggenomen en heeft doorverkocht aan een derde. [gedaagde in conv] betwist dit en [eiser in conv] heeft haar stelling niet verder onderbouwd. De vordering van [gedaagde in conv] is daarom in beginsel toewijsbaar. De vordering wordt echter exclusief btw toegewezen omdat door [eiser in conv] is gesteld dat [gedaagde in conv] de btw kan terugvorderen nu de factuur op naam van zijn bedrijf staat. Dit is niet door [gedaagde in conv] betwist. Er wordt daarom een bedrag van € 345,00 toegewezen.

Factuur Bask € 2.275,00, factuur Heurkens € 571,87 en factuur Wood € 453,33
4.29.
[eiser in conv] stelt dat zij de factuur van Bask exclusief btw, zijnde een bedrag van € 1.880,17, op 16 maart 2022 heeft overgemaakt op de gezamenlijke rekening. De factuur van Wood heeft zij exclusief btw overgemaakt op de gezamenlijke rekening op 29 juli 2022. De factuur van Heurkens heeft de vader van [eiser in conv] exclusief btw op 1 september 2022 naar de gezamenlijke rekening van partijen overgemaakt.
4.30.
Dat deze bedragen zijn overgemaakt wordt op zichzelf niet door [gedaagde in conv] betwist. Hij voert daarover echter aan dat hij geen pasje had van de gezamenlijke rekening. Dit verweer kan hem echter niet baten. Ondanks de omstandigheid dat hij mogelijk niet bij de rekening kon, kan het best zijn dat deze bedragen aan hem ten goede zijn gekomen. Bovendien vonden partijen het op dat moment kennelijk goed dat op deze manier bevrijdend op de factuur kon worden betaald. De kantonrechter wijst de vorderingen dan ook af.

Factuur Wood € 2.639,44
4.31.
[eiser in conv] stelt dat zij deze factuur heeft verrekend met het bedrag dat [gedaagde in conv] nog aan [eiser in conv] moest betalen ten behoeve van de aankoop van de Ford Mustang. De kantonrechter kan [eiser in conv] niet volgen in deze stelling. Zij heeft immers zelf gesteld dat [gedaagde in conv] 75% eigenaar was van de Ford en zij 25%. Dit staat naar het oordeel van de kantonrechter ook vast. Verder staat vast dat [gedaagde in conv] bijna exact 75% (€ 47.645,00) van het aankoopbedrag van de auto (€ 63.876,00) heeft bijgedragen. Indien [gedaagde in conv] € 2.231,00 euro te weinig aan de auto zou hebben bijgedragen, zoals [eiser in conv] stelt, had [gedaagde in conv] voor meer dan 75% eigenaar moeten zijn. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser in conv] deze factuur ten onrechte heeft verrekend, reden waarom zij deze nog verschuldigd is. Het gevorderde bedrag wordt dan ook toegewezen, zij het exclusief btw omdat [gedaagde in conv] de btw kan aftrekken. Het toegewezen bedrag bedraagt derhalve € 2.181,35.
2)
Telefoonkosten
4.32.
[gedaagde in conv] stelt dat hij jarenlang de abonnementskosten voor de telefoon van [eiser in conv] heeft betaald en vordert daarom betaling van € 733,96. [eiser in conv] betwist deze kosten verschuldigd te zijn omdat het gaat om abonnementskosten ten behoeve van een mobiele telefoon waar iedereen binnen het gezin gebruik van kon maken.
4.33.
De kantonrechter wijst deze vordering af. Uit de overgelegde stukken kan hij niet afleiden dat [gedaagde in conv] deze kosten heeft betaald ten behoeve van [eiser in conv] . Door [gedaagde in conv] is dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld om de vordering te kunnen toewijzen.
3)
Hondenren en kunstgras
4.34.
[gedaagde in conv] stelt dat [eiser in conv] bij het verhuizen naar haar nieuwe woning een aan de garage vastzittende hondenren met kunstgras uit zijn woning heeft verwijderd en meegenomen. De schade die [gedaagde in conv] hierdoor heeft geleden bedraagt € 1.400,00 en hij vordert betaling van dit bedrag. [eiser in conv] stelt hierover dat haar vader dit bedrag op 22 augustus 2020 contant aan [gedaagde in conv] heeft betaald. Zij heeft daarbij ook pintransacties overgelegd van haar vader waaruit volgt dat hij op 22 augustus 2020 één keer een bedrag van € 1.000,00 heeft gepind en één keer een bedrag van € 300,00. Mocht zij het bedrag toch verschuldigd zijn dan kan dit nooit meer dan € 1.157,00 bedragen omdat [gedaagde in conv] de btw kan aftrekken bij de belastingdienst, aldus [eiser in conv] .
4.35.
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de reactie van [eiser in conv] kan worden afgeleid dat zij erkent dat zij dit bedrag moet betalen en zij stelt ook dat haar vader dit bedrag reeds aan [gedaagde in conv] heeft betaald. [gedaagde in conv] betwist deze betalingen te hebben ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de enkele omstandigheid dat de vader van [eiser in conv] op enig moment geld heeft gepind niet worden afgeleid dat dit geld vervolgens is betaald aan [gedaagde in conv] voor het meenemen van het kunstgras en de ren. [eiser in conv] heeft nog aangeboden dit te bewijzen door middel van een getuigenverklaring van haar vader, maar de kantonrechter passeert dit aanbod. Het bewijsaanbod is niet concreet genoeg nu [eiser in conv] niet heeft gesteld op welke wijze en op welk moment precies contant is betaald. De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat dit bedrag reeds door [eiser in conv] dan wel haar vader is betaald. Omdat [eiser in conv] niet betwist dat ze dit bedrag aan [gedaagde in conv] verschuldigd is, wordt de vordering toegewezen tot een bedrag van € 1.157,00. Door [gedaagde in conv] is immers niet betwist dat hij de btw kan terugvorderen.
4)
Kosten vervangen sloten
4.36.
[gedaagde in conv] stelt zich op het standpunt dat [eiser in conv] heeft nagelaten om de huissleutel van de woning van [gedaagde in conv] na het einde van de relatie aan hem terug te geven. Om die reden heeft [gedaagde in conv] alle sloten van zijn woning moeten vervangen. De kosten hiervan bedragen € 122,49 en hij vordert betaling van dit bedrag. [gedaagde in conv] heeft daarbij twee afschriften van zijn bank overgelegd.
4.37.
De kantonrechter is het met van [eiser in conv] eens dat uit de overgelegde afschrijvingen niet valt af te leiden dat deze bedragen zijn gebruikt voor het vervangen van de sloten. De vordering wordt om die reden als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
5)
Benzinekosten
4.38.
[gedaagde in conv] stelt dat hij voor een bedrag van € 919,00 aan benzine heeft betaald voor de vorige auto van [eiser in conv] . Hij heeft daartoe verschillende tankbonnen overgelegd.
4.39.
De kantonrechter wijst deze vordering af. Uit de tankbonnen kan de kantonrechter namelijk niet afleiden voor welke auto deze kosten zijn gemaakt.
6)
Afgifte fiets
4.40.
[gedaagde in conv] stelt dat hij tijdens de relatie twee fietsen heeft gekocht, waaronder een Amslod Wellington MRX-600 Grijs / 7Speed / 600WH (hierna: de fiets). Omdat [eiser in conv] deze fiets nog in haar bezit heeft, vordert hij afgifte hiervan. Volgens [eiser in conv] vordert [gedaagde in conv] ten onrechte afgifte van deze fiets. [gedaagde in conv] heeft namelijk op enig moment voorgesteld om haar elektrische fiets door te schuiven naar de dochter van [gedaagde in conv] in ruil voor een nieuwe elektrische fiets welke [gedaagde in conv] dan voor [eiser in conv] zou kopen. [eiser in conv] heeft toen met dat voorstel ingestemd, aldus [eiser in conv] .
4.41.
De kantonrechter overweegt hierover dat [gedaagde in conv] in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser in conv] onvoldoende heeft gesteld dat [eiser in conv] de fiets zonder rechtsgrond onder haar heeft. Zijn vordering tot afgifte van de fiets wordt dan ook afgewezen.
Tussenconclusie diverse vorderingen [gedaagde in conv]
4.42.
In totaal wordt aan kosten voor de diverse vorderingen van [gedaagde in conv] in reconventie het volgende toegewezen:
- diverse bouwmaterialen
2.526,35
- kunstgras en hondenren
+/+ 1.157,00
Totaal diverse vorderingen
3.683,35
Afgifte goederen
4.43.
[eiser in conv] stelt dat er nog meerdere goederen bij [gedaagde in conv] staan die haar eigendom zijn. Zij vordert afgifte van deze goederen op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 5.000,00. [gedaagde in conv] heeft hierover op de zitting aangegeven dat zij de spullen die van haar zijn kan komen ophalen.
4.44.
De kantonrechter zal de vordering van [eiser in conv] dan ook toewijzen voor zover [gedaagde in conv] de goederen, genoemd in de dagvaarding en de conclusie van antwoord in reconventie, in zijn bezit heeft. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu de kantonrechter hiervoor geen aanleiding ziet. Voor de praktische uitvoering van bovenstaande adviseert de kantonrechter partijen om (via hun gemachtigde) afspraken te maken over waar en wanneer [eiser in conv] de goederen kan ophalen of hoe [gedaagde in conv] deze goederen bij [eiser in conv] moet afleveren.
Wettelijke rente
4.45.
[eiser in conv] vordert een bedrag van € 457,49 aan reeds verschenen rente over een bedrag van € 12.786,02 vanaf 16 december 2024 en over een bedrag van € 595,01 vanaf 3 april 2025. Omdat niet alle vorderingen van [eiser in conv] worden toegewezen en zij in het petitum van de dagvaarding rente vordert vanaf de datum van dagvaarding, zijnde 29 april 2025, wijst de kantonrechter de reeds gevorderde verschenen rente af. De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
Buitengerechtelijke kosten
4.46.
[eiser in conv] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde in conv] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser in conv] heeft niet gesteld dat zij een aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro aan [gedaagde in conv] heeft verstuurd en deze is ook niet overgelegd. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. De kantonrechter kan namelijk niet controleren of een correcte aanmaning is verstuurd.
Eindconclusie
4.47.
Uit het voorgaande volgt dat in conventie de volgende bedragen worden toegewezen:
- aankoop goederen [eiser in conv]
35.533,85
- kosten 50% autoverzekering
1.025,04
- aanschaf tweede sleutel Ford
+/+ 595,01
Totaal
37.153,90
- verrekening autobanden
-/- 440,00
- verrekening Ford
-/- 22.747,83
Vordering [eiser in conv] op [gedaagde in conv]
13.966,07
4.48.
In reconventie wordt het volgende toegewezen:
- geleend geld aan [gedaagde in conv]
18.500,00
- diverse vorderingen [gedaagde in conv]
+/+ 3.683,35
Vordering [gedaagde in conv] op [eiser in conv]
22.183,35
4.49.
De wettelijke rente over deze bedragen wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
Proceskosten
4.50.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.51.
Dit vonnis wordt zowel in conventie als in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde in conv] om aan [eiser in conv] , tegen kwijting, te betalen een bedrag van € 13.966,07, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde in conv] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de goederen – voor zover [gedaagde in conv] deze goederen heeft – af te geven aan [eiser in conv] ,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
veroordeelt [eiser in conv] om aan [gedaagde in conv] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 18.500,00, zijnde een terugbetalingsverbintenis uit hoofde van twee geldleningen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.7.
veroordeelt [eiser in conv] om aan [gedaagde in conv] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 3.683,35, zijnde betalingsverplichtingen verband houdende met diverse vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
62956/560