ECLI:NL:RBGEL:2025:11361

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11937915 \ VV EXPL 25-72
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering van zieke werkneemster in kort geding met betrekking tot arbeidsovereenkomst en achterstallig loon

In deze zaak heeft de kantonrechter op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werkneemster en haar werkgever, waarbij de werkneemster een loonvordering heeft ingediend. De werkneemster, die ziek is, vordert betaling van achterstallig loon over de periode van januari 2025 tot en met oktober 2025, inclusief vakantietoeslag. De werkneemster is de dochter van de eigenaren van het restaurant waar zij werkt en heeft een verleden van arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs is om de urenomvang en aard van de werkzaamheden definitief vast te stellen, maar heeft wel geoordeeld dat de werkneemster recht heeft op een deel van het loon dat zij nog tegoed heeft van haar werkgever. De kantonrechter heeft de gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens zijn de proceskosten aan de werkneemster toegewezen. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de gedaagden onmiddellijk moeten betalen, ook als zij in hoger beroep gaan.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11937915 \ VV EXPL 25-72
Vonnis in kort geding van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: werkneemster,
gemachtigde: mr. M.P.J. Rubens,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2], handelend als vennoot van gedaagde sub 1,
wonende te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde sub 3], handelend als vennoot van gedaagde sub 1,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden,
gemachtigde: mr. J. Marges.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord (‘zittingsaantekeningen’) met producties 1 tot en met 6;
- de namens gedaagden overgelegde getuigenverklaring.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 2 december 2025. Verschenen zijn de heer [naam 1] , partner van werkneemster, en mr. Rubens. De heer [gedaagde sub 2] is ook verschenen, bijgestaan door mr. Marges. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3.
Vervolgens is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
Werkneemster, geboren op [geboortedatum] 1980, is een dochter van gedaagden sub 2 en 3. Zij is op 16 juni 2020 fulltime (38 uur) gaan werken bij gedaagde sub 1, het restaurant van haar ouders. In de arbeidsovereenkomst staat dat werkneemster werkzaam is als keukenhulp en als vakkracht wordt ingedeeld in functiegroep K.2.1. conform het Handboek Referentiefuncties Bedrijfstak Horeca. Het overeengekomen salaris bedroeg € 1.680 per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Van toepassing op de arbeidsovereenkomst is de horeca-cao 2020.
2.2.
Werkneemster heeft een verleden van arbeidsongeschiktheid op basis waarvan zij tot de doelgroep van WIA-gerechtigden wordt gerekend.
2.3.
Op 27 juni 2023 heeft werkneemster de volgende e-mail gestuurd aan de accountant van werkgever:
Goedemorgen [naam 2] ,
Het is besloten dat [eiseres]
Uitdienst gaat per 01 juni 2023.
Met vriendelijke groet,
[eiseres]
Stuur de mail names me vader dhr [gedaagde sub 2]
2.4.
Op 24 december 2024 heeft werkneemster het volgende WhatsApp-bericht gestuurd aan de accountant:
Hoi [naam 2] ,
Even over uren.
Graag voor 10u
Vanaf 1 december
Sorry voor zo laat melden.
Kreeg vandaag pas van SVB bericht en
moet nog alle instantie berekening doen.
Inder geval voor mij is meer regelen.
2.5.
De ouders van werkneemster hebben werkneemster op 21 april 2025 laten weten dat zij met pensioen willen gaan en de onderneming daarom per 22 april 2025 zullen staken.
2.6.
Werkneemster heeft zich op 30 april 2025 ziek gemeld (met terugwerkende kracht) vanaf 21 april 2025.
2.7.
Bij brief van 13 mei 2025 heeft de gemachtigde van werkgever te kennen gegeven aan werkneemster dat de zus van werkneemster de onderneming wil voortzetten. Tevens heeft zij werkneemster gevraagd of zij bereid is aan een beëindiging van haar dienstverband mee te werken.
2.8.
Per brief van 27 mei 2025 heeft de gemachtigde van werkneemster namens werkneemster verzocht om inschakeling van een bedrijfsarts en verzocht de loonbetaling voort te zetten en de loonbetaling te corrigeren. In een e-mail van 25 juni 2025 heeft de gemachtigde van werkgever hierop gereageerd en laten weten dat de zus van werkneemster toch afziet van overname van het restaurant.

3.Het geschil

3.1.
Werkneemster vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan werkneemster van:
Het haar toekomende loon over de periode van januari 2025 tot en met oktober 2025, verhoogd met vakantietoeslag, van € 18.386,60 bruto.
De wettelijke boete (de kantonrechter begrijpt: verhoging) over het onder 1. gevorderde bedrag van € 9.193,00.
De wettelijke rente over het gevorderde.
Het loon gedurende de resterende duur van de arbeidsongeschiktheid.
De proceskosten.
3.2.
Werkneemster legt aan de vordering - samengevat - ten grondslag dat sprake is van achterstallig loon. Hoewel in december 2024 andere afspraken op papier zijn gemaakt, stelt dat zij altijd fulltime (38 uur per week) in dienst is geweest bij werkgever en op basis van die arbeidsomvang uitbetaald had moeten worden. Vanaf december 2024 is haar loon deels wit (10 uur per week bruto), deels zwart (€ 100,00 per dag netto) uitbetaald en vanaf 22 april 2025 is de loonbetaling beperkt door de bruto betaling. Hierdoor heeft werkneemster onvoldoende inkomen om in haar levensonderhoud (en dat van haar kinderen) te voorzien. Zij heeft zich daarom genoodzaakt gezien deze procedure te starten.
3.3.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering. Zij betwisten dat werkneemster altijd een fulltime dienstverband heeft gehad en stellen zich op het standpunt dat de vorderingen als onvoldoende onderbouwd moeten worden afgewezen. Mocht de kantonrechter van oordeel zijn dat gedaagden wel enig bedrag aan achterstallig loon verschuldigd zijn aan werkneemster, dan doen zij een beroep op matiging van de wettelijke verhoging tot 10%.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of werkneemster ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Werkneemster heeft een spoedeisend belang
4.2.
De spoedeisendheid van een loonvordering vloeit in beginsel voort uit de aard van die vordering. In deze zaak is geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Werkneemster is immers voor haar levensonderhoud afhankelijk van de loonbetaling.
De loonvordering
4.3.
Gelet op wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken is in het kader van deze kortgedingprocedure op basis van de stellingen van partijen niet meer in geschil dat werkgever over de periode januari tot en met april 2025 aan haar loonverplichting heeft voldaan. Volgens de eigen stellingen van werkneemster werden er in die periode netto betalingen verricht. Of er daarnaast nog enige vordering is over de periode januari tot en met april 2025 kan in kort geding in elk geval niet worden vastgesteld. Ter zitting heeft werkneemster de vordering in dit kort geding dan ook beperkt tot de periode vanaf mei 2025.
4.4.
Werkneemster stelt dat zij vanaf 16 juni 2020 ononderbroken bij werkgever in dienst is geweest en altijd fulltime. Volgens werkneemster werkte zij iedere dag dat het restaurant open was van circa 12.00 tot 21.30 uur. Met uitzondering van de periode tussen mei 2023 en december 2024 (toen zij na het overlijden van haar toenmalige echtgenoot in verband met arbeidsongeschiktheid wat minder heeft gewerkt) heeft zij feitelijk gemiddeld wel 12 uur per dag (48 uur per week) gewerkt in het restaurant. Werkneemster heeft er echter voor gekozen haar loonvordering in deze kortgedingprocedure te beperken tot de in 2020 overeengekomen contractuele arbeidsomvang van 38 uur per week. Zij stelt dat de functie van keukenhulp, zoals in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, niet de lading dekt van de werkzaamheden die zij feitelijk altijd verrichtte. Volgens werkneemster verrichtte zij tal van werkzaamheden: zij deed vaak boodschappen en bestellingen bij leveranciers, nam bestellingen van klanten aan en verwerkte deze in de computer, zorgde voor de betalingen van klanten (regelmatig via ‘tikkies’ die zij vervolgens weer overboekte naar de rekening van het restaurant), hielp met opruimen en maakte de kassa op. Daarom stelt zij zich op het standpunt dat zij op basis van de van toepassing zijnde cao onderbetaald is.
4.5.
Gedaagden betwisten dat altijd sprake is geweest van een fulltime dienstverband. Volgens hen is werkneemster in de periode mei 2023 tot december 2024 uit dienst geweest en is zij vervolgens in december 2024 weer begonnen, op eigen verzoek voor 10 uren per week op papier. Gedaagden hadden zelf graag gezien dat partijen een 20-urige arbeidsovereenkomst waren overeengekomen, maar dat wilde werkneemster volgens hen niet. Zij betwisten dat sprake was van een dagelijkse netto betaling van € 100,00. Wel stopten de ouders van werkneemster haar af en toe geld toe om te kunnen tanken en om kleding voor de kinderen te kunnen kopen. Dit staat echter los van de door haar gewerkte uren, aldus gedaagden. Zij weerspreken de stellingen van werkneemster ten aanzien van het type en de hoeveelheid werkzaamheden die zij heeft verricht. Volgens gedaagden bestonden de werkzaamheden van werkneemster alleen uit het opnemen van bestellingen, het bedienen van klanten in het restaurant en het afrekenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaagde sub 2 verklaard niets te weten van tikkies die gestuurd zouden zijn door werkneemster. Verder betwisten gedaagden dat werkneemster zulke lange werkdagen maakte als zij in deze procedure stelt. Werkneemster kwam volgens hen meestal rond 16.00 uur bij het restaurant en ging rond 20.00 uur weer naar huis. In totaal werkte zij meestal niet meer dan 20 uur per week, aldus gedaagden.
4.6.
De kantonrechter stelt vast dat de stellingen van partijen over de feitelijke gang van zaken ver uit elkaar liggen en elkaar tegenspreken. Om goed te kunnen beoordelen hoeveel uren werkneemster werkte en wat haar werkzaamheden waren is nader onderzoek nodig, waarvoor geen ruimte is in het kader van deze kortgedingprocedure. Nu gedaagden tijdens de mondelinge behandeling wel hebben erkend dat er de afgelopen periode te weinig loon is betaald aan werkneemster zal de kantonrechter in deze procedure voorshands oordelen over welk bedrag werkneemster in ieder geval nog tegoed heeft van haar werkgever/gedaagden.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de stellingen van gedaagden vooralsnog worden afgeleid dat werkneemster verloond moest worden voor 20 uur per week. Dat zij voor méér uren verloond moest worden, zoals werkneemster stelt, kan in deze kortgedingprocedure niet worden vastgesteld. Voor zover werkneemster stelt dat haar vordering is gebaseerd op haar ‘oude’ dienstverband kan in kort geding niet worden uitgegaan van een urenomvang van 38 uur per week als contractuele, dan wel feitelijk gewerkte uren. Daar is meer onderzoek voor nodig, waarvoor in deze procedure geen plaats is. De kantonrechter zal daarom thans uitgaan van verloning van 20 uur per week.
4.8.
Ten aanzien van het uurloon van werkneemster overweegt de kantonrechter als volgt. Partijen zijn het niet eens over de te hanteren functieschaal. De kantonrechter zal in het kader van deze kortgedingprocedure uitgaat van functieschaal 3 van de cao. Werkneemster heeft weliswaar gesteld dat zij in een hogere schaal moet worden ingedeeld, maar heeft haar stellingen in dat kader, tegenover de betwisting daarvan door gedaagden, niet onderbouwd. Dat werkneemster, gezien haar arbeidsverleden, in het eindloon zit, acht de kantonrechter op basis van de stellingen van beide partijen voor de hand liggend. De kantonrechter zal daarom uitgaan van het eindloon van schaal 3.
4.9.
Voor de periode van mei 2025 tot juli 2025 bedraagt het eindloon van schaal 3
€ 2.494,77 bruto per maand voor een fulltime dienstverband (38 uur per week). [1] Omgerekend naar een 20-urige werkweek is dat € 1.313,04 bruto (€ 2.494,77 / 38 x 20) per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
Vanaf juli 2025 bedraagt het eindloon van schaal 3 € 2.519,72 bruto per maand voor een fulltime dienstverband. [2] Omgerekend naar een 20-urige werkweek is dat € 1.326,17 bruto (€ 2.519,72 / 38 x 20) per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
De kantonrechter acht voorshands aannemelijk dat dit het loon is waar werkneemster minimaal recht op heeft. Hierop dient steeds per maand in mindering te worden gebracht wat netto feitelijk is betaald. Tussen partijen is niet in geschil welke bedragen dat vanaf mei 2025 zijn geweest. Werkgever c.q. gedaagden dient/dienen zelf deze bruto/netto berekeningen te maken. De kantonrechter zal gedaagden (hoofdelijk) veroordelen tot betaling van het uit die berekening volgend (achterstallig) loon.
4.10.
Ook de toekomstige loonbetalingen dient werkgever aan werkneemster te blijven voldoen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig en onherroepelijk is geëindigd. De kantonrechter zal gedaagden daartoe ook (hoofdelijk) veroordelen.
Werkgever moet de wettelijke verhoging betalen
4.11.
Aangezien het loon te laat is betaald zijn gedaagden eveneens de wettelijke verhoging verschuldigd zoals bepaald in artikel 7:625 BW. Ter onderbouwing van hun verzoek om matiging van de wettelijke verhoging voeren gedaagden aan dat het werkneemster zelf was die per 1 december 2024 een loonafspraak wilde maken voor 10 uren in de week, terwijl werkgever graag wilde dat zij 20 uur per week in dienst zou zijn. Nog daargelaten dat werkneemster dit betwist, ziet de kantonrechter hierin echter geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. Het is immers aan werkgever om de arbeidsomvang goed te documenteren. Dat heeft zij in dit geval nagelaten en dat komt voor haar rekening en risico. De kantonrechter zal gedaagden dan ook veroordelen de wettelijke verhoging over het achterstallig salaris te betalen.
Werkgever moet de wettelijke rente betalen
4.12.
De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW wordt, nu de verschuldigdheid ervan niet (gemotiveerd) is betwist, toegewezen over het achterstallige salaris en de wettelijke verhoging als gevorderd.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
4.13.
Gedaagden zijn (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van werkneemster worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,48
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.554,48
Hoofdelijke veroordeling
4.14.
Iedere vennoot van de v.o.f. is hoofdelijk verbonden voor schulden van de vennootschap (artikel 18 Wetboek van Koophandel). Gelet daarop worden de veroordelingen (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.15.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat werkneemster dit vordert en gedaagden hier geen verweer tegen heeft gevoerd. Dit betekent dat dit vonnis meteen mag worden tenuitvoergelegd, ook als gedaagden tegen dit vonnis hoger beroep instellen.

5.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan werkneemster van het haar toekomende loon vanaf mei 2025 tot de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd, over de achterliggende periode voor zover dat nog niet is voldaan, vast te stellen conform de wijze van berekening in r.o. 4.9., te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over het te laat betaalde loon (artikel 7:625 BW) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf de datum van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.554,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
41245 \ 560

Voetnoten

1.Op basis van de Horeca-cao loontabel per 1 januari 2025.
2.Op basis van de Horeca-cao loontabel per 1 juli 2025.