In deze zaak heeft de kantonrechter op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werkneemster en haar werkgever, waarbij de werkneemster een loonvordering heeft ingediend. De werkneemster, die ziek is, vordert betaling van achterstallig loon over de periode van januari 2025 tot en met oktober 2025, inclusief vakantietoeslag. De werkneemster is de dochter van de eigenaren van het restaurant waar zij werkt en heeft een verleden van arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs is om de urenomvang en aard van de werkzaamheden definitief vast te stellen, maar heeft wel geoordeeld dat de werkneemster recht heeft op een deel van het loon dat zij nog tegoed heeft van haar werkgever. De kantonrechter heeft de gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens zijn de proceskosten aan de werkneemster toegewezen. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de gedaagden onmiddellijk moeten betalen, ook als zij in hoger beroep gaan.