ECLI:NL:RBGEL:2025:11314

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
05-188672-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel in cocaïne met bijzondere voorwaarden en gevangenisstraf

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in Arnhem uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. De verdachte, geboren in 1999 in Damascus, Syrië, werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van 1,5 kg cocaïne en voorbereidingshandelingen voor de handel daarvan. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan de ten laste gelegde feiten, waarbij de verdachte eerder al veroordeeld was voor drugsgerelateerde delicten. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de noodzaak van begeleiding en behandeling om recidive te voorkomen. De rechtbank stelde bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en controle op middelengebruik. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf omgezet in een gevangenisstraf, omdat de verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank verklaarde ook twee telefoons verbeurd die gebruikt waren bij de strafbare feiten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05.188672-25 en 05.202463-22 (tul)
Datum uitspraak : 18 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in Damascus (Syrië),
wonende aan de [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 december 2024 tot en met 19 juni 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te pleegplaats Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,575 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te pleegplaats Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door het voorhanden hebben van
- een grote hoeveelheid versnijdingsmiddel, te weten ongeveer 248,69 gram fenacetine,
- een hoeveelheid (645 euro) contant geld,
- een weegschaal met wit residu,
- een fles met donkerkleurige stroperige vloeistof,
- een schaaltje met wit poeder en/of
- verpakkingsmateriaal.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd, zij het dat volgens hem geen sprake is geweest van medeplegen.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen feit 1:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 19-21;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 192-195;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 238-243;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 december 2025.
Bewijsmiddelen feit 2 en 3:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 27-28;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 131-146;
- Rapporten NFiDENT, p. 147-153;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 december 2025.
Op grond van de genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de feiten tezamen en in vereniging heeft begaan, nu uit het dossier niet is gebleken dat er tussen verdachte en een of meer andere personen, waaronder al dan niet zijn vriendin, medeverdachte Naourah, sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging telkens worden vrijgesproken.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1
hij op
een of meertijdstippen in
of omstreeksde periode 1 december 2024 tot en met 19 juni 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft
bereid en/ofbewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op
of omstreeks19 juni 2025 te
pleegplaatsApeldoorn
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,575 kilogram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op
of omstreeks19 juni 2025 te
pleegplaatsApeldoorn
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en
/ofte bevorderen, te weten
- het opzettelijk
bereiden,bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,
en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen,
vervoermiddelen,stoffen
,engelden
en/of andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte
en/of zijn mededader(s),wist
(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door het voorhanden hebben van
- een grote hoeveelheid versnijdingsmiddel, te weten ongeveer 248,69 gram fenacetine,
- een hoeveelheid (645 euro) contant geld,
- een weegschaal met wit residu,
- een fles met donkerkleurige stroperige vloeistof,
- een schaaltje met wit poeder en
/of
- verpakkingsmateriaal.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
feit 2:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
feit 3:
Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan de proeftijd moeten volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de eis van de officier van justitie te volgen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft zich gedurende ruim zes maanden schuldig gemaakt aan handel in cocaïne. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van anderhalve kilo cocaïne en aan voorbereidingshandelingen voor de handel daarvan. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, vaak forse, schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers ervan. Verslaving aan verdovende middelen zorgt in veel gevallen niet alleen voor ernstige maatschappelijke en financiële teloorgang van de afnemers van de door verdachte verhandelde middelen, maar brengt ook vaak hun directe omgeving veel financiële en emotionele schade toe. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Er gaat veel geld om in de handel in harddrugs en die handel gaat daardoor vaak gepaard met andere vormen van (ernstige en) ontwrichtende criminaliteit. Verdachte heeft kennelijk geen boodschap gehad aan deze gevolgen, maar is er alleen op uit geweest om er financieel beter van te worden. Dit alles maakt de feiten zeer ernstig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 20 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte in 2022 tweemaal is veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten en dat deze veroordelingen onherroepelijk zijn.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 17 november 2025. Daaruit volgt dat de aanhoudende preventieve hechtenis indruk op verdachte heeft gemaakt en dat zijn intrinsieke motivatie om te werken aan gedragsverandering lijkt te zijn gegroeid. In het plan van aanpak dat verdachte samen met zijn partner heeft opgesteld beschrijft verdachte maatschappelijke geaccepteerde doelen en stelt hij niet meer met politie en justitie in aanraking te willen komen. Hij wil zijn medewerking verlenen aan een reclasseringstraject en is nu van mening dat hij de reclassering nodig heeft om hem te ondersteunen in zijn wens om niet te recidiveren. Gelet op zijn eerdere uitspraken over een eerder reclasseringstraject en zijn ambivalente responsiviteit, sluit de reclassering een
sociaal wenselijke houding niet uit. Op basis van huidig reclasseringsonderzoek acht zij reclasseringsbemoeienis noodzakelijk, als ook van meerwaarde om het risico op recidive te verminderen. Een ambulante behandeling wordt noodzakelijk geacht om te werken aan gedragsverandering. Inzet van ambulante begeleiding, die al aanwezig is, is nodig om (blijvende) stabiliteit te bewerkstelligen op de leefgebieden en verdachte ondersteuning te bieden op zowel praktisch als emotioneel gebied. De bijzondere voorwaarde omtrent het inspannen voor zinvolle dagbesteding sluit hierbij aan. Verdachte heeft structuur nodig om niet terug te vallen in delictgedrag. Daarnaast wordt controle op middelengebruik nodig geacht om meer zicht te krijgen op eventueel (problematisch) middelengebruik en hierop te interveniëren, indien nodig. Verdachte wil zijn medewerking hieraan verlenen. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
- meldplicht bij de reclassering;
- ambulante behandeling;
- dagbesteding;
- meewerken aan de inzet van ambulante begeleiding;
- meewerken aan middelencontrole.
De ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte al eerder is veroordeeld voor drugsgerelateerde delicten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die duur heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zoals neergelegd in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij heeft voor het eerst langere tijd vastgezeten en hij lijkt nu gemotiveerd te zijn om daadwerkelijk te werken aan gedragsverandering. Bovendien dreigt verdachte zijn woning te verliezen als hij nog langer in detentie verblijft.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig de eis van de officier van justitie en het verzoek van de raadsman een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die (nagenoeg) gelijk is aan het voorarrest. De rechtbank vindt het ook van belang dat verdachte de nodige begeleiding en behandeling krijgt, om het nu hoge recidiverisico zoveel mogelijk in te perken. Daarbij is een forse stok achter de deur noodzakelijk. Het moet voor verdachte, die van eerdere veroordelingen niet leek te hebben geleerd, nu zonder meer duidelijk zijn dat als hij niet meewerkt en/of opnieuw een soortgelijk strafbaar feit pleegt, hij opnieuw geruime tijd vast komt te zitten. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een hoger voorwaardelijk strafdeel – en daarmee dus ook in zijn totaliteit een hogere gevangenisstraf – op te leggen dan door de officier van justitie geëist.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de reclassering geadviseerd en zoals hierna nader omschreven in de beslissing.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. Voor de feiten waarvoor dat bevel is verleend, wordt aan verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd van langere duur dan de al in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd en evenmin een onvoorwaardelijke maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt of kan meebrengen.

8.De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de twee telefoons, een iPhone 16 Pro en een iPhone 12, die aan verdachte toebehoren en die met behulp waarvan de feiten 1 en 3 zijn begaan of voorbereid, verbeurd verklaren.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.202463-22)

De politierechter heeft verdachte op 25 november 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.
De officier van justitie vordert dat de tenuitvoerlegging van die straf wordt omgezet in een taakstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis.
De raadsman heeft bepleit om de vordering van de officier van justitie te volgen en de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Daarmee heeft hij de belangrijkste voorwaarde overtreden: geen nieuwe strafbare feiten meer plegen. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. De rechtbank wil daarmee duidelijk maken aan verdachte dat het haar menens is als zij deze voorwaarde stelt, zeker ook in de onderhavige hoofdzaak. Weer nieuwe strafbare feiten plegen betekent, als uitgangspunt: zitten.
Hier betekent zitten ook echt: (twee maanden) zitten. De rechtbank zal de nu ten uitvoer te leggen straf, anders dan de verdediging heeft verzocht, niet omzetten in een taakstraf. Dat is een gepasseerd station: verdachte heeft in de afgelopen vijf jaren al honderden uren aan taakstraffen verricht en dat heeft hem er – net zo min als de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf -kennelijk niet van weerhouden de nu bewezen verklaarde nieuwe strafbare feiten te plegen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
achttien (18) maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden:
- Verdachte meldt zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- Verdachte laat zich behandelen door een door de reclassering nader te bepalen forensisch zorgverlener. Verdachte werkt mee aan het afnemen van diagnostiek. De behandeling start wanneer de reclassering dit nodig acht en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of een opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- Verdachte werkt mee aan de inzet van ambulante begeleiding om meer inzicht te krijgen in zijn situatie en meer stabiliteit op de (praktische) leefgebieden te creëren. De ambulante begeleiding is gericht op emotionele en praktische ondersteuning;
- Verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van drugs om meer zicht te krijgen op eventueel middelengebruik en dit te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 verklaart verbeurd twee telefoons, te weten een iPhone 16 Pro en een iPhone 12;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 25 november 2022 door de politierechter van deze rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van twee maanden (parketnummer 05.202463-22);
 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar, voorzitter, mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. E.S.M. van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2025.
Mr. Van Bergen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025287582, gesloten op 23 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.