ECLI:NL:RBGEL:2025:11311

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
14429
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dodelijke verkeersongeluk door niet verlenen van voorrang op gevaarlijke kruising

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een dodelijk verkeersongeluk op 2 oktober 2024 in Laag-Keppel, gemeente Bronckhorst. De verdachte, bestuurder van een bedrijfsauto, heeft op de kruising van de Eldrikseweg met de IJsselweg geen voorrang verleend aan een van rechts komende fietser, wat resulteerde in een aanrijding waarbij de fietser, genaamd [slachtoffer], om het leven kwam. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een snelheid van ongeveer 68 km/u reed, terwijl de maximumsnelheid 60 km/u was. Tijdens de zitting werd duidelijk dat het ongeval plaatsvond onder slechte weersomstandigheden, namelijk in het donker en tijdens regen. De officier van justitie stelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan aanmerkelijke onvoorzichtigheid, terwijl de verdediging aanvoerde dat er geen sprake was van aanmerkelijke schuld. De rechtbank oordeelde dat, hoewel de verdachte een verkeersovertreding had begaan, er geen sprake was van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit, maar verklaarde wel bewezen dat hij gevaar op de weg had veroorzaakt door geen voorrang te verlenen. Uiteindelijk werd er geen straf of maatregel opgelegd, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en de impact op de verdachte en de nabestaanden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/014429-25
Datum uitspraak : 19 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
Raadsman: mr. A.C. Huisman, advocaat in Deventer.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Laag-Keppel, gemeente Bronckhorst als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Eldrikseweg, op de kruising met de IJsselweg,
zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl het donker was en/of
terwijl het regende en/of
terwijl voor voornoemde kruising aan de rechterzijde van de weg (vanuit de rijrichting van de verdachte) het waarschuwingsbord J8 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende gevaarlijke kruispunt was geplaatst en/of
terwijl het zicht van verdachte naar rechts (deels) werd belemmerd,
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 68 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 60 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 15 van voornoemd reglement een voor hem van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement de snelheid van zijn voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voornoemde fietser die van rechts dicht genaderd was, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Laag-Keppel, gemeente Bronckhorst als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Eldrikseweg, op de kruising met de IJsselweg,
terwijl het donker was en/of
terwijl het regende en/of
terwijl voor voornoemde kruising aan de rechterzijde van de weg (vanuit de rijrichting van de verdachte) het waarschuwingsbord J8 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende gevaarlijke kruispunt was geplaatst en/of
terwijl het zicht van verdachte naar rechts (deels) werd belemmerd,
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 68 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 60 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 15 van voornoemd reglement een voor hem van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement de snelheid van zijn voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voornoemde fietser die van rechts dicht genaderd was, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is gekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Laag-Keppel, gemeente Bronckhorst als bestuurder van een bedrijfsauto rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Eldrikseweg, op de kruising of splitsing van die weg met de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de IJsselweg, een voor hem van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend, immers die bestuurder niet in staat heeft gesteld ongehinderd de Eldrikseweg weg te vervolgen, waarbij
letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.​​​​
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 2 oktober 2024 heeft een ongeval plaatsgevonden op de Eldrikseweg, ter hoogte van de kruising met de IJsselweg, in Laag-Keppel, binnen de gemeente Bronckhorst. Beschreven is dat het een T-kruising betreft, waar geen voorrangsregeling geldt en dat het ten tijde van het ongeval donker was en regende. De maximumsnelheid is 60 km/uur. Op de Eldrikseweg is verkeersbord model J08 van bijlage 1 van het RVV 1990
(toevoeging rechtbank: gevaarlijke kruising)geplaatst.
Als vermoedelijke toedracht is in het proces-verbaal vermeld dat verdachte in een bedrijfsauto vanuit de richting Doetinchem over de Eldrikseweg reed in de richting van Angerlo. [slachtoffer] reed op een elektrische fiets over de IJsselweg in de richting van de Eldrikseweg. Op de kruising kreeg [slachtoffer] geen voorrang van [verdachte] , met een aanrijding tot gevolg. Hierbij kwam [slachtoffer] te overlijden. [2]
Op basis van de verkregen videobeelden van het incident is een indicatieve gemiddelde snelheid bepaald over twee trajecten. Uit de berekeningen van het beeldmateriaal van camera 8 bleek dat de bestuurder van het voertuig reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van 69 km/u en uit het beeldmateriaal van camera 1 bleek dat de bestuurder van het voertuig reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van 68 km/u. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit in die zin dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van het primaire feit moet worden vrijgesproken omdat geen sprake is geweest van aanmerkelijke schuld. Hij heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het subsidiaire en het meer subsidiaire feit.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Daarvoor moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW kan niet alleen worden afgeleid uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.
Verdachte heeft verklaard dat hij de zijweg heeft ingekeken en toen de fietser niet heeft gezien. Twee tot drie seconden later zag hij een lampje. [4] Verdachte ging direct op de rem en probeerde uit te wijken naar links. [5]
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verdachte de zijweg wel heeft ingekeken en hij de fietser toen niet heeft gezien. Toen hij de fietser wel zag, heeft hij onmiddellijk geremd en geprobeerd uit te wijken. Hoewel de gevolgen ernstig en zeer ingrijpend zijn, vindt de rechtbank de enkele verkeersovertreding van verdachte in de gegeven omstandigheden naar haar aard en ernst op zichzelf onvoldoende om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank overweegt nog dat verdachte weliswaar iets harder heeft gereden dan ter plekke was toegestaan, maar ook als hij zich aan de maximumsnelheid zou hebben gehouden, zou een aanrijding onvermijdelijk zijn geweest. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.
De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW 1994. Om tot een veroordeling te kunnen komen voor dat artikel is vereist dat de gedraging van verdachte zodanig is geweest dat daardoor gevaar op de weg is veroorzaakt, of kon worden veroorzaakt of het verkeer is gehinderd, of kon worden gehinderd. Hierbij is het enkel maken van een verkeersfout niet voldoende. Er moet minimaal een zekere mate van concreet gevaar scheppend dan wel hinderend gedrag zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW door geen voorrang te verlenen aan de van rechts komende fietser. Verdachte kan in zoverre een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het door verdachte veroorzaakte gevaar heeft zich daadwerkelijk gemanifesteerd en geleid tot een ongeval waarbij [slachtoffer] is komen te overlijden. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks2 oktober 2024 te Laag-Keppel, gemeente Bronckhorst als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Eldrikseweg, op de kruising met de IJsselweg,
terwijl het donker was en
/of
terwijl het regende en
/of
terwijl voor voornoemde kruising aan de rechterzijde van de weg (vanuit de rijrichting van de verdachte) het waarschuwingsbord J8 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende gevaarlijke kruispunt was geplaatst
en/of
terwijl het zicht van verdachte naar rechts (deels) werd belemmerd,
- heeft gereden met een snelheid van
(ongeveer
) minimaal68 km/uur,
althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 60 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 15 van voornoemd reglement een voor hem van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend en
/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement de snelheid van zijn voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij
die weg en/ofvoornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was
/warenen
/of
- is gebotst tegen
, althans in aanrijding gekomen metvoornoemde fietser die van rechts dicht genaderd was, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is gekomen,
door welke gedraging
(en
)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt
, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair:overtreding van artikel 5 WVW 1994.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat gelet op de schuldgradatie, de omstandigheid dat verdachte alle verantwoordelijkheid neemt en geen strafblad heeft en ook met inachtneming van de uitkomst van het mediationtraject tussen hem en de nabestaanden een strafoplegging geen daadwerkelijk doel meer dient.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft op 2 oktober 2024 geen voorrang verleend aan de heer [slachtoffer] , die als gevolg van de aanrijding met de bedrijfsbus van verdachte is overleden. Dat is een werkelijkheid waar zowel verdachte als de nabestaanden mee moeten leven. De echtgenote en zonen van de heer [slachtoffer] hebben in het kader van mediation met verdachte gesproken. Hoewel het voor hen een groot gemis is dat hun man en vader niet meer leeft, hebben zij destijds laten weten dat verdachte genoeg is gestraft en dat ze hopen dat justitie mild zal oordelen. Verdachte heeft tijdens dat gesprek en ook ter zitting naar voren gebracht dat hij in eerste instantie heeft geprobeerd de draad weer op te pakken, maar dat hij een steeds korter lontje kreeg en volledig is ingestort nadat hij het politiedossier ontving. Hij heeft enkele gesprekken gevoerd bij GGZ en is sinds september weer aan het werk.
De rechtbank overweegt dat de door verdachte gemaakte verkeersfout zeer grote gevolgen heeft gehad, maar ziet ook dat hij niet is weggelopen voor die gevolgen. Ook is verdachte zowel voor als na het ongeval niet met politie of justitie in aanraking geweest.
Alles overwegende zal de rechtbank bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

8.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. J.M.J.M. Doon en mr. A.T.G. van Wandelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, basisteam Achterhoek-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 202412181101, gesloten op 21 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal misdrijf, p. 9-14 en Proces-verbaal FO verkeer, p. 27.
3.Proces-verbaal snelheid op basis van videobeelden, p. 61.
4.Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 8 december 2025.
5.Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 132.