ECLI:NL:RBGEL:2025:11302

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/05/433157 / FA RK 24-872
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van de huwelijksgemeenschap en de vraag naar partiële verdeling van aandelen in vennootschappen

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een vrouw en een man over de verdeling van hun huwelijksgemeenschap na echtscheiding. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen op 2 juni 2023 zijn gescheiden en dat de gemeenschap van goederen op dat moment is ontbonden. De vrouw heeft verzocht om een partiële verdeling van de aandelen in twee vennootschappen, terwijl de man betwist dat er al een partiële verdeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat er op 5 december 2024 geen partiële verdeling van de aandelen tot stand is gekomen, omdat partijen het niet eens waren over de financiële consequenties van de verdeling. De rechtbank heeft de aandelen aan de man toegewezen tegen een waarde van € 650.000, waarbij de man de helft van deze waarde aan de vrouw moet vergoeden. Daarnaast heeft de rechtbank de verdeling van de inboedel, bankrekeningen, auto’s, en andere vermogensbestanddelen vastgesteld. De rechtbank heeft ook geoordeeld over de onderhoudskosten van de woning en de gebruiksvergoeding die de vrouw aan de man moet betalen. De man is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.779 aan de vrouw voor door haar betaalde onderhoudskosten, en de vrouw moet een bedrag van € 750 aan de man betalen voor kosten van foto’s en opnames door de makelaar. De proceskosten worden gecompenseerd, wat betekent dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/433157 / FA RK 24-872
Datum uitspraak: 18 december 2025
beschikking afwikkeling huwelijksvermogensregime
in de zaak van
[verzoekster](hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.G.M. ter Avest te Utrecht,
tegen
[verweerder](hierna: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W.H. Boer te Heerde.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In de beschikking van [datum echtscheidingsbeschikking] [1] heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en beslissingen genomen over de verzoeken die samenhangen met de kinderen. Verder heeft de rechtbank in die beschikking bepaald dat de verzoeken over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap afzonderlijk zullen worden behandeld.
1.2.
Ten aanzien van de verzoeken over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
- het aanvullend verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling met producties
10 tot en met 18, van 8 december 2023;
- het verweerschrift van de man ten aanzien van het verdelingsverzoek van de vrouw met wijziging en aanvulling verzoeken met producties 7 tot en met 18, van
13 februari 2024;
  • het F9-formulier van de vrouw van 14 mei 2024 met gewijzigde/aanvullende verzoeken en aanvullende producties 19 tot en met 43;
  • het verweerschrift tegen de gewijzigde verzoeken van de vrouw tevens inhoudende gewijzigde/aanvullende verzoeken van de man met producties 31 tot en met 38 van 16 september 2024;
  • het verweerschrift op gewijzigd/aanvullend verzoek tevens akte indienen nadere stukken tevens aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw met producties A en
53 tot en met 64, van 14 oktober 2024;
  • het F9-formulier van de man van 28 oktober 2024 met aanvullende/gewijzigde verzoeken;
  • het F9-formulier met aanvullende producties 39 tot en met 46 van de man van
4 november 2024;
  • het F9-formulier met aanvullende producties B, 60, 65 tot en met 70 van de vrouw van 4 november 2024;
  • het F9-formulier met brief en aanvullende producties 71 tot en met 77 van de vrouw van 10 november 2024;
  • het F9-formulier met brief en een voorstel van de vrouw van 11 november 2024;
  • het F9-formulier met bijlage van de man van 12 november 2024;
  • het F9-formulier met een productieoverzicht van de vrouw van 13 november 2024.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van 14 november 2024 zijn beide partijen, in het bijzijn van hun advocaten, gehoord. Door de advocaat van de vrouw is een pleitnota overgelegd, welke zij gedeeltelijk heeft voorgedragen.
1.4.
Tijdens deze mondelinge behandeling heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat het F9-formulier van de man van 28 oktober 2024 met aanvullende/gewijzigde verzoeken en het F9-formulier van de man met aanvullende producties van 4 november 2024 tardief zijn en daarom niet mogen worden toegevoegd aan het procesdossier. De rechtbank heeft vervolgens besloten dat de betreffende door de man ingediende processtukken worden toegelaten, maar daarbij overwogen dat de vrouw nog onvoldoende gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren. Daarom heeft de rechtbank de inhoudelijke behandeling van de zaak aangehouden.
1.5.
Nadien heeft de rechtbank nog ontvangen:
  • het F9-formulier met de akte voortgang verdeling van de vrouw van 12 december 2024;
  • het F9-formulier met gewijzigde/aanvullende verzoeken en aanvullende producties 48 tot en met 54 van de man van 16 januari 2025;
  • het F9-formulier met productie 78 van de vrouw van 30 januari 2025;
  • het F9-formulier gewijzigde verzoeken van de man van 27 februari 2025;
  • het F9-formulier met de akte voortgang verdeling van de vrouw met aanvullende producties 79 tot en met 85 van 21 augustus 2025;
  • het F9-formulier met brief en producties 55 tot en met 69 van de man van
21 augustus 2025;
  • het F9-formulier met een akte reactie op de stukken van de wederpartij van de vrouw en aanvullende producties 86-101 van 18 september 2025;
  • het F9-formulier met brief van de man, een aanvullend verzoek en aanvullende producties 70 tot en met 76 van 18 september 2025.
1.6.
Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van 2 oktober 2025 zijn beide partijen, in het bijzijn van hun advocaten, gehoord. Door beide advocaten is een pleitnota overgelegd, welke zij (gedeeltelijk) hebben voorgedragen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum huwelijk] in de gemeente [plaats 1] met elkaar getrouwd in gemeenschap van goederen. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Op 2 juni 2023 is een verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend.
2.3.
De echtscheidingsbeschikking is op [datum echtscheiding] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.De verzoeken en het verweer

3.1.
De vrouw verzoekt - na wijziging en aanvulling - de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I.
primaireen verklaring voor recht af te geven dat de partiële verdeling van de aandelen in [naam onderneming 1] op 5 december 2024 tussen de deelgenoten tot stand is gekomen, zijnde dat de aandelen aan de man worden toegedeeld tegen een bedrag van € 2.124.600 onder de verplichting aan de vrouw bij de goederenrechtelijke overdracht te voldoen een bedrag van € 1.062.300;
subsidiairom de verdeling van de aandelen in [naam onderneming 1] vast te stellen en de aandelen aan de man toe te delen tegen een bedrag van € 2.124.600 onder de verplichting aan de vrouw bij de goederenrechtelijke overdracht te voldoen een bedrag van € 1.062.300;
II.
ten aanzien van de echtelijke woning
a) de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning te [adres] als volgt te gelasten:
i. de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde, de opdracht dient hiertoe te worden gegeven aan een makelaar anders dan [naam makelaar 1] ; de vraag- en laatprijs is door partijen vastgesteld op respectievelijk € 2.150.000 en € 2.000.000;
ii. de levering van de woning aan een derde zal niet eerder dan 6 maanden nadat een koopovereenkomst is gesloten plaatsvinden. Bij verkoop en levering van de woning dient uit de verkoopopbrengst de op de woning rustende (hypothecaire) geldleningen (ABN) te worden afgelost en dienen de kosten verbonden aan de verkoop te worden voldaan alsmede de eigenwoningschuld in [naam onderneming 1] . Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot een eventueel resterende (netto) opbrengst en ieder voor de helft draagplichtig voor een eventuele restschuld;
b) de man te veroordelen tot betaling van de helft van de kosten voor het verkoop klaar maken van de woning aan de vrouw, zijnde een bedrag van
€ 5.000;
c) de man te veroordelen tot betaling van de helft van de maandelijkse eigenaarslasten en hypotheekaflossing over de periode juli 2023 tot en met 31 december 2025, zijnde een bedrag van € 83.504,58, en hem tevens te veroordelen in de helft van de maandelijkse kosten en aflossing, zijnde
€ 2.627,36, vanaf januari 2026 tot de overdracht van de woning aan een derde;
d) de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 30.174,50 aan de vrouw ter voldoening van de helft van de door de vrouw betaalde onderhoudskosten aan de woning van in totaal € 60.349,50;
III.
ten aanzien van de overige vermogensbestanddelen
e) de aandelen [naam onderneming 2] te verdelen aldus dat deze aandelen aan de vrouw worden toebedeeld zonder nadere verrekening;
f) ten aanzien van de rekening courant schuld in [naam onderneming 2] van € 248.891,95 dient de man aan de vrouw een bedrag van € 124.445,98 te voldoen;
g) de auto (BMW) te verdelen met toedeling aan de man tegen een waarde van € 44.600 met voldoening aan de vouw een bedrag van € 22.300 en de man tot daartoe te veroordelen;
h) de motor met het kenteken [kenteken 1] te verdelen met toedeling ervan aan de vrouw tegen een waarde van € 500 met voldoening aan de man van de een bedrag van € 250;
i) te bepalen dat de vrouw de boot [merk boot] zal verkopen, waarna de opbrengst tussen partijen wordt gedeeld;
j) de verdeling van de saldi per de peildatum van alle door partijen aangehouden bankrekeningen vast te stellen aldus dat het ieder de saldi van de door hem of haar aangehouden bankrekening krijgt toegedeeld en draagplichtig is voor een eventueel negatief saldo met dien verstande dat het saldo op basis van alle bankrekeningen gezamenlijk gelijkelijk aan partijen toekomt;
k) te bepalen dat de man binnen twee weken na het wijzen van de beschikking in onderhavige kwestie alle bankafschriften van zowel zijn privé ING-rekening als de beide eerder genoemde privé KNAB-rekeningen over de periode januari 2022 tot en met naar de rechtbank begrijpt 2 juni 2023 aan de vrouw of de rechtbank zal overleggen op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag dat de man hieraan niet voldoet;
l) te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 100.000 voldoet ter compensatie van de geschatte tegoeden op zijn privé KNAB-bankrekeningen;
m) verdeling van de inboedel van de echtelijke woning met toedeling aan de vrouw tegen een waarde van € 15.000, met voldoening aan de man van een bedrag van € 7.500,- subsidiair te bepalen dat de inboedel verdeeld wordt aan de hand van een nog door de man en de vrouw in te dienen lijst. De inboedel van de kinderen blijft bij de vrouw;
n) te bepalen dat partijen het bedrag van het doorlopende krediet bij Freo ten bedrage van € 17.243 op de peildatum bij helfte dienen te dragen;
o) te bepalen dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor het geleende bedrag van hun kinderen ter hoogte van € 19.000 en dat de man en de vrouw binnen een maand na de beschikking beiden de helft van de schuld op de bankrekeningen dienen te voldoen;
IV. te bepalen dat ieder zijn eigen pensioenrechten behoudt, zonder nadere verrekening;
V. voor het overige de verzoeken van de man af te wijzen;
VI. met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt - na wijziging en aanvulling - de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen, dan wel de wijze van verdeling te gelasten als volgt:
met betrekking tot de onoerende zaak staande en gelegen aan de [adres] :
a. te bepalen dat de onroerende zaak dient te worden verkocht aan een derde;
b. te bepalen dat de vrouw de aan de heer [naam makelaar 1] op 27 september 2024 verstrekte opdracht tot dienstverlening onverkort gestand dient te blijven doen, zodat de onroerende zaak bij de heer [naam makelaar 1] in de verkoop blijft totdat deze is verkocht en notarieel is geleverd aan een derde en
primairte bepalen dat indien de vrouw de opdracht tot dienstverlening intrekt en/of daaraan andere voorwaarden verbindt dan is overeengekomen de beschikking in de plaats treedt van de voor de opdracht tot dienstverlening noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw, en
subsidiairte bepalen dat de vrouw een dwangsom verschuldigd is van € 5.000 per dag vanaf het moment dat zij genoemde overeenkomst niet onverkort gestand doet;
c. te bepalen dat de vrouw dient in te stemmen met door de heer [naam makelaar 1] gegeven en/of te geven adviezen en deze dient op te volgen, ook als dit een aanpassing van de vraag- en laatprijs betekent en
primairte bepalen dat indien de vrouw die instemming niet verleent en/of een door de heer [naam makelaar 1] gegeven advies niet opvolgt de man gemachtigd is om mede namens de vrouw die instemming met het advies ter verlenen en/of het advies op te volgen, en
subsidiairte bepalen dat de vrouw een dwangsom verschuldigd is van € 5.000 per dag vanaf het moment dat zij niet instemt met enig door de heer [naam makelaar 1] gegeven advies en/of dit advies niet opvolgt;
d. te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat de verkoopopbrengst van de onroerende zaak verminderd met de restant hypotheekschuld bij de ABN AMRO Bank dient te worden aangewend ter aflossing van de schuld van [naam onderneming 3] aan [naam onderneming 4] , waarvoor partijen in privé hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zover deze schuld nog niet op een andere wijze is voldaan en dat indien en voor zover vervolgens nog een deel van de verkoopopbrengst resteert deze restantverkoopopbrengst tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld;
e. te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de door de heer [naam makelaar 1] bij partijen in rekening te brengen kosten voor de verkoopbemiddeling ter zake de onroerende zaak en te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na het eerste verzoek van de man daartoe aan de man dient te voldoen het bedrag dat hij meer dan zijn aandeel in deze kosten voldoet, mitsdien het meerdere boven 50% van genoemde kosten en te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat de vrouw binnen 7 dagen na de in deze zaak af te geven beschikking een bedrag van € 750 aan de man dient te voldoen in verband met volledige betaling van de door de heer [naam makelaar 1] in rekening gebrachte kosten voor het maken van foto’s en opnames met een drone ad totaal € 1.500;
f. te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de kosten voor het verkoop klaar maken van de onroerende zaak ad maximaal € 10.000 en te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na het eerste verzoek van de man daartoe aan de man dient te voldoen het bedrag dat hij meer dan zijn aandeel in deze kosten voldoet, mitsdien het meerdere boven 50% van genoemde kosten;
g. te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na de in deze zaak af te geven beschikking de onroerende zaak op eerste verzoek van de heer [naam makelaar 1] dient open te stellen voor bezichtigingen, kijkdagen en/of andere activiteiten ten behoeve van de verkoop van de onroerende zaak, waarbij de heer [naam makelaar 1] dan wel zijn plaatsvervanger gerechtigd is om potentiële kopers rond te leiden e.d., een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000 per keer dat de heer [naam makelaar 1] dan wel zijn plaatsvervanger de onroerende zaak wenst te betreden voor het doen van een bezichtiging door een potentiële koper, het houden van kijkdagen en/of andere activiteiten ten behoeve van de verkoop van de onroerende zaak en de vrouw daaraan haar medewerking onthoudt;
h. te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat de vrouw met een op de onroerende zaak door een (potentiële) koper uitgebracht bod en daarbij voorgestelde leveringstermijn moet instemmen, indien dit bod hoger of gelijk is aan de op dat moment geldende laatprijs en
primairte bepalen dat als de vrouw nalaat om binnen drie dagen na het eerste verzoek van de heer [naam makelaar 1] en/of de man, om het bod te accepteren c.q. de koopovereenkomst op basis van dit bod te tekenen, de beschikking in de plaats treedt van de voor verkoop noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw tot het verkopen van de onroerende zaak en
subsidiairte bepalen dat de vrouw op het eerste verzoek van de heer [naam makelaar 1] en/of de man binnen drie dagen na dit verzoek de koopovereenkomst dient te ondertekenen, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag dat de vrouw in gebreke blijft met het tekenen van de koopovereenkomst;
i. te bepalen dat de vrouw op het eerste verzoek van de heer [naam makelaar 1] en/of de man en/of de notaris haar volledige medewerking dient te verlenen tot het tekenen van de leveringsakte en het verrichten van alle noodzakelijke leveringshandelingen conform de koopovereenkomst en
primairte bepalen dat wanneer de vrouw niet op het eerste verzoek van de heer [naam makelaar 1] en/of de man en/of de notaris overgaat tot het tekenen van de notariële leveringsakte en/of tot uitvoering van de noodzakelijke levering, de beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw tot het leveren van de onroerende zaak aan de koper en
subsidiairte bepalen dat de vrouw op het eerste verzoek van de heer [naam makelaar 1] en/of de man en/of de notaris, binnen drie dagen na dit verzoek de leveringsakte dient te tekenen en alle noodzakelijke leveringshandelingen dient te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag dat de vrouw in gebreke blijft met het verlenen van haar medewerking aan de levering;
j. te bepalen dat de vrouw de onroerende zaak uiterlijk zeven dagen voor de notariële levering van de onroerende zaak aan de koper dient te ontruimen, ontruimd te houden en te verlaten en om deze leeg en schoon op te leveren onder overhandiging van de sleutels aan de heer [naam makelaar 1] en/of de man, bij gebreke waarvan de man wordt gemachtigd de onroerende zaak te doen ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm der wet, alles op kosten van de vrouw;
k. te bepalen dat de vrouw aan de man vanaf 15 juni 2023 tot de datum van de notariële levering van de onroerende zaak aan de koper een gebruiksvergoeding verschuldigd is ten bedrage van € 1.203,76 per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding, welke gebruiksvergoeding de vrouw uiterlijk bij de notariële levering van de onroerende zaak aan de koper volledig aan de man dient te voldoen;
met betrekking tot de aandelen in de besloten vennootschap [naam onderneming 1]
l.
primairte verklaren voor recht dat tussen partijen tot op heden geen partiële verdeling van de aandelen in [naam onderneming 1] tot stand is gekomen;
subsidiairte verklaren voor recht dat - indien en voor zover de rechtbank bepaalt dat tussen partijen reeds een partiële verdeling van de aandelen van [naam onderneming 1] tot stand is gekomen – deze verdeling is vernietigd wegens benadeling van de man voor meer dan een vierde gedeelte, zoals bedoeld in artikel 3:196 BW;
m. te bepalen dat de aandelen van [naam onderneming 1] worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 650.000, onder de verplichting van de man om de helft van die waarde aan de vrouw te voldoen bij de notariële levering van de aandelen aan de man;
n. te bepalen dat de vrouw op eerste verzoek van de man haar volledig medewerking dient te verlenen aan de notariële levering van de aandelen aan de man, welke levering zal plaatsvinden door een door de man aan te wijzen notaris op zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval binnen 3 maanden na de in deze zaak af te geven beschikking en waarbij de notariskosten van die levering voor rekening komen van de man en door hem zullen worden voldaan;
o. te bepalen dat als de vrouw haar medewerking aan de levering van de aandelen aan de man niet en/of niet tijdig op het eerste verzoek van de man verleent, de beschikking in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de notariële overdracht van de aandelen aan de man, dan wel te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 5.000 per dag aan de man verschuldigd is als zij haar medewerking aan de notariële levering van de aandelen aan de man niet op het eerste verzoek van de man verleent;
met betrekking tot de aandelen in de besloten vennootschap [naam onderneming 2]
p. te bepalen dat de aandelen van [naam onderneming 2] worden toegedeeld aan de vrouw tegen een door een onafhankelijke deskundige te bepalen waarde, waarbij die deskundige ten behoeve van die waarde bepaling volledige toegang krijgt tot de administratie van [naam onderneming 2] en [naam onderneming 5] en o.a. ook rekening zal houden met eventuele verrekenbare verliezen, de vrouw de helft van de door de deskundige vastgestelde waarde aan de man dient te voldoen en de kosten van de onafhankelijke deskundige door partijen ieder voor de helft worden voldaan;
met betrekking tot de personenauto van het merk BMW en de inboedelzaken
q.
primairte bepalen dat de personenauto van het merk BMW wordt toegedeeld aan de man en dat de inboedelzaken worden toegedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
subsidiairte bepalen dat de personenauto van het merk BMW wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 31.178 en de inboedelzaken worden toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 47.523 en de vrouw ter zake aan de man een bedrag van € 23.761,50 dient te voldoen;
meer subsidiairte bepalen dat de inboedelzaken dienen te worden verkocht, de verkoopopbrengst aan partijen ieder voor de helft toekomt en partijen zelf ook een bod op de inboedelzaken mogen uitbrengen;
met betrekking tot de personenauto van het merk Mini
r. te bepalen dat de personenauto van het merk Mini dient te worden afgevoerd naar de sloop en partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn om de daaraan verbonden kosten te voldoen en te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na het eerste verzoek van de man daartoe aan de man dient te voldoen het bedrag dat hij meer dan zijn aandeel in deze kosten voldoet, oftewel het meerdere boven 50% van genoemde kosten;
met betrekking tot de motor van het merk Ducati
s. te bepalen dat de motor wordt toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 500 en dat de vrouw aan de man ter compensatie van de overbedeling een bedrag van € 250 dient te voldoen;
met betrekking tot de boot van het merk [merk boot] inclusief toebehoren en de kosten daarvan:
t. te bepalen dat de boot wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 32.500 en dat hij aan de vrouw ter compensatie van de overbedeling een bedrag van € 16.250 dient te voldoen;
u. partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor alle kosten, die gemoeid zijn met het bezit van de boot, waaronder o.a. maar niet uitsluitend de stallings- en onderhoudskosten, in de periode vanaf de peildatum tot de toedeling van de boot aan de man;
v. de vrouw binnen 14 dagen na het eerste verzoek van de man daartoe aan de man dient te voldoen het bedrag dat hij meer dan zijn aandeel in deze kosten voldoet, oftewel het meerdere boven 50% van genoemde kosten;
w. de vrouw binnen 7 dagen na de beschikking een bedrag van € 2.970,82 aan de man dient te voldoen in verband met volledige betaling door de man van de door [naam onderneming 6] na de peildatum reeds in rekening gebrachte kosten voor de stalling en het onderhoud van de boot ad totaal € 5.941,63;
met betrekking tot rekening [bankrekening 1] op naam van de man
x. te bepalen dat de bankrekening inclusief het saldo wordt toegedeeld aan de man en dat de vrouw aan de man ter compensatie van de overbedeling een bedrag van € 123,87 dient te voldoen
met betrekking tot rekening [bankrekening 2] op naam van de vrouw
y. te bepalen dat de bankrekening inclusief het saldo wordt toegedeeld aan de vrouw en dat de vrouw aan de man ter compensatie van de overbedeling een bedrag van € 569,23 dient te voldoen;
met betrekking tot rekening [bankrekening 3] op naam van de vrouw
z. te bepalen dat de bankrekening inclusief het saldo wordt toegedeeld aan de vrouw en dat de vrouw aan de man ter compensatie van de overbedeling een bedrag van € 13,20 dient te voldoen;
met betrekking tot rekening [bankrekening 4] op naam van de vrouw
aa. te bepalen dat de bankrekening inclusief het saldo wordt toegedeeld aan de vrouw en dat de vrouw aan de man ter compensatie van de overbedeling een bedrag van € 111,48 dient te voldoen;
met betrekking tot rekening [bankrekening 5] op naam van beide partijen
bb. te bepalen dat de bankrekening inclusief het saldo wordt toegedeeld aan de vrouw en dat de man aan de vrouw ter compensatie van de overbedeling een bedrag van € 69,27 dient te voldoen;
met betrekking tot de teruggaaf IB/PVV 2022 op naam van de vrouw
cc. te bepalen dat het bedrag van de teruggaaf wordt toegedeeld aan de vrouw en dat de vrouw aan de man ter compensatie van de overbedeling de helft van de teruggaaf binnen 14 dagen na ontvangst van die teruggaaf aan de man dient te voldoen onder overlegging van een kopie van de berichtgeving van de belastingdienst omtrent die teruggaaf;
met betrekking tot de honden
dd. te bepalen dat de honden aan de vrouw worden toegedeeld zonder nadere verrekening;
met betrekking tot de vorderingen van de belastingdienst
ee. te bepalen dat de vrouw de helft van de op naam van de man gestelde en/of nog te stellen aanslagen van de belastingdienst, die zien op de periode voor de ontbinding van de goederengemeenschap van partijen, binnen 14 dagen na ontvangst van kopie van die aanslagen van de man dient te voldoen;
met betrekking tot de creditcardschuld
ff. te verstaan dat de man deze schuld op zich dient te nemen en als eigen schuld dient te voldoen onder vrijwaring van de vrouw en te bepalen dat de vrouw aan de man ter compensatie ter zake een bedrag van € 1.998,68 dient te voldoen;
met betrekking tot de vorderingen van de kinderen van partijen
gg. te bepalen dat partijen ieder voor de helft binnen één maand na de datum van de in deze af te geven beschikking de door de kinderen ontvangen schenkingen van de moeder van de man - ad totaal € 19.000 - aan de kinderen dienen te voldoen op een ten name van het betreffende kind staande spaarrekening;
2. te bepalen dat aan de man uit hoofde van aan hem in privé ontvangen schenkingen een vergoedingsrecht op de huwelijksgoederengemeenschap toekomt ad totaal
€ 25.000 en te bepalen dat indien en voor zover deze vordering niet uit de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap aan de man kan worden voldaan de vrouw gehouden is een bedrag van € 12.500 aan de man te voldoen;
3. te bepalen dat de door partijen tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioenrechten conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding dienen te worden verevend en dat de vrouw binnen twee weken na de beschikking een recente uitdraai van haar pensioenoverzicht vanaf de website www.mijnpensioenoverzicht en bewijsstukken van eventuele andere ouderdomspensioenrechten dient te verstrekken aan de man op straffe van een dwangsom van € 250 per dag;
4. te bepalen dat de vrouw binnen 7 dagen na de beschikking de man dient te informeren over tot welk/wiens vermogen het pand in [plaats 2] behoort en dit onderbouwd met bewijsstukken op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag;
5. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in al haar verzoeken, althans alle verzoeken van de vrouw af te wijzen;
6. kosten rechtens.

4.De beoordeling

4.1.
Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025 heeft de man het volgende verzoek ingetrokken:
- te bepalen dat de vrouw binnen 7 dagen na de beschikking de man dient te informeren over tot welk/wiens vermogen het pand in [plaats 2] behoort en dit onderbouwd met bewijsstukken op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag.
Dit verzoek hoeft daarom niet meer beoordeeld te worden door de rechtbank.
4.2.
Beide partijen hebben tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling ook hun verzoeken over de door hen opgebouwde pensioenrechten ingetrokken. De rechtbank hoeft ook deze verzoeken daarom niet meer te beoordelen.
De verdeling van de gemeenschap van goedereren
4.3.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór
1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan.
4.4.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op
2 juni 2023 ontbonden. [2] Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
4.5.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
De woning aan de [adres] ;
De hypothecaire geldlening bij ABN AMRO met leningnummers [lening 1] en [lening 2] ;
De inboedel van de hiervoor genoemde woning;
De saldi van de volgende bankrekeningen:
  • de rekening bij ING met nummer [bankrekening 1] op naam van de man;
  • de rekening bij ING met nummer [bankrekening 2] op naam van de vrouw;
  • de rekening bij Triodos Bank met nummer [bankrekening 4] op naam van de vrouw;
  • de rekening bij ABN AMRO met nummer [bankrekening 3] op naam van de vrouw;
  • de rekening bij Triodos Bank met nummer [bankrekening 5] op naam van beide partijen;
De auto van het merk BMW type Z4 met kenteken [kenteken 2] ;
De auto van het merk Mini met kenteken [kenteken 3] ;
De motor van het merk Ducati met kenteken [kenteken 1] ;
De boot van het merk [merk boot] [kenteken 4] inclusief toebehoren;
De aandelen op naam van partijen in de besloten vennootschap [naam onderneming 1] ;
De aandelen op naam van de vrouw in de besloten vennootschap [naam onderneming 2] ;
De honden;
De aanslagen en/of teruggaven van de Belastingdienst die betrekking hebben op de huwelijkse periode tot 2 juni 2023;
Het doorlopend krediet bij Freo met contractnummer [krediet nummer] op naam van de vrouw;
De schuld van partijen aan hun kinderen;
De schuld van de creditcard met kaartnummer [creditcard nummer] .
4.7.
Tussen partijen is in geschil of de volgende goederen en schulden aanwezig waren op de peildatum en/of tot de gemeenschap behoren:
De lening eigen woning bij [naam onderneming 1] ;
De saldi van de door de man aangehouden bankrekeningen bij KNAB, waaronder in ieder geval:
  • De rekening met nummer [bankrekening 6]
  • De rekening met nummer [bankrekening 7] ;
De rekening-courantschuld(en) van partijen aan [naam onderneming 1] ;
De rekening-courantschuld van de vrouw aan [naam onderneming 2]
De woning, de hypothecaire geldlening en de (door de vrouw gestelde) lening eigen woning bij [naam onderneming 1] (posten a, b en p)
4.8.
Partijen zijn het met elkaar eens dat de woning verkocht moet worden. Niet is in geschil dat de woning op dit moment niet (langer) te koop staat, omdat de door partijen aan [naam makelaar 1] verstrekte opdracht door de vrouw is ingetrokken. De man wil dat de eerder verstrekte opdracht aan [naam makelaar 1] wordt hervat, de vrouw wil dat een andere makelaar wordt benoemd.
4.9.
De rechtbank overweegt dat de vrouw de samenwerking met [naam makelaar 1] heeft beëindigd en een (tucht)klacht over de handelswijze van de betrokken makelaar heeft ingediend. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen of [naam makelaar 1] door wil c.q. mag gaan met het verkoopproces van de woning. Daarom zal de rechtbank [naam makelaar 2] benoemen als makelaar die de verkoopopdracht ter hand zal nemen.
4.10.
Partijen zijn het eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de kosten van het verkoopklaar maken van de woning, waarbij zij onderling hebben afgesproken dat deze kosten maximaal € 10.000 mogen bedragen. Indien en voor zover een partij meer dan de helft van deze kosten voldoet, heeft die partij op grond van de wet een regresrecht op de andere partij. Partijen hebben dan ook geen belang bij hun verzoeken om dit regresrecht vast te leggen in de beschikking, reden waarom de rechtbank deze verzoeken afwijst. Voor zover de vrouw stelt dat zij inmiddels € 10.000 aan kosten heeft voldaan voor het verkoopklaar maken van de woning, zal de rechtbank dat verzoek hierna bij de verrekenvorderingen bespreken.
4.11.
De vrouw verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de woning niet eerder zal worden geleverd dan zes maanden na het sluiten van de koopovereenkomst. De rechtbank wijst dit verzoek af. De vrouw heeft inmiddels geruime tijd de gelegenheid gehad om vervangende woonruimte te zoeken en een uitgestelde leveringstermijn staat een voortvarende verkoop in de weg.
4.12.
Partijen zijn het eens dat met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO N.V. moeten worden afgelost. Verder stelt de vrouw dat partijen ten behoeve van de eigen woning een lening hebben afgesloten bij [naam onderneming 1] (hierna: de holding) Zij verzoekt de rechtbank te bepalen dat met de (resterende) verkoopopbrengst die lening moet worden afgelost. Volgens de vrouw stond er per 1 juni 2023 nog een bedrag van € 665.303 open. De man erkent dat partijen, voordat zij de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank N.V. hebben afgesloten voor de aankoop van de woning, een lening zijn aangegaan bij de holding. De man betwist bij gebrek aan onderbouwing dat partijen op de peildatum nog een bedrag verschuldigd waren aan de holding danwel dat het openstaande bedrag meer dan € 223.168 bedroeg. Volgens de man is de schuld afgelost met (onder andere) de afgesloten hypothecaire geldlening.
4.13.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de holding geen hypotheekrecht is verleend voor de betreffende geldlening, zodat de holding zich niet op grond van een hypotheekrecht met voorrang op de verkoopopbrengst kan verhalen. De rechtbank kan op basis van de overgelegde stukken niet beoordelen of partijen nog een bedrag, en zo ja welk bedrag, verschuldigd zijn aan de holding uit hoofde van de eerder verstrekte geldlening ten behoeve van de eigen woning. De vrouw heeft hiervoor, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende onderbouwing gegeven. Evenmin kan de rechtbank een oordeel geven over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een eventueel nog openstaand bedrag moet worden afgelost. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw, om te bepalen dat de lening uit de verkoopopbrengst moet worden afgelost, af.
4.14.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat de verkoopopbrengst van de onroerende zaak verminderd met de restant hypotheekschuld bij de ABN AMRO Bank dient te worden aangewend ter aflossing van de schuld van [naam onderneming 3] aan [naam onderneming 4] (hierna: [naam onderneming 4] ), waarvoor partijen in privé hoofdelijk aansprakelijk zijn, voor zover deze schuld nog niet op een andere wijze is voldaan en dat indien en voor zover vervolgens nog een deel van de verkoopopbrengst resteert deze restantverkoopopbrengst tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Ook dit verzoek wijst de rechtbank af. [naam onderneming 4] heeft executoriaal beslag gelegd op de woning. Met het executoriaal beslag kan [naam onderneming 4] zich verhalen op de verkoopopbrengst van de woning. Daarmee kan zij haar vordering innen. Dat maakt dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek, nog los van het feit dat de juridische grondslag voor zijn verzoek ontbreekt.
4.15.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de wijze van verdeling van de woning gelasten op de in het dictum vermelde wijze. Hierbij merkt de rechtbank op dat zij op grond van vaste rechtspraak naar redelijkheid en billijkheid rekening dient te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechtbank is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht. [3] De rechtbank ziet, in dat licht bezien, aanleiding om op enkele onderdelen af te wijken van de specifiek door de partijen verzochte wijze van verdeling van de woning. Hierbij weegt de rechtbank mee dat het verkoopproces onder leiding van [naam makelaar 1] moeizaam is verlopen. Dit heeft er onder meer toe geleid dat er tussen partijen een kort geding procedure is geweest en de woning uiteindelijk uit de verkoop is gehaald. Voor beide partijen is er een financiële noodzaak om de woning zo spoedig mogelijk te verkopen. Geen van partijen kan/wil de woning overnemen en er ligt executoriaal beslag op de woning door [naam onderneming 4] . Het is daarom voor partijen belangrijk dat er zo spoedig mogelijk liquide middelen vrijkomen voor de aflossing van de schuld aan [naam onderneming 4] (en eventueel andere openstaande schulden). Om die reden is het belangrijk dat het verkoopproces onder leiding van [naam makelaar 2] voortvarend wordt opgepakt en partijen hieraan hun volledige medewerking verlenen. Om zoveel mogelijk discussie tussen partijen te voorkomen, krijgt de makelaar een leidende rol in het geven van adviezen, onder meer ten aanzien van de vraag- en laatprijs en de leveringstermijn van de woning. Partijen worden geacht deze adviezen van de makelaar op te volgen.
De inboedel (post c)
4.16.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het eens geworden dat de inboedel kan worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 31.178, waarbij de man gehouden is een bedrag van € 15.589 aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal zo beslissen.
De saldi op de bankrekeningen (post d en q)
4.17.
Partijen zijn het eens danwel er is geen verweer tegen gevoerd dat:
 aan de vrouw kunnen worden toegedeeld de bankrekeningen op haar naam, te weten:
  • de rekening bij ING met [bankrekening 2] ;
  • de rekening bij ABN AMRO met [bankrekening 3] ;
  • de rekening bij Triodos met [bankrekening 4] ;
 aan de man kan worden toegedeeld de bankrekening op zijn naam, te weten:
- de rekening bij ING met [bankrekening 1] ,
 aan de vrouw kan worden toegedeeld de bankrekening op naam van beide partijen, te weten:
- rekening bij Triodos Bank met [bankrekening 5] ,
waarbij voor alle voorgaande bankrekeningen geldt dat partijen de op de peildatum (2 juni 2023) aanwezige saldi bij helfte moeten delen danwel bij helfte moeten dragen. De door de man in zijn verzoeken genoemde saldi komen niet overeen met de overgelegde bankafschriften. Het is daarom aan partijen zelf om elkaar over en weer inzage te geven in de op de peildatum aanwezige saldi en deze saldi met elkaar te verrekenen. De rechtbank zal zo beslissen.
De twee bankrekeningen van de man bij KNAB
4.18.
De vrouw stelt dat de man op de peildatum (ten minste) nog twee rekeningen op zijn naam bij KNAB aanhield, te weten de rekeningen met IBAN [bankrekening 6] respectievelijk [bankrekening 7] en zeer waarschijnlijk nog een derde rekening. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man binnen twee weken na de beschikking alle bankafschriften van deze rekeningen over de periode januari 2022 tot en met 2 juni 2023 aan de vrouw of de rechtbank zal overleggen op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag dat de man hieraan niet voldoet. Ook verzoekt de vrouw te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 100.000 voldoet ter compensatie van de geschatte tegoeden op deze rekeningen bij KNAB.
4.19.
De rechtbank overweegt als volgt. Door de man is een bevestiging vanuit KNAB (productie 54 van de man) overgelegd waarin de bank bevestigt dat de man zijn rekeningen op 17 januari 2023 heeft beëindigd. Door de vrouw is geen begin van bewijs geleverd dat deze opzegging niet alle rekeningen van de man bij KNAB betreft. De rechtbank concludeert dan ook dat de man op de peildatum geen bankrekeningen aanhield bij KNAB, zodat (de saldi op) deze rekeningen geen onderdeel uitmaken van de te verdelen gemeenschap van goederen.
4.20.
Voor zover de vrouw meent dat zij recht heeft op inzage in de bankafschriften van deze rekeningen over de periode januari 2022 tot en met 2 juni 2023 overweegt de rechtbank als volgt. Naar de rechtbank begrijpt moet het verzoek om de man te veroordelen een bedrag van € 100.000 aan de vrouw te voldoen worden begrepen in het licht van artikel 1:164 BW. Op grond van dat artikel zou de vrouw mogelijk belang kunnen hebben bij de bankafschriften over de periode 2 december 2022 tot en met 2 juni 2023 (de periode van zes maanden tot de aanvang van het geding). Op de bankafschriften van de periode daarvoor heeft de vrouw geen recht, omdat de man over die periode geen verantwoording hoeft af te leggen. In het concrete geval gaat het dus om de periode 2 december 2022 tot 17 januari 2023, omdat de rekeningen daarna zijn opgeheven.
4.21.
De vrouw stelt dat de man grote bedragen, in totaal een bedrag van € 58.650, vanuit de gemeenschap heeft overgemaakt naar de betreffende KNAB-rekeningen. Ter onderbouwing heeft de vrouw een overzicht (productie 62 van de vrouw) overgelegd. De daarin genoemde transacties naar de KNAB-rekeningen zien echter op de periode 2019, 2020 en 2021, zodat hierin geen onderbouwing kan worden gevonden voor het recht op inzage in de periode 2 december 2022 - 17 januari 2023. Omdat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom zij belang zou hebben bij inzage van de bankafschriften vanaf 2 december 2022 tot het moment van opheffen van de rekening, wijst de rechtbank het verzoek af. Evenmin heeft de vrouw voldoende onderbouwd waarom zij aanspraak zou kunnen maken op een bedrag van € 100.000 ter compensatie van de geschatte tegoeden op deze rekeningen bij KNAB. Ook dit verzoek wijst de rechtbank daarom af.
De bankrekening van de man bij ING
4.22.
Tijdens de mondeling behandeling heeft de vrouw verklaard dat het verzoek om inzage (enkel) nog betrekking heeft op de rekeningen bij KNAB, omdat de man zijn bankafschriften van ING al in het geding heeft gebracht. De rechtbank beschouwt het verzoek daarom als ingetrokken voor zover het ziet op de rekeningen bij ING.
De BMW (post e)
4.23.
Partijen zijn het eens dat de auto aan de man kan worden toegedeeld. Wel is in geschil welke peildatum dient te gelden voor de waardering van de auto. De vrouw gaat uit van de peildatum 2 juni 2023, terwijl de man tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat moet worden uitgegaan van de datum beschikking omdat de auto nu daadwerkelijk verdeeld wordt.
4.24.
De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt voor de waardering van de auto dient uitgegaan te worden van het tijdstip van de feitelijke verdeling. Dit kan anders zijn als partijen andersluidende afspraken hebben gemaakt danwel indien de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum rechtvaardigen. Van een afspraak tussen partijen om een andere peildatum te hanteren is niet gebleken. Wel ziet de rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid aanleiding om uit te gaan van een afwijkende peildatum, namelijk van 2 juni 2023. Door de vrouw is onbetwist naar voren gebracht dat de man vanaf die datum het volledige feitelijke gebruik en genot van de auto heeft gehad. De rechtbank acht het daarom redelijk dat een eventuele waardedaling of -stijging na 2 juni 2023 voor rekening en risico van de man komt.
4.25.
De vrouw stelt de waarde op 2 juni 2023 op € 44.600 op basis van de ANWB koerslijst van 23 november 2023 (productie 16 van de vrouw). De man stelt de waarde op 2 juni 2023 op € 31.178 op basis van een taxatie van de auto per 29 februari 2024 door autobedrijf [naam autobedrijf] (productie 14 van de man).
4.26.
De rechtbank gaat aan de door de man overgelegde waardebepaling voorbij, omdat die waardebepaling ziet op de inruilwaarde van de auto bij een garage. Bovendien is die waardebepaling pas uitgevoerd op 29 februari 2024. De man had toen al meer dan acht maanden het volledige gebruik en genot van de auto. Voor de vaststelling van de waarde voor de verdeling is de waarde in het economisch verkeer leidend. Die komt overeen met de waarde bij verkoop tussen particulieren. De rechtbank gaat uit van de door de vrouw aangeleverde ANWB-koerslijst, omdat die waardebepaling het meest in de buurt komt van de waarde op de peildatum. Anders dan de vrouw gaat de rechtbank echter niet uit van de vervangingswaarde maar van de op de lijst vermelde waarde bij verkoop tussen particulieren van € 41.550. De rechtbank deelt de auto daarom toe aan de man voor een bedrag van
€ 41.550, waarbij hij gehouden is een bedrag van € 20.775 aan de vrouw te vergoeden.
De Mini (post f)
4.27.
De vrouw stemt in met het verzoek van de man om te bepalen dat de auto wordt afgevoerd naar de sloop en dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn om de daaraan verbonden kosten te voldoen. De rechtbank zal zo beslissen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangeboden dat hij de auto naar de sloop zal brengen.
Het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na het eerste verzoek van de man daartoe aan de man dient te voldoen het bedrag dat hij meer dan zijn aandeel in de sloopkosten voldoet, wijst de rechtbank af wegens gebrek aan belang. Dit eventuele regresrecht vloeit immers al rechtstreeks voort uit de wet.
De motor (post g)
4.28.
Partijen hebben beiden verzocht de motor aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van € 500, waarbij de vrouw gehouden is de man een bedrag van € 250 te vergoeden. De rechtbank zal zo beslissen.
De boot (post h)
4.29.
De rechtbank zal op verzoek van de man de boot (inclusief toebehoren) aan hem toedelen, omdat de vrouw de boot niet toegedeeld wenst te krijgen. Wat betreft de waardebepaling overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid uit te gaan van de waarde van de boot op de peildatum, omdat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat de man na de peildatum het volledige gebruik en genot van de boot heeft gehad. Uit de overgelegde producties blijkt dat partijen de boot op 14 oktober 2021 hebben aangeschaft voor € 52.000 inclusief BTW (producties A20 en A21 van de vrouw). Verder blijkt uit het dossier dat [naam onderneming 6] de marktwaarde van de boot op 4 november 2024 schat op € 32.500, waarbij rekening is gehouden met de staat van de boot (productie 43 van de man). Omdat [naam onderneming 6] de marktwaarde heeft getaxeerd, gaat de rechtbank er vanuit dat de genoemde waarde inclusief BTW is. Dit betekent dat de boot tussen 14 oktober 2021 en 4 november 2024 (1.118 dagen) € 19.500 in waarde is gedaald, wat neerkomt op een waardedaling van € 17,44 per dag. Tussen de aanschafdatum van 14 oktober 2021 en de peildatum op 2 juni 2023 zit een periode van 597 dagen. Dit komt neer op een waardedaling van (597 * € 17,44 =) € 10.411,68 sinds de aanschaf van de boot. De rechtbank stelt de waarde op de peildatum daarom vast op afgerond ( € 52.000 - € 10.411,68 =) € 41.588. De rechtbank deelt de boot voor deze waarde toe aan de man, waarbij de man gehouden is een bedrag van € 20.794 aan de vrouw te vergoeden.
De aandelen in de holding (post i) en de schuld in rekening-courant (post r)
4.30.
Partijen hebben ieder de helft van de aandelen in de holding in hun bezit. Deze holding heeft een 100% deelneming in [naam onderneming 3] , die op haar beurt als deelnemingen [naam onderneming 7] (100%) en [naam onderneming 8] (100%) heeft.
Partijen vormden tot 8 december 2023 samen het bestuur van de holding en [naam onderneming 7] Vanaf 8 december 2023 is de vrouw enig bestuurder. De holding is bestuurder van [naam onderneming 3] en [naam onderneming 3] is bestuurder van [naam onderneming 8]
Is er op 5 december 2024 een partiële verdeling tussen partijen tot stand gekomen?
4.31.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of er op 5 december 2024 wel of geen overeenstemming is bereikt over de verdeling van de aandelen in de holding, in die zin dat deze aandelen aan de man zijn toegedeeld tegen een waarde van € 2.124.600 waarbij hij gehouden is de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden. De vrouw stelt dat de aandelen tussen partijen zijn verdeeld, zodat de rechtbank met betrekking tot de aandelen geen taak meer heeft. De man voert aan dat weliswaar sprake is geweest van een aanbod van de zijde van de man, maar dat dit aanbod door de vrouw niet is aanvaard en dat sprake is van een nieuw aanbod van haar kant.
4.32.
De rechtbank concludeert dat op 5 december 2024 geen partiële verdeling van de aandelen tot stand is gekomen. De rechtbank wijst daarom het primaire verzoek van de vrouw op dit punt af. Het primaire verzoek van de man om te verklaren voor recht dat tussen partijen tot op heden geen partiële verdeling van de aandelen in de holding tot stand is gekomen wijst de rechtbank toe. De rechtbank licht hierna haar oordeel toe.
4.33.
De rechtbank overweegt dat de vrouw terecht opmerkt dat in het geval van een verdeling de wet voorziet in een bijzondere regeling in titel 7 van boek 3 BW, meer in het bijzonder artikel 3:182 BW. Dat artikel bepaalt dat als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.
4.34.
Door de vrouw is vervolgens gesteld dat een verdeling in de zin van artikel 3:182 BW iets anders is dan een klassieke overeenkomst, waardoor de leerstukken van aanbod en aanvaarding niet van toepassing zijn. Dit standpunt deelt de rechtbank niet. Artikel 3:182 BW beoogt een definitie van de verdeling te geven. De verdeling is een meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandeling. De artikelen 6:213-260 BW zijn hier op dus hetzij rechtstreeks hetzij overeenkomstig van toepassing. [4] De rechtbank dient daarom te beoordelen of tussen partijen op grond van artikel 6:217 BW een overeenkomst tot stand is gekomen door een aanbod en de aanvaarding daarvan.
4.35.
De vrouw voert (desgevraagd) aan dat het aanbod van de man kan worden gelezen in zijn processtuk van 28 oktober 2024, hetgeen tijdens de zitting van 14 november 2024 is besproken, de e-mail van de (advocaat van de) vrouw aan de (advocaat van de) man van
26 november 2024 en de reactie daarop van de (advocaat van de) man aan de (advocaat van de) vrouw van 2 december 2025. Dit aanbod van de man is volgens de vrouw in haar brief van 5 december 2025 door de vrouw aanvaard.
4.36.
De rechtbank merkt op dat de e-mail van 26 november 2024 van de (advocaat van de) vrouw aan de (advocaat van de) man niet is overgelegd, zodat zij de betreffende e-mail niet bij haar beoordeling kan betrekken. De rechtbank zal de vrouw niet in de gelegenheid stellen deze e-mail alsnog over te leggen, zoals door haar tijdens de voortgezette mondelinge behandeling verzocht. Van de zijde van de man is terecht als bezwaar aangevoerd dat deze procedure al lang loopt en partijen ruim de gelegenheid hebben gehad om alle relevante stukken voorafgaand aan de zitting in te brengen. Bovendien ligt het op de weg van de vrouw, als degene die zich (naar de rechtbank begrijpt) op een overeenkomst beroept, om haar stellingen (bij een gemotiveerde betwisting zoals de man ruimschoots voor de zitting heeft gedaan) met stukken te onderbouwen. Dat de vrouw hierbij de e-mail van 26 november 2024 over het hoofd heeft gezien, komt voor haar rekening en risico.
4.37.
Voor de beantwoording van de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen is de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2013 relevant. [5] Uit deze uitspraak lijkt de vrouw af te leiden dat voor het tot stand komen van een verdeling enkel relevant is dat sprake is van wilsovereenstemming met betrekking tot het goed of de goederen die worden verdeeld en de daarbij in aanmerking te nemen waarde dan wel de voldoening van de daaruit voortvloeiende overbedelingsvergoeding. Volgens de vrouw waren partijen het hierover eens en is er dus een verdeling in de zin van artikel 3:182 BW tot stand gekomen. De overige door partijen daarbij betrokken onderwerpen zien naar hun aard niet op de verdeling als zodanig, maar zijn aan te merken als uitvoeringshandelingen, aldus de vrouw.
4.38.
De rechtbank deelt deze uitleg van de uitspraak van de Hoge Raad niet. De Hoge Raad overweegt dat het niet zo is dat in de enkele omstandigheid dat partijen de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen met wederzijdse instemming feitelijk hebben verdeeld, ligt besloten dat zij een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW zijn overeengekomen. Een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming impliceert immers niet zonder meer dat partijen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling). [6] Voor een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW is dus óók vereist dat partijen overeenstemming hebben over de financiële consequenties voor ieder van hen. De rechtbank leest in de uitspraak van de Hoge Raad voorts niet dat deze financiële consequenties enkel zien op overeenstemming over de overbedelingsvergoeding. Voorstelbaar is dat rondom een verdeling van aandelen in een besloten vennootschap (zoals [naam onderneming 1] ) er ook andere financiële consequenties essentieel zijn, in het bijzonder als het gaat om een onderneming waarover de partij aan wie de aandelen worden toegedeeld al langere tijd geen bestuurder meer is. De vrouw voert immers sinds 8 december 2023 alleen het bestuur van de holding. Uit de overgelegde stukken volgt dat de (advocaat van de) vrouw in de brief van 5 december 2024, als reactie op het aanbod van de man, onder meer als voorwaarde stelt dat de holding decharge verleent aan de vrouw. Niet is gebleken dat dit onderwerp al onderdeel uitmaakte van het aanbod van de man. Daarna heeft de (advocaat van de) man in de e-mail van 6 december 2024 aangegeven dat de vrouw aanvullende voorwaarden stelt aan de toedeling van de aandelen en van overeenstemming tussen partijen (nog) geen sprake is. De vrouw heeft naar voren gebracht dat het niet uitmaakt dat de decharge geen onderdeel uitmaakte van het aanbod van de man, omdat decharge een uitvoeringshandeling is. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Decharge is kwijting aan de bestuurder, wat betekent dat de onderneming de bestuurder niet meer intern aansprakelijk kan stellen voor schade door het gevoerde beleid. De man als opvolgend bestuurder en degene aan wie de aandelen worden toegedeeld doet daarmee (dus) afstand van vorderingen die de onderneming op de vrouw zou kunnen hebben, ook over de periode vanaf 8 december 2023 waarin de man zelf geen bestuurder meer was en niet is gekend in het gevoerde beleid. Dat is wel degelijk aan te merken als een financiële consequentie waarover tussen partijen geen overeenstemming was.
4.39.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de aandelen in [naam onderneming 1] op 5 december 2024 niet reeds zijn verdeeld. Partijen waren het op dat moment immers niet eens over alle essentiële financiële consequenties van de verdeling. Het partijdebat over onder meer dit punt liep nog en partijen hebben daarover tot op heden geen overeenstemming bereikt.
4.40.
Daar komt nog het volgende bij. De (advocaat van de) man heeft naar aanleiding van de brief van de vrouw van 5 december 2024 binnen 24 uur, namelijk op 6 december 2024 om 14.56 uur, per e-mail aan de (advocaat van de) vrouw medegedeeld dat er geen sprake was van overeenstemming omdat de vrouw aanvullende voorwaarden stelde. Voor zover de vrouw stelt dat haar tot aanvaarding strekkende antwoord van 5 december 2024 op het aanbod van de man slechts op ondergeschikte punten afweek, is de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 6:225 lid 2 BW geen overeenstemming tot stand is gekomen omdat de man onverwijld bezwaar maakte tegen de verschillen. Voor zover de vrouw een beroep heeft willen doen op de wilsvertrouwenleer geldt dat vanwege het directe protest van de man in verband met de financiële consequenties, de vrouw er evenmin op heeft mogen vertrouwen dat de man met de verdeling instemde.
Aan wie en tegen welke waarde moeten de aandelen worden toegedeeld?
4.41.
Tussen partijen is - subsidiair - niet in geschil dat de aandelen aan de man kunnen worden toegedeeld. Ook hebben beide partijen tijdens de voortgezette mondelinge behandeling bevestigd dat zij voor de waardering van de aandelen de datum van feitelijke verdeling als peildatum hanteren. De vrouw stelt de actuele waarde van de aandelen op
€ 2.124.600, de man gaat uit van een waarde van € 650.000.
4.42.
De rechtbank deelt de aandelen toe aan de man tegen een waarde van € 650.000, waarbij de man gehouden is de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
4.43.
Partijen zijn het eens dat het niet wenselijk is om een deskundige te benoemen om de waarde van de aandelen te bepalen. Dit omdat de vennootschap (volgens partijen) op de rand van een faillissement staat en het daarom noodzakelijk is om de verdeling van de aandelen op zo kort mogelijke termijn te realiseren. Door de man is een memo van 4 november 2024 met bijlagen (productie 42 van de man) van dhr. [naam 1] en mr. [naam 2] overgelegd met als onderwerp ‘waardebepaling aandelen [naam onderneming 1] en haar deelnemingen'. Er zijn door partijen geen andere onderbouwende stukken over de waarde van de aandelen overgelegd. De rechtbank neemt daarom – net als partijen zelf – deze memo als uitgangspunt bij de bepaling van de actuele waarde van de aandelen.
Activa
4.44.
In de memo worden als bezittingen van de vennootschap genoemd: de appartementen die zij in haar bezit heeft, de waarde van de deelneming in [naam onderneming 7] en de overwaarde van de verkoop van de privéwoning. Deze punten zal de rechtbank hierna bespreken.

Appartementen
4.45.
In de waardebepaling is uitgegaan van 14 appartementen in [plaats 3] tegen een waarde van elk € 335.000, zodat de totale waarde van de appartementen uitkomt op
€ 4.690.000. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat de vennootschap op dit moment nog elf appartementen in [plaats 3] in haar bezit heeft en daarnaast nog een recreatiewoning in [plaats 2] .
4.46.
Wat betreft de appartementen in [plaats 3] heeft de vrouw verklaard dat voor tien appartementen inmiddels een koopovereenkomst is gesloten, maar dat deze appartementen nog niet geleverd zijn. Acht appartementen in verhuurde staat zijn verkocht aan een belegger voor € 293.000 per appartement, één appartement is vrij van huur verkocht voor € 369.000 en één appartement is vrij van huur verkocht voor € 396.000. De rechtbank gaat van die waardes uit. Voor het resterende appartement, waarvan de vrouw onbetwist heeft verklaard dat deze eveneens vrij van huur is, gaat de rechtbank uit van het gemiddelde van de twee andere appartementen dus (€ 369.000 + € 396.000 / 2 =) € 382.500. Dit maakt dat de totale actuele waarde van de elf appartementen in [plaats 3] uitkomt op € 3.491.500.
4.47.
De vrouw heeft de waarde van de recreatiewoning in [plaats 2] gesteld op
€ 120.000. Door de man is geen concrete waarde gesteld, zodat de rechtbank aansluit bij de door de vrouw genoemde waarde.
4.48.
Het voorgaande maakt dat de totale waarde van de vastgoedportefeuille van de vennootschap uitkomt op (€ 3.491.500 + € 120.000 =) € 3.611.500.

Deelneming [naam onderneming 7]
4.49.
In de memo is de deelneming in [naam onderneming 7] gewaardeerd op € 325.000. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw bevestigd dat deze waarde reëel is. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat deze waarde in de nabije toekomst mogelijk hoger wordt vanwege een mogelijke vordering op de gemeente [plaats 3] , gaat de rechtbank hieraan voorbij omdat geen rekening kan worden gehouden met toekomstige, onzekere omstandigheden. De rechtbank gaat daarom uit van een waarde van de deelneming van
€ 325.000.

Overwaarde verkoop privéwoning
4.50.
In de waardering is ook een post van € 612.000 opgenomen als verwachte overwaarde uit de verkoop van de woning. Dit in de kennelijke verwachting dat er uit de verkoop van de echtelijke woning een overwaarde vrijkomt die vloeit in het ondernemingsvermogen van de holding omdat met de overwaarde de schuld aan [naam onderneming 4] en/of eventuele andere schulden van partijen aan de holding worden afgelost. De rechtbank neemt deze post niet mee bij de waardering van de activa van de holding. Het is immers nog onbekend wat de overwaarde van de woning gaat zijn en of die overwaarde zal worden aangewend voor de aflossing van de schuld(en) die partijen bij de holding hebben.
4.51.
Het voorgaande maakt dat de actuele waarde van de activa door de rechtbank wordt bepaald op (€ 3.611.500 + € 325.000 =) € 3.936.500.
Passiva
4.52.
Op de waarde van de activa komt in mindering de waarde van de passiva. Conform de memo bestaan de passiva uit de hypotheekschuld bij Domivest en de lening bij [naam onderneming 4] .

Hypotheek Domivest
4.53.
De hypothecaire geldlening is opgenomen voor een bedrag van € 2.040.000. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat elk appartement belast is met een hypotheek van € 170.000, hetgeen niet door de man is betwist. Omdat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de vennootschap op dit moment 11 appartementen in eigendom heeft, gaat de rechtbank uit van een huidige hypotheekstand van (11 * € 170.000=)
€ 1.870.000.

Lening [naam onderneming 4]
4.54.
De lening van de holding bij [naam onderneming 4] staat opgenomen voor een bedrag van € 1.462.400. Inmiddels heeft [naam onderneming 4] uit hoofde van het vonnis van 4 juni 2025 executoriaal beslag laten leggen op bezittingen (onroerende zaken) van de vennootschap. Uit de betekeningsexploten van het executoriaal beslag (productie 68 van de man) blijkt dat de actuele schuld van de vennootschap aan [naam onderneming 4] € 1.495.934 bedraagt. De rechtbank gaat van deze stand uit.
4.55.
Voorgaande maakt dat het actuele saldo van de passiva van de holding (€ 1.870.000 + € 1.495.934 =) € 3.365.934 bedraagt.
Conclusie waarde aandelen
4.56.
Rekening houdend met de actuele waarde van de activa minus het actuele saldo van de passiva berekent de rechtbank de huidige waarde van de aandelen op (€ 3.936.500 – € 3.365.934=) € 570.566. Desondanks zal de rechtbank de aandelen toedelen aan de man tegen een waarde van € 650.000, onder de verplichting van de man om de helft van die waarde aan de vrouw te voldoen bij de notariële levering van de aandelen aan de man. Dit heeft de man namelijk zelf zo verzocht en (desgevraagd) op de zitting bevestigd dat hij dit, ondanks dat er nog maar 11 appartementen in de vennootschap aanwezig zijn, ongewijzigd in stand laat.
4.57.
Hierbij merkt de rechtbank nog het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nadrukkelijk met de man besproken dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in het kader van deze procedure met onzekerheden is omgeven, mede gelet op de executiedreiging. De man heeft uitdrukkelijk verklaard deze risico’s op zich te zullen nemen, om zo op korte termijn tot een oplossing te komen voor de bestaande geschillen, verdere kosten te voorkomen en naar de mening van de man te redden wat er nog te redden valt.
Medewerking levering aandelen
4.58.
Het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw op eerste verzoek van de man haar volledige medewerking dient te verlenen aan de notariële levering van de aandelen aan de man, welke levering zal plaatsvinden door een door de man aan te wijzen notaris op zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval binnen 3 maanden na de n beschikking en waarbij de notariskosten van die levering voor rekening komen van de man en door hem zullen worden voldaan, wijst de rechtbank toe.
Ook het verzoek van de man om te bepalen dat als de vrouw haar medewerking aan de levering van de aandelen aan de man niet en/of niet tijdig op het eerste verzoek van de man verleent, de beschikking in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de notariële overdracht van de aandelen aan de man, wijst de rechtbank toe. Het is immers in het belang van beide partijen dat de aandelen zo spoedig mogelijk aan de man worden geleverd.
De schuld in rekening-courant
4.59.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank het volgende op. Door partijen is veelvuldig gesproken over de (gestelde) schuld in rekening-courant van partijen aan de holding. Door partijen zijn daarover echter geen verzoeken geformuleerd. Daarom hoeft de rechtbank over de schuld in rekening-courant niet te beslissen.
De aandelen in [naam onderneming 2] (post j) en de door de vrouw gestelde schuld in rekening-courant (post s)
Aan wie en tegen welke waarde moeten de aandelen worden toegedeeld?
4.60.
De vrouw houdt alle aandelen in [naam onderneming 2] . Deze holding houdt alle aandelen in de werkmaatschappij [naam onderneming 5] Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen in [naam onderneming 2] aan de vrouw kunnen worden toegedeeld. Wel is in geschil welke peildatum bepalend is voor de waardering van deze aandelen en welke waarde aan de aandelen moet worden toegekend.
4.61.
Wat betreft de peildatum voor de waardering volgt de rechtbank de vrouw in haar standpunt dat moet worden uitgegaan van de waarde van de onderneming op de peildatum. De vrouw heeft immers onbetwist naar voren gebracht dat zij de enige is die deze vennootschap drijft. Het zou daarom niet redelijk zijn als de waardeontwikkeling na ontbinding van de gemeenschap nog zou moeten worden gedeeld met de man, omdat die waardeontwikkeling uitsluitend door inspanningen van de vrouw is veroorzaakt.
4.62.
Omdat de vrouw tijdens het huwelijk op enig moment (vanaf het jaar 2018) is gestopt met het ontplooien van activiteiten in [naam onderneming 2] en zij deze activiteiten pas na de peildatum weer heeft opgepakt, is de vrouw van mening dat de aandelen op de peildatum geen waarde hadden. Dit wordt door de man betwist. De man stelt dat er een onafhankelijke deskundige moet worden benoemd om de waarde van de aandelen van [naam onderneming 2] vast te stellen. Volgens hem heeft de vrouw geen recente jaarstukken van deze onderneming overgelegd. Ook zou de vrouw fouten hebben gemaakt in de financiële administratie van deze holding, waardoor de man twijfelt aan de juistheid van de door de vrouw ingebrachte financiële stukken.
4.63.
De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw zijn tussentijdse cijfers van [naam onderneming 2] per 31 mei 2023 overgelegd (productie 15 van de vrouw). De man heeft onvoldoende onderbouwd dat deze cijfers onbetrouwbaar zouden zijn, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. De tussentijdse cijfers van de onderneming vallen nagenoeg samen met de peildatum. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen om de waarde van de onderneming per de peildatum vast te stellen.
4.64.
Uit de overgelegde cijfers blijkt dat het eigen vermogen van de vennootschap per
31 mei 2023 € 178.927 bedroeg. De rechtbank is het daarom met de man eens dat, anders dan de vrouw stelt, de onderneming wel degelijk een waarde had op de peildatum. De rechtbank gaat, net als bij [naam onderneming 1] , uit van een waardering op basis van de intrinsieke waarde. De overgelegde voorlopige cijfers laten zien dat de activa van de holding bestaan uit de deelneming in [naam onderneming 5] (€ 193.493) en liquide middelen (€ 129) en dat de passiva bestaan uit diverse kortlopende schulden (€ 14.695). Niet is gesteld en/of gebleken dat de boekhoudkundige cijfers afwijken van de actuele (werkelijke) waarde van de onderneming. Van [naam onderneming 5] zijn bovendien geen jaarstukken overgelegd, behalve summiere winst- en verliesrekeningen waaruit blijkt dat vanaf 2018 inderdaad geen activiteiten meer plaatsvinden. De rechtbank stelt de waarde van de onderneming op de peildatum daarom vast op € 178.927. De rechtbank deelt de aandelen voor deze waarde toe aan de vrouw, waarbij de vrouw gehouden is een bedrag van
€ 89.463,50 aan de man te vergoeden.
De schuld in rekening-courant
4.65.
Volgens de vrouw is er een schuld in rekening-courant aan [naam onderneming 2] ontstaan tijdens het huwelijk van partijen en voorafgaande aan de ontbinding van de gemeenschap. Daarom is de man volgens haar gehouden om een bedrag van € 124.445,98 aan de vrouw te voldoen. Ter onderbouwing van de hoogte van de schuld heeft de vrouw een uitdraai van de grootboekrekening en een overzicht van de opbouw van de schuld overgelegd (producties 58 en 100 van de vrouw). De man betwist het bestaan en de juistheid van de door vrouw gestelde schuld, waarbij hij wederom stelt dat door de vrouw fouten zijn gemaakt in de financiële administratie van de ondernemingen.
4.66.
Uit productie 100 van de vrouw leidt de rechtbank af dat de vrouw een schuld in rekening-courant bij [naam onderneming 5] heeft. Deze schuld bedroeg per 31 mei 2023
€ 236.359,95, zo blijkt uit de genoemde productie. Verder heeft de vrouw in de betreffende productie voldoende onderbouwd dat het op de peildatum openstaande saldo en de nadien vervallen rente over die stand in de grootboekrekening apart geadministreerd wordt. Inclusief de rente tot en met 31 december 2025 bedraagt het thans openstaande saldo € 248.891,95. Door de man is onvoldoende onderbouwd waarom aan de uitdraai van de grootboekrekening geen waarde zou mogen worden toegekend, danwel dat deze fouten zou bevatten. Daarom gaat de rechtbank aan die stellingen voorbij. Omdat het hier een huwelijkse schuld betreft, zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor het op de peildatum openstaande saldo en de nadien vervallen rente over dat bedrag totdat het openstaande saldo volledig is afbetaald. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank echter geen grondslag om de man in deze procedure te veroordelen de helft van het openstaande bedrag aan [naam onderneming 5] te voldoen. Het is immers aan [naam onderneming 5] om partijen aan te spreken op betaling van het openstaande saldo. [naam onderneming 5] is echter geen partij in deze procedure. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af.
De honden (post k)
4.67.
Op de peildatum hadden partijen twee honden in hun bezit. De man heeft verzocht de honden aan de vrouw toe te delen, zonder nadere verrekening. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij de honden in juni 2025 heeft laten herplaatsen, waardoor toedeling niet meer mogelijk is. Deze mededeling van de vrouw is voor de man afdoende, zo heeft hij verklaard. De rechtbank beschouwt daarom het verzoek van de man als ingetrokken.
De aanslagen/en of teruggaven van de Belastingdienst (post l)
4.68.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat partijen de belastingteruggave bij helfte moeten delen en de aanslagen bij helfte moeten dragen. Uit de overgelegde stukken blijkt echter geen volledig overzicht van de ontvangen teruggaven en opgelegde aanslagen tot aan de peildatum, zodat niet kan worden vastgesteld wie van partijen per saldo iets aan de ander verschuldigd is. Partijen dienen daarom elkaar alsnog over en weer volledige inzage te verschaffen, waarna de teruggaven bij helfte moeten worden gedeeld en partijen voor de aanslagen ieder voor de helft draagplichtig zijn.
Het doorlopend krediet bij Freo (post m)
4.69.
De vrouw stelt dat op de peildatum een bedrag van € 17.243 openstond en verwijst hierbij naar de overgelegde jaaropgaven over de periode 2016 tot en met 2023 (productie 59 van de vrouw). De man heeft dit openstaande saldo betwist, omdat dit niet uit de door de vrouw overgelegde stukken kan worden afgeleid. Gelet op de betwisting van de man had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling wat betreft het openstaande saldo op de peildatum nader te onderbouwen. Omdat de vrouw dit heeft nagelaten, kan de rechtbank niet beoordelen wat het openstaande saldo op de peildatum was. De rechtbank bepaalt daarom (enkel) dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het op de peildatum openstaande saldo bij Freo.
De schuld van partijen aan hun kinderen (post n)
4.70.
De moeder van de man heeft aan de kinderen van partijen een bedrag geschonken; aan [kind 1] een bedrag van € 3.000 en aan [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] en [kind 5] ieder € 4.000. Partijen hebben deze bedragen vervolgens van hun kinderen geleend.
Partijen zijn het eens dat partijen binnen een maand na de beschikking de door de kinderen ontvangen schenkingen van de moeder van de man (oftewel hun schuld), van in totaal € 19.000, ieder voor de helft aan de kinderen dienen te voldoen op een ten name van het betreffende kind staande spaarrekening. De rechtbank zal zo beslissen.
De schuld van de creditcard (post o)
4.71.
Partijen zijn het eens dat op de peildatum een bedrag van -/- € 3.997,36 openstond (productie 16 van de man). Ook zijn partijen het eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. Door de vrouw is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de man op dit punt toe.
Fiscale gevolgen verdeling huwelijksgemeenschap
4.72.
De verdelingsbeslissingen van de rechtbank hebben ook fiscale consequenties, met name waar het betreft de verdeling van de aandelen in de vennootschappen. Hierbij is immers nog sprake van een (latente) AB-claim. Door partijen zijn hier echter geen verzoeken over geformuleerd. Dit maakt dat de rechtbank de fiscale gevolgen van de verdelingsbeslissingen terzijde heeft gelaten.
Het (gestelde) vergoedingsrecht van de man
4.73.
De man verzoekt te bepalen dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 25.000, dan wel van € 12.500 op de vrouw. Ter onderbouwing voert de man aan dat hij tijdens het huwelijk in ieder geval in de jaren 2017, 2019, 2020, 2021 en 2022 een bedrag van € 5.000 per jaar, of te wel in totaal € 25.000 van zijn moeder geschonken heeft gekregen (productie 18 van de man). Het betroffen volgens de man persoonlijke schenkingen alleen aan hem. Van dit privévermogen van de man zijn volgens hem tijdens het huwelijk schulden/lasten voldaan waarvoor partijen beiden draagplichtig waren.
4.74.
De vrouw erkent dat de moeder van de man aan hem gedurende een periode van vijf jaar € 5.000 per jaar heeft geschonken. De vrouw stelt echter dat deze gelden nooit in de gemeenschap zijn beland, omdat de man deze bedragen op zijn privérekening bij ING heeft ontvangen, waar de vrouw geen toegang toe had. De man heeft de geschonken bedragen volgens de vrouw aan zijn eigen hobby’s (horloges, fietsen en auto-accessoires) besteed. Omdat dit geld nooit in de gemeenschap is beland, kan de man het ook niet terug ontvangen uit de gemeenschap. Daarom moet het verzoek volgens de vrouw worden afgewezen.
4.75.
Tussen partijen staat vast dat de schenkingen niet bestemd waren om in de huwelijksgemeenschap te vallen. Door de man wordt niet ontkend dat de schenkingen steeds rond zijn verjaardag op een alleen op zijn naam staande betaalrekening zijn gestort. De man stelt echter dat de gelden zijn vermengd met gemeenschapsgelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man dit ook voldoende aannemelijk gemaakt, omdat uit de bankafschriften van de betreffende rekening (productie 46 van de man) blijkt dat van die rekeningen ook stortingen en betalingen ten behoeve/ten laste van de gemeenschap zijn gedaan. Daarbij komt dat ook als de man de gelden heeft gebruikt voor de aanschaf van persoonlijke hobbyspullen - zoals de vrouw stelt - , die aangeschafte goederen in de gemeenschap zijn gevallen. De man stelt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man op dit punt toewijzen.
De eigenaarslasten en de gebruiksvergoeding
4.76.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw gehouden is om aan de man een gebruiksvergoeding voor het alleengebruik van de echtelijke woning te voldoen vanaf
15 juni 2023 tot aan de datum van overdracht van de woning aan een derde, te stellen op een bedrag van € 1.203,76 per maand.
4.77.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man vanaf juli 2023 tot aan de datum van overdracht van de woning aan een derde maandelijks bijdraagt in de eigenaarslasten en hypotheekaflossing met een bedrag van (€ 2.627,36/2 =) € 1.313,68 per maand.
4.78.
Voor zover de man heeft aangevoerd dat de maandelijkse lasten van de woning niet door de vrouw zelf worden betaald omdat haar inkomen hiervoor ontoereikend zou zijn, gaat de rechtbank aan dat verweer voorbij. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de vrouw immers onbetwist verklaard dat zij de maandelijkse lasten voldoet via haar rekening-courant met [naam onderneming 5] Bovendien heeft de vrouw eveneens onbetwist verklaard dat zij vanaf de peildatum haar eigen rekening-courant verhouding met deze vennootschap apart administreert van de rekening-courantverhouding van vóór de peildatum. Ook de hoogte van de maandelijkse woonlasten heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd.
4.79.
De rechtbank overweegt dat de woonlasten in de periode vanaf de ontbinding van de gemeenschap (2 juni 2023) tot de datum van de ontbinding van het huwelijk (inschrijving echtscheidingsbeschikking) in beginsel op grond van artikel 1:84 lid 1 BW naar evenredigheid van ieders inkomen en/of vermogen moeten worden verdeeld. In de periode vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk tot aan de datum van verkoop van de woning dienen partijen op grond van artikel 6:10 BW als hoofdelijk schuldenaren in beginsel ieder de helft van de hypotheekrente te betalen.
4.80.
Ten aanzien van de gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank dat de vergoeding in de zin van artikel 1:165 lid 1 BW moet worden geacht te strekken ter compensatie van het gemis van gebruik en genot van de echtelijke woning dat aan ieder der echtgenoten in gelijke mate toekomt, maar aan een van hen wordt onthouden. Uitgangspunt is dat de redelijkheid bepalend is voor het beantwoorden van zowel de vraag of een gebruiksvergoeding verschuldigd is als de vraag hoe hoog deze moet zijn. De vergoeding behoort te worden afgestemd op het nadeel dat wordt geleden ten gevolge van en gedurende het door de andere echtgenoot gemaakte gebruik. Voor de periode voorafgaand aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking kan een gebruiksvergoeding aan de orde zijn op grond van artikel 3:169 BW.
4.81.
De rechtbank is van oordeel dat ieder van partijen in beginsel de helft van de hypotheekrente moet voldoen, nu zij beiden nog eigenaar van de woning zijn. Daarnaast dient de man in beginsel ook de helft van de eigenaarslasten te voldoen. De vrouw moet zelf de volledige gebruikerslasten betalen. Daartegenover staat dat de man ten laste van de vrouw aanspraak kan maken op een gebruikersvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. De rechtbank zal deze bedragen in alle redelijkheid tegen elkaar wegstrepen, zodat op dit punt geen vorderingen meer open staan. Voorgaande geldt niet voor de aflossingen van de hypotheek. De man is gehouden om tot aan de levering van de woning aan (een) derde(n) de helft van de maandelijkse aflossingen te dragen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw op dit punt toe. Het ligt hierbij op de weg van de vrouw om het verschil tussen de hypotheekstand op de peildatum en de hypotheekstand op de datum van levering aan (een) derde(n) inzichtelijk te maken, zodat dit bij de notariële afwikkeling van de woning kan worden meegenomen.
De verrekenposten
De onderhoudskosten van de woning
4.82.
De vrouw stelt dat voorafgaand aan de ontbinding van de gemeenschap (voor de peildatum) door partijen gezamenlijk kosten zijn gemaakt ten behoeve van het onderhoud van de woning. De vrouw stelt dat zij deze kosten na de peildatum uit haar eigen inkomen (privévermogen) heeft voldaan. Volgens de vrouw gaat het om de volgende posten (productie 94 van de vrouw):
Datum Bedrag Firma Omschrijving
17-12-2020 € 12.794,08 [firma 1] Tegelwerk en diversen
26-04-2022 € 19.295,56 [firma 1] Stukadoorswerk en diversen
07-09-2022 € 5.103,56 [firma 1] Stukadoorswerk en diversen
27-10-2022 € 5.253,58 [firma 1] Glazen schermen en deuren
17-04-2023 € 3.018,69 [firma 2] Bijplanten, kliko’s etc.
31-05-2023 € 282,- [firma 3] Winterbeurt + reparatie
19-06-2023 € 3.383,16 [firma 1] Leuningen
19-06-2023 € 2.856,80 [firma 1] Vervangen erkerdak en diversen
21-07-2023 € 3.730,- [firma 4] Buitenverlichting
14-09-2023 € 347,26 [firma 5] CV Ketel
14-09-2023 € 1.624,22 [firma 6] Sanibroyeur reparatie
29-09-2023 € 185,73 [firma 7] Vaatwasser
08-02-2024 € 388,56 [firma 5] Kachel reparatie
30-08-2024 € 384,97 [firma 4] Elektra werkzaamheden
31-10-2024 € 140 [firma 8] Reparatie cube
19-02-2025 € 173,77 [firma 7] Stoomoven
27-02-2025 € 449,53 [firma 9] Hekreparatie
18. 27-02-2025 € 125,53 [firma 5] Ketelreparatie
19. 07-03-2025 € 215 [firma 7] Vaatwasser
20. 10-03-2025 € 322,14 [firma 7] Oven
21. 19-03-2025 € 66,51 [firma 7] Stoomoven
22. 16-04-2025 € 250 [firma 8] Vervanging cube
23. 19-06-2025 € 58,85 [firma 7] Vaatwasser
4.83.
Wat betreft de posten 1, 6 en 10 overweegt de rechtbank dat deze facturen van vóór de peildatum dateren. Door de vrouw is niet onderbouwd dat deze facturen pas na de peildatum zijn betaald, hetgeen gelet op de betwisting door de man wel op haar weg had gelegen. De door de vrouw overgelegde betalingsbewijzen corresponderen niet met de opgevoerde factuurnummers. Bovendien blijkt uit de onderliggende facturen dat de betalingstermijn van de betreffende facturen 14 dagen was. De rechtbank heeft geen aanwijzing dat deze facturen niet tijdig door (een van) partijen betaald zouden zijn. De rechtbank wijst de verzoeken daarom op dit punt af.
4.84.
De rechtbank constateert dat de facturen van posten 2, 3, 4, 7, 8, 13 en 18 zijn gericht aan [naam onderneming 3] Hoewel de vrouw stelt dat deze facturen aan partijen in privé hadden moeten worden gericht, blijkt dit nergens uit. De rechtbank volgt op dit punt dan ook het verweer van de man dat partijen niet draagplichtig zijn voor deze facturen. Indien en voor zover de vrouw uit haar eigen inkomen deze facturen heeft voldaan, dan bestond daartoe geen verplichting. Zij kan daarom niet de helft verhalen op de man. Daarom wijst de rechtbank het verzoek ten aanzien van deze posten af.
4.85.
Post 5 betreft een factuur die dateert van voor de peildatum en betreft dus een gemeenschapsschuld waarvoor partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn. Uit het overgelegde betaalbewijs (productie 60 van de vrouw) blijkt dat de vrouw deze factuur op 11 juni 2023, na de peildatum, vanaf haar privérekening heeft voldaan. Het verweer van de man dat de banksaldi op de peildatum kennelijk ontoereikend waren om deze factuur te voldoen en de vrouw bovendien volgens hem een te laag jaarinkomen had om dergelijke kosten naast de kosten van levensonderhoud van haarzelf en de kinderen en maandelijkse hypotheeklasten te voldoen, doet aan het voorgaande niets af. Het gaat om een gemeenschapsschuld die de vrouw voor meer dan de helft heeft voldaan. De vrouw heeft dus een regresvordering op de man. Daarom veroordeelt de rechtbank de man om uit hoofde van voornoemde factuur een bedrag van € 1.509,35 aan de vrouw te voldoen.
4.86.
De posten 9, en 14 tot en met 17 en 19 tot en met 23 betreffen facturen van na de peildatum. Omdat partijen nog samen eigenaar zijn van de woning geschiedt het beheer (ook na de peildatum) door hen samen, tenzij zij dat anders regelen. Wel kan ieder van hen handelingen van gewoon onderhoud of tot behoud van dat goed en handelingen die geen uitstel kunnen lijden, zo nodig zelfstandig verrichten (artikel 3:170 BW). De uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de woning zijn verricht moeten partijen ieder voor de helft dragen (artikel 3:172 BW).
4.87.
Post 14 ziet op de installatie van een schemerschakelaar. De man heeft deze factuur betwist. De vrouw heeft nagelaten te onderbouwen waarom hier sprake zou zijn van gewoon onderhoud danwel van een handeling die geen uitstel zou kunnen lijden. Daarom wijst de rechtbank het verzoek op dit punt af. Ditzelfde geldt voor de aanleg van de buitenverlichting (post 9). Ook het verzoek over die factuur wijst de rechtbank om dezelfde redenen af.
4.88.
Wat betreft de posten 15, 16, 17, 19, 20, 21, 22 en 23 leidt de rechtbank uit de facturen af dat deze betrekking hebben op de reparaties van kapotte (reeds in de woning aanwezige) keukenapparatuur. In totaal gaat het om een bedrag van (€ 140 + € 173,77 +
€ 449,53 + € 215 + € 322,14 + € 66,51 + € 250 =) € 1.616,95. Dat het hier gaat om uitgaven voor onderhoud van in de woning aanwezige apparatuur wordt niet, althans onvoldoende, door de man betwist. De wet stelt niet de eis, anders dan de man meent, dat het moet gaan om ‘noodzakelijk’ onderhoud. De man heeft niet betwist dat de handelingen waaruit de uitgaven voortvloeien op grond van artikel 3:172 BW bevoegdelijk zijn verricht. Dit maakt dat partijen ieder voor de helft moet bijdragen in de uitgaven voor onderhoud, omdat zij ieder een gelijk onverdeeld aandeel in de gemeenschap hebben.
Als de vrouw de uitgaven heeft voldaan, heeft zij een regresvordering voor de helft van het bedrag van de uitgaven op de man. Uit de facturen volgt dat de vrouw betalingsverplichtingen op zich heeft genomen voor een bedrag van € 1.616,95. De man heeft niet betwist dat de diensten en producten waarop de facturen betrekking hadden, ook zijn verleend of geleverd. In dat licht levert het enkele verweer van de man dat de vrouw de facturen (nog) niet heeft betaald een onvoldoende gemotiveerde beslissing op van betaling van de facturen door de vrouw. Daarmee staan de betalingen vast.
Voor zover de man ook ten aanzien van deze facturen het verweer voert dat de vrouw de betalingen niet uit eigen middelen (kan hebben) heeft voldaan, omdat haar inkomen daartoe ontoereikend is, had het op de weg van de man gelegen dit nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten en daarom gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij. Zelfs als de betalingen zouden zijn gedaan met middelen van derden is daarmee op zichzelf niet gegeven dat de vrouw geen regresvordering zou hebben op de man. [7] De rechtbank bepaalt daarom dat de man gehouden is een bedrag van € 808,48 aan de vrouw te voldoen.
4.89.
Verder constateert de rechtbank dat door de vrouw geen onderliggende facturen zijn, of een andere onderbouwing is, overgelegd van de posten 11 en 12. Dit had gelet op de betwisting door de man wel op haar weg gelegen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek ten aanzien van deze posten wegens gebrek aan onderbouwing af.
4.90.
De rechtbank concludeert dat de man op grond van het voorgaande uit hoofde van regres (€ 1.509,35 + € 808,48 =) € 2.318 aan de vrouw dient te voldoen vanwege de door haar betaalde onderhoudskosten. De rechtbank zal de man hiertoe veroordelen.
Kosten verkoopklaar maken woning
4.91.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling aan haar van de helft van de kosten voor het verkoopklaar maken van de woning, zijnde een bedrag van € 5.000. Ter onderbouwing heeft de vrouw een kostenoverzicht overgelegd van posten die, zo stelt de vrouw, betrekking hebben op het verkoopklaar maken van de woning (productie 96 van de vrouw). Het gaat om de volgende posten:
Datum Bedrag Firma Omschrijving
1. [firma 2] Onderhoudsbeurt
2. n.b. € 3.130,- [firma 10] Bosonderhoud, schoonmaken
3. € 835,- [firma 11] Schoonmaakwerkzaamheden
4. € 270,- [firma 12] Aanschaf wasborstel
5. € 75,- [firma 13] Huur veegmachine
6. € 111,- [firma 14] Huur aanhanger
7. 23-10-2024 € 652,- [firma 15] Keukenreparatie
8. 12-11-2024 € 148,35 [firma 5] Lev. chloor
9. € 1.000,- [firma 3] Aanschaf bosmaaier, benzine etc.
10. € 630,- [firma 16] Reparatie luxaflex kantoor
11. € 60,- [firma 17] Reparatie divere raambekleding
12. € 250,- [firma 18] Reparatie Kas
13. € 221,47 [firma 19] Buitenpotten
14. € 474,19 [firma 20] Planten e.d.
4.92.
De man heeft verweer gevoerd.
4.93.
De rechtbank overweegt als volgt. De factuur van [firma 2] (post 1) ziet blijkens de omschrijving op de factuur op een onderhoudsbeurt van de tuin. Hoewel door de vrouw niet is onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt in verband met het verkoopklaar maken van de woning, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten, hetgeen de man zelf ook betoogt. Daarom moeten deze kosten op grond van artikel 3:172 BW door ieder van partijen voor de helft worden gedragen. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen onder 4.88. De man is daarom gehouden de helft van het bedrag, te weten een bedrag van € 1.134,90, aan de vrouw te voldoen. Op dezelfde grond wijst de rechtbank het verzoek ten aanzien van post 7 toe. De man is voor de kosten van de reparatie van de keuken gehouden een bedrag van € 326,10 aan de vrouw te voldoen.
4.94.
Door de man is terecht aangevoerd dat het factuurnummer van post 2 niet correspondeert met het factuurnummer op het overgelegde betalingsbewijs. Ook is de factuur ongedateerd en is onvoldoende duidelijk waar de factuur betrekking op heeft, aldus de man. Gelet op het verweer van de man, had het op de weg van de vrouw gelegen dit nader te onderbouwen. Omdat de vrouw dit heeft nagelaten, wijst de rechtbank het verzoek op dit punt af wegens gebrek aan onderbouwing.
4.95.
De vrouw voert bij post 3 € 270 aan kosten op voor een factuur van [firma 12] voor de aanschaf van een wasborstel. Door de vrouw is geen onderliggende factuur voor hetzelfde bedrag overgelegd. Wel heeft de vrouw een factuur voor een wasborstel basisset overgelegd van € 218,35. Deze factuur is echter gericht aan [naam onderneming 1] Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in 4.84. wijst de rechtbank het verzoek op dit punt af. Ditzelfde geldt voor de factuur van Van de Kamp voor € 60 (post 11).
4.96.
Door de man is terecht aangevoerd dat door de vrouw niet is onderbouwd waarom de kosten van de aanschaf van chloor (post 8) kunnen worden aangemerkt als kosten voor het verkoopklaar maken van de woning. Daarom wijst de rechtbank het verzoek op dit punt af.
4.97.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de overige posten dat de vrouw weliswaar van een aantal daarvan betalingsbewijzen heeft overgelegd, maar van geen van de gestelde posten een factuur heeft overgelegd. De rechtbank kan daarom niet beoordelen waar de betalingen op zien, zodat niet geoordeeld kan worden dat de vrouw deze kosten heeft gemaakt in verband met het verkoopklaar maken van de woning. De rechtbank wijst daarom het verzoek op de overige punten af.
4.98.
Gelet op het voorgaande (onder de noemer ‘verkoopklaar maken van de woning’) is de man gehouden een bedrag van (€ 1.134,90 + € 326,10 =) € 1.461 aan de vrouw te voldoen op grond van artikel 3:172 BW. Samen met het bedrag genoemd in 4.90. dient de man dus een bedrag van (€ 2.318 + € 1.461=) € 3.779 aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal de man hiertoe veroordelen.
Stallingskosten en onderhoudskosten boot
4.99.
Door de vrouw is onbetwist naar voren gebracht dat de man vanaf de peildatum het uitsluitend gebruik heeft gehad van de boot. De vrouw wilde de boot verkopen. De rechtbank acht het daarom niet redelijk als de vrouw gehouden zou zijn om mee te moeten betalen aan de kosten van stalling en onderhoud van de boot. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de man af.
Kosten foto’s en opnames drone makelaar
4.100. De man stelt dat hij de kosten van in totaal € 1.500, die door [naam makelaar 1] in rekening zijn gebracht voor het maken van foto’s en opnames met een drone ten behoeve van de verkoop van de echtelijke woning, volledig heeft voldaan. Daarom heeft hij uit hoofde van regres een vordering op de vrouw van € 750. Deze vordering is door de vrouw niet betwist. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.
Proceskosten
4.101. Omdat partijen met elkaar getrouwd zijn geweest, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de echtelijke woning staande en gelegen te [adres] :
 de woning dient te worden verkocht en geleverd aan (een) derde(n);
 de rechtbank wijst [naam makelaar 2] als verkopend makelaar aan;
  • partijen dienen binnen een week na deze beschikking een opdracht tot verkoop aan deze makelaar te geven;
  • de rechtbank bepaalt dat als een partij niet binnen deze termijn de opdracht tot verkoop aan de makelaar heeft gegeven, deze beschikking in de plaats treedt van en dezelfde kracht heeft als de ondertekende opdracht namens de desbetreffende partij;
 partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraag- en laatprijs, die dienen te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
 indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraag- en laatprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraag- en laatprijs;
 partijen zijn gehouden de aanwijzingen en adviezen van de makelaar (onder andere ten aanzien van de vraag- en laatprijs en de leveringstermijn) op te volgen, waarbij de rechtbank bepaalt dat indien een van partijen een gegeven advies niet opvolgt de andere partij gemachtigd is om mede namens de weigerachtige partij die instemming met het advies te verlenen en/of het advies op te volgen;
 partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor de kosten voor het verkoopklaar maken van de woning, waarbij zij onderling hebben afgesproken dat deze kosten maximaal € 10.000 mogen bedragen;
 de vrouw dient een huissleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen. Ook dient zij haar medewerking te verlenen aan het houden van bezichtigingen, kijkdagen en/of andere activiteiten ten behoeve van de verkoop van de woning, waarbij de makelaar danwel haar plaatsvervanger gerechtigd is om potentiële kopers rond te leiden en dergelijke, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000 per keer dat de makelaar danwel haar plaatsvervanger de woning wenst te betreden voor het doen van een bezichtiging door een potentiële koper, het houden van kijkdagen en/of andere activiteiten ten behoeve van de verkoop van de woning en de vrouw daaraan haar medewerking onthoudt;
 de vrouw dient de woning op orde te houden en aanwijzingen van de makelaar terzake op te volgen;
 partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. De rechtbank bepaalt dat partijen met een op de woning door een (potentiële) koper uitgebracht bod en de daarbij voorgestelde leveringstermijn moeten instemmen, indien dit bod hoger of gelijk is aan de op dat moment geldende laatprijs;
 als (een van) partijen nala(a)t(en) om binnen drie dagen na het eerste verzoek van de makelaar om het bod te accepteren c.q. de koopovereenkomst op basis van dit bod te tekenen, treedt deze beschikking in de plaats van de voor verkoop noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van (een van) partijen tot het verkopen van de onroerende zaak;
 beide partijen zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de levering van de woning, waarbij de vrouw verplicht is de woning leeg op te leveren;
 partijen dienen op eerste verzoek van de makelaar en/of de notaris hun volledige medewerking te verlenen tot het tekenen van de leveringsakte en het verrichten van alle noodzakelijke leveringshandelingen conform de koopovereenkomst, waarbij de rechtbank bepaalt dat wanneer (een van) partijen niet op het eerste verzoek van de makelaar en/of notaris overgaat(n) tot het tekenen van de notariële leveringsakte en/of tot uitvoering van de noodzakelijke levering, deze beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van (een van) partijen tot het leveren van de onroerende zaak aan de koper(s);
 na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen, voor zover dit niet onder het executoriaal beslag valt, bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;
 de overige verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft;
5.2.
stelt voor het overige de verdeling vast als volgt:
a.
ten aanzien van de inboedel:
deelt de inboedel toe aan de man tegen een waarde van € 31.178, waarbij de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 15.589 te voldoen;
ten aanzien van de bankrekeningen:
 deelt aan de vrouw de volgende bankrekeningen toe:
- de rekening met [bankrekening 2] ;
- de rekening met [bankrekening 3] ;
- de rekening met [bankrekening 4] ;
- de rekening met [bankrekening 5] ;
 deelt aan de man toe de bankrekening met [bankrekening 1] ;
 waarbij voor alle voorgaande rekeningen geldt dat partijen elkaar over en weer inzage dienen te verschaffen in de op de peildatum (2 juni 2023) aanwezige saldi en deze saldi bij helfte moeten delen danwel bij helfte moeten dragen;
ten aanzien van de auto van het merk BMW type Z4 met kenteken [kenteken 2] ;
deelt de auto toe aan de man tegen een waarde van € 41.550, waarbij de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 20.775 te voldoen;
ten aanzien van de auto van het merk Mini met kenteken [kenteken 3] ;
bepaalt dat deze auto dient te worden afgevoerd naar de sloop en partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn om de daaraan verbonden kosten te voldoen;
t
en aanzien van de motor van het merk Ducati met kenteken [kenteken 1];
deelt de motor toe aan de vrouw tegen een waarde van € 500, waarbij de vrouw gehouden is aan de man een bedrag van € 250 te voldoen;
ten aanzien van de boot van het merk [merk boot] [kenteken 4] incl. toebehoren;
deelt de boot toe aan de man tegen een waarde van € 41.588, waarbij de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 20.794 te voldoen;
ten aanzien van de aandelen op naam van partijen in de besloten vennootschap [naam onderneming 1] ;
 verklaart voor recht dat tussen partijen tot op heden geen partiële verdeling van de aandelen tot stand is gekomen;
 deelt de aandelen toe aan de man voor een waarde van € 650.000, onder de verplichting van de man om de helft van die waarde (€ 325.000) aan de vrouw te voldoen bij de notariële levering van de aandelen aan de man;
 bepaalt dat de vrouw op eerste verzoek van de man haar volledige medewerking dient te verlenen aan de notariële levering van de aandelen aan de man, welke levering zal plaatsvinden door een door de man aan te wijzen notaris op zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval binnen 3 maanden na deze beschikking en waarbij de notariskosten van die levering voor rekening komen van de man en door hem zullen worden voldaan;
 bepaalt dat als de vrouw haar medewerking aan de levering van de aandelen aan de man niet en/of niet tijdig op het eerste verzoek van de man verleent, de beschikking in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de notariële overdracht van de aandelen aan de man;
ten aanzien van de aandelen op naam van de vrouw in de besloten vennootschap [naam onderneming 2];
deelt de aandelen toe aan de vrouw tegen een waarde van € 178.927, onder de verplichting van de vrouw om de helft van die waarde (€ 89.463,50) aan de man te voldoen bij de notariële levering van de aandelen aan de vrouw;
i.
ten aanzien van de aanslagen en/of teruggaven van de Belastingdienst die betrekking hebben op de huwelijkse periode tot aan de peildatum;
 partijen zijn gehouden om elkaar inzage te geven in de definitieve aanslagen, waarna partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze aanslagen;
 partijen zijn gehouden om elkaar inzage te geven in de definitieve teruggaven, waarna partijen deze teruggaven bij helfte moeten delen;
ten aanzien van doorlopend krediet bij Freo met contractnummer [krediet nummer] op naam van de vrouw;
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het op de peildatum
(2 juni 2023) openstaande saldo;
ten aanzien van de schuld van partijen aan hun kinderen;
bepaalt dat partijen binnen een maand na deze beschikking de door de kinderen ontvangen schenkingen van de moeder van de man, van in totaal € 19.000, ieder voor de helft aan de kinderen dienen te voldoen op een ten name van het betreffende kind staande spaarrekening;
ten aanzien van de schuld van de creditcard met kaartnummer [creditcard nummer];
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het op de peildatum openstaande saldo van -/- € 3.997,36, waarbij de man deze schuld op zich dient te nemen en als eigen schuld dient te voldoen onder vrijwaring van de vrouw en waarbij de vrouw gehouden is een bedrag van € 1.998,68 aan de man te voldoen;
5.3.
bepaalt dat aan de man uit hoofde van aan hem in privé ontvangen schenkingen een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap toekomt van € 25.000 en bepaalt dat, indien en voorzover deze vordering niet uit de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap aan de man kan worden voldaan, de vrouw gehouden is een bedrag van € 12.500 aan de man te voldoen;
5.4.
veroordeelt de man om ten tijde van de notariële levering van de woning aan (een) derde(n) aan de vrouw de helft van de maandelijkse aflossingen op de hypotheek vanaf de peildatum tot aan het moment van levering van de woning te voldoen;
5.5.
veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag van € 3.779 te voldoen uit hoofde van de door haar betaalde onderhoudskosten van de woning;
5.6.
veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na deze beschikking een bedrag van
€ 750 aan de man te voldoen uit hoofde van de door hem betaalde kosten voor de door de [naam makelaar 1] gemaakte foto’s/opnames met een drone;
5.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
5.9.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman (voorzitter), mr. G. Hilberink en mr. A.E. Grosscurt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.K.H. Wagemaker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.

Voetnoten

1.Met zaaknummer [zaaknummer] .
2.Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.
3.ECLI:HR:2001:ZC3697.
4.Tekst & Commentaar Personen- en Familierecht, art. 3:182 BW, aant. 1.
6.ECLI:NL:HR:2013:BY4279, r.o. 4.2.2.