Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Gelderland
In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen [eiser] en [gedaagden]. De vordering van [eiser] tot ontbinding van de overeenkomst is afgewezen, omdat de partijen contractueel hebben afgesproken dat ontbinding niet mogelijk is. De rechtbank heeft echter de nakomingsvordering van [eiser] toegewezen, maar de gevorderde contractuele rente afgewezen, omdat deze reeds in de hoofdsom was verdisconteerd. In plaats daarvan is de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van het vonnis. De rechtbank heeft ook de gevorderde boete afgewezen op basis van artikel 6:92 lid 1 BW. De gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten de proceskosten vergoeden, die zijn begroot op € 2.912,43. De rechtbank heeft de gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 77.890,38 aan [eiser], vermeerderd met wettelijke rente, en een bedrag van € 1.170,40 aan buitengerechtelijke incassokosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.