ECLI:NL:RBGEL:2025:11292

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 december 2025
Zaaknummer
C/05/457944 / HA ZA 25-423
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake boete en schadevergoeding in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft eiser, vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Çolakoglu, een vordering ingesteld tegen gedaagde, die niet is verschenen. De rechtbank Gelderland heeft op 19 november 2025 vonnis gewezen in de zaak met zaaknummer C/05/457944 / HA ZA 25-423. Eiser vorderde een boete van € 125.000,00 en aanvullende schadevergoeding van € 14.825,15 op basis van een koopovereenkomst. De rechtbank oordeelde dat de gevorderde boete toewijsbaar was, maar dat de aanvullende schadevergoeding niet onderbouwd was, waardoor deze vordering werd afgewezen. De wettelijke rente over de boete werd toegewezen met ingang van 22 januari 2025, omdat gedaagde in verzuim verkeerde na een sommatie van eiser op 16 januari 2025. Eiser vorderde ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, welke werd toegewezen tot een bedrag van € 2.450,25. Gedaagde werd grotendeels in het ongelijk gesteld en moest de proceskosten van € 4.976,14 betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/457944 / HA ZA 25-423
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. K. Çolakoglu te Zoetermeer,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
2.3.
[eiser] vordert een bedrag van € 14.825,15 voor aanvullende schadevergoeding op basis van artikel 11.2 van de koopovereenkomst. Op basis van deze bepaling moet [gedaagde] een aanvullende schadevergoeding betalen als de daadwerkelijk door [eiser] geleden schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete. [eiser] heeft niet gesteld dat de daadwerkelijk geleden schade het boetebedrag van € 125.000,00 overstijgt. Om die reden wijst de rechtbank deze vordering af.
2.4.
De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van 22 januari 2025. [eiser] heeft gesteld dat hij [gedaagde] op 16 januari 2025 heeft gesommeerd de boete binnen 5 dagen te betalen. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan, dus verkeerde hij vanaf 22 januari 2025 in verzuim ten aanzien van de betaling van de boete. Vanaf 22 januari 2025 is [gedaagde] derhalve wettelijke rente verschuldigd over het boetebedrag.
2.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 2.450,25 worden toegewezen.
2.6.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
1.929,00
(1 punt × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.976,14.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 125.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.450,25 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.976,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen.