ECLI:NL:RBGEL:2025:11291

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
20 december 2025
Zaaknummer
C/05/458281 / HA ZA 25-431
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale rechtsmacht en toepasselijk recht in geschil tussen Cardif Assurances Risques Divers S.A. en gedaagde

In deze zaak, die werd behandeld door de Rechtbank Gelderland, is Cardif Assurances Risques Divers S.A., handelend onder de naam BNP Paribas Cardif Schadeverzekeringen, de eisende partij. De zaak betreft een geschil met internationale aspecten, aangezien Cardif is gevestigd in Frankrijk. De rechtbank moest eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is op het geschil. De rechtbank concludeert dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op basis van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 en dat Nederlands recht van toepassing is volgens de Verordening (EG) Nr. 593/2008.

De rechtbank heeft de vordering van Cardif beoordeeld en vastgesteld dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen zoals bedoeld in de Richtlijn 93/13/EEG. De vordering werd als niet onrechtmatig of ongegrond beschouwd en werd toegewezen. De gedaagde partij, die niet verschenen was, werd in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen. De rechtbank heeft de proceskosten begroot op een totaal van € 4.104,45, inclusief kosten van de dagvaarding, griffierecht en salaris advocaat.

In de beslissing werd de gedaagde veroordeeld om aan Cardif een bedrag van € 32.256,00 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en een bedrag van € 1.328,05 aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd de gedaagde veroordeeld in de proceskosten en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit vonnis is uitgesproken op 26 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/458281 / HA ZA 25-431
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap naar Frans recht,
CARDIF ASSURANCES RISQUES DIVERS S.A.,
handelend onder de naam BNP Paribas Cardif Schadeverzekeringen,
statutair gevestigd in Frankrijk,
mede gevestigd te Oosterhout (Noord-Brabant),
eisende partij,
hierna te noemen: Cardif,
advocaat: mr. V. Kortenbach te Den Haag,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.1.
Cardif is gevestigd in Frankrijk. Daardoor is sprake van een geschil met internationale aspecten en ligt eerst de vraag voor of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht op het geschil van toepassing is.
2.2.
Het geschil is een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012. De rechtsmacht moet dus aan de hand van deze verordening worden beoordeeld. Niet gesteld is dat partijen een uitdrukkelijke forumkeuze als bedoeld in artikel 25 van deze verordening hebben gemaakt. Op grond van artikel 17 en 18 van deze verordening is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Deze rechtbank is ingevolge het bepaalde in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering absoluut en relatief bevoegd.
2.3.
Het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van Verordening (EG) Nr. 593/2008. Niet gesteld is dat partijen een uitdrukkelijke rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 van deze verordening hebben gemaakt. Op grond van artikel 6 van deze verordening is de rechtbank van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is.
Inhoudelijke beoordeling
2.4.
Cardif heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.5.
De rechtbank is, op basis van ambtshalve toetsing van het gestelde in de dagvaarding, van oordeel dat geen sprake is van oneerlijke bedingen als bedoeld in de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
2.6.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
2.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Cardif worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
786,00
(1 punt × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.104,45.
2.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Cardif tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 32.256,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 mei 2024, tot de dag van algehele voldoening,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Cardif tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.328,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.104,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten met ingang vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en op 26 november 2025 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. I.W.M. Olthof.