ECLI:NL:RBGEL:2025:11290

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
20 december 2025
Zaaknummer
C/05/458530 / HA RK 25-147
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 WgbzArt. 10 lid 1 WgbzArt. 3 lid 5 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen te hoog geheven griffierecht in verdelingszaak nalatenschap

In deze zaak heeft verzoeker verzet aangetekend tegen het door de griffier geheven griffierecht van €2.723,00 in een bodemprocedure over de verdeling van een nalatenschap. De griffier had het griffierecht vastgesteld op basis van een vordering van bepaalde waarde, namelijk een schuld van €174.835,00 die aan het erfdeel van verzoeker zou worden toegerekend.

Verzoeker betoogde dat het hier een zaak van onbepaalde waarde betreft, omdat de vordering niet strekt tot betaling van een geldsom maar tot vaststelling van de verdeling en verrekening binnen de nalatenschap. De rechtbank oordeelde dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) strikt moet worden uitgelegd en dat alleen bij vorderingen die daadwerkelijk betaling van een geldsom beogen, het griffierecht op basis van de waarde van die vordering kan worden vastgesteld.

De rechtbank stelde vast dat de eisers in de bodemprocedure geen geldsom vorderen, maar een verklaring voor recht over de verdeling. Daarom is het griffierecht voor onbepaalde waarde van toepassing, zijnde €331,00. Het teveel betaalde bedrag van €2.392,00 wordt terugbetaald aan de advocaat van verzoeker. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 28 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet tegen het te hoog geheven griffierecht wordt gegrond verklaard en het griffierecht wordt vastgesteld op het tarief voor onbepaalde waarde.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/458530 / HA RK 25-147
Beschikking van 28 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. B.W.J. Theunissen te Nijmegen,
tegen
DE GRIFFIER,
van de rechtbank Gelderland,
verweerder,
hierna te noemen: de griffier.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzetschrift griffierecht van 3 oktober 2025, met 2 bijlagen;
- het verweerschrift van 30 oktober 2025;
- het e-mailbericht van 17 november 2025 van mr. Theunissen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is gedaagde in een bodemprocedure die zijn twee broers (hierna: de eisers) bij deze rechtbank tegen hem zijn gestart. Deze bodemprocedure heeft het kenmerk [nummer] . In deze bodemprocedure heeft de griffier van de rechtbank op 3 september 2025 het griffierecht voor natuurlijke personen geheven dat geldt voor zaken met een waarde van meer dan € 100.000,00 en niet meer dan € 1.000.000,00, namelijk
€ 2.723,00. De griffier van de rechtbank heeft het griffierecht gebaseerd op de door eisers gevorderde verklaring voor recht dat bij de verdeling van de nalatenschap op het aandeel van [verzoeker] de door eisers gestelde schuld van [verzoeker] aan de erflater ter grootte van
€ 174.835,00 wordt toegerekend. De advocaat van [verzoeker] heeft het griffierecht op 4 september 2025 voldaan.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] gaat in verzet tegen het geheven griffierecht en verzoekt de rechtbank om het griffierecht voor onbepaalde waarde aan te houden. Daartoe heeft [verzoeker] aangevoerd dat verdelings- en verrekeningszaken naar hun aard van onbepaalde waarde zijn, omdat bij het vaststellen van de verdeling en verrekening de achterliggende vordering niet is dat de ene partij geld verschuldigd is aan de andere partij; het gaat er alleen om dat duidelijk wordt hoe er wordt verdeeld en dat waar nodig verrekening plaats zou moeten vinden. In de bodemprocedure hebben de eisers gevorderd om een vordering van [verzoeker] aan zijn erfdeel toe te rekenen. Dat is geen geldvordering, maar een verdelingsvordering. Er wordt door de eisers immers geen betaling gevorderd. Volgens [verzoeker] is hij tijdig in verzet gekomen.
3.2.
In reactie op het verzetschrift heeft de griffier aan [verzoeker] bericht dat het griffierecht niet zal worden aangepast en daarom niet deels zal worden gecrediteerd. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de griffier aangevoerd dat, hoewel er in de bodemprocedure geen bedrag als betaling wordt gevorderd, een geschil aanhangig is gemaakt over in ieder geval € 178.000,00, wat een waarde is die in aanmerking genomen kan worden voor de bepaling van het griffierecht. De griffier refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Op de stellingen van [verzoeker] en de griffier wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank zal zonder mondelinge behandeling beslissen, omdat [verzoeker] heeft vermeld daarvan af te zien.
4.2.
In artikel 29 lid 1 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) is onder meer bepaald dat degene die de griffierechten heeft betaald, gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht door indiening van een verzoek in verzet kan komen bij het gerecht waaraan het griffierecht of de verschotten werden betaald.
4.3.
Het verzet van [verzoeker] is tijdig ingediend.
4.4.
In artikel 10 lid 1 Wgbz Pro is onder meer bepaald dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. In artikel 3 lid 5 Wgbz Pro is bepaald dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd.
4.5.
De Wgbz dient voor de berekening van de hoogte van het griffierecht strikt te worden uitgelegd, in die zin dat uitsluitend wordt aangeknoopt bij het financiële belang van de zaak indien de vordering strekt daadwerkelijke betaling van een geldsom. Dit gold volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder de voorafgaand aan de Wgbz geldende wetgeving (vgl. Hoge Raad 30 maart 1990, NJ 1990, 515) en niet gebleken is dat dit onder de Wgbz anders is.
4.6.
[verzoeker] heeft terecht gesteld dat eisers in de bodemprocedure vaststelling van de wijze van verdeling van de nalatenschap vorderen en geen betaling van een bedrag. Weliswaar wordt in het petitum van de dagvaarding een bedrag genoemd, maar dit betekent niet dat het gevorderde strekt tot betaling van een geldsom.
4.7.
Op grond van de Wgbz is [verzoeker] niet meer verschuldigd dan het griffierecht voor een natuurlijk persoon in een zaak met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde (€ 331,00). Uit het voorgaande volgt dat het verzet gegrond is en dat het verzoek van [verzoeker] toewijsbaar is. Aan de advocaat van [verzoeker] zal een bedrag ter grootte van
€ 2.392,00 (€ 2.723,00 - € 331,00) worden terugbetaald.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart het verzet gegrond,
5.2.
stelt het griffierecht in de zaak met nummer [nummer] vast op
€ 331,00,
5.3.
bepaalt dat aan de advocaat van [verzoeker] een bedrag ter grootte van € 2.392,00 wordt terugbetaald,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
1542