ECLI:NL:RBGEL:2025:11284

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
141833-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen witwassen met contant geld, goud en auto

De rechtbank Gelderland heeft op 9 december 2025 verdachte veroordeeld voor medeplegen van witwassen, gepleegd tussen 1 januari 2018 en 30 juli 2020. Het betrof witwassen van diverse contante geldbedragen in euro’s en buitenlandse valuta, goud, Rolex horloges en een Audi A6. De voorwerpen waren aangetroffen in woningen van verdachte, haar partner en derden.

De rechtbank oordeelde dat verdachte samen met haar partner beschikkingsmacht had over de voorwerpen en dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestond dat deze afkomstig waren uit misdrijf. Verdachte had geen concrete, verifieerbare verklaring gegeven voor de herkomst. De rechtbank verwierp het verweer dat verdachte geen wetenschap had van de criminele herkomst en dat zij geen beschikkingsmacht had over bepaalde kluizen en voorwerpen.

De strafmaat werd bepaald op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur, mede vanwege de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd een groot deel van de inbeslaggenomen goederen verbeurd verklaard. Het verzoek tot het horen van een getuige werd afgewezen wegens onvoldoende belang en het verschoningsrecht van de getuige.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd en 240 uur taakstraf voor medeplegen van witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/141833-24
Datum uitspraak : 9 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1987 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1], [postcode 1] te [woonplaats].
Raadsman: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (verder te noemen: [verdachte]) is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 te [plaats 1] en/of [woonplaats] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3], althans in België en/of Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een) geldbedrag(en) en/of (een) voorwerp(en), te weten:
- een contant geldbedrag van €41.138,37 en/of
- een contant geldbedrag van €1649,15 (bestaande uit diverse buitenlandse valuta) en/of
- een contant geldbedrag van €92.500 en/of
- een contant geldbedrag van €3.811 (bestaande uit buitenlandse valuta) en/of
- een contant geldbedrag van €58.000 en/of
- een contant geldbedrag van €85.000 en/of
- virtuele valuta met een waarde van €41.037,01 en/of
- goud met een waarde van €22.500 en/of
- goud met een waarde van €88.045 en/of
- goud met een waarde van €9.600 en/of
- een auto (Audi A6 met kenteken [kenteken 1]) met een waarde van €8.600 en/of
- een of meer Rolex horloge(s) (met een gezamenlijke waarde van €63.600)
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt
en/of
de herkomst verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit/deze geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) was en/of verborgen en/of verhuld wie dit/deze geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) voorhanden had, terwijl zij en/of haar mededader(s) telkens wist(en), althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/ waren uit enig
(eigen) misdrijf.
2
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door middel van het voorhanden hebben van de contante geldbedragen in euro’s en andere valuta die zijn aangetroffen in de woning aan de [adres 2] te [plaats 1], de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1], met uitzondering van de aangetroffen 110 dollar waarvan de biljetten vals zijn gebleken. [verdachte] heeft zich verder schuldig gemaakt aan het witwassen van de geldbedragen, aangetroffen in euro’s en buitenlandse valuta, en het goud aangetroffen in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats], door deze voorwerpen voorhanden te hebben. Ten aanzien van het goud is ook bewezen dat [verdachte] heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende was. [verdachte] heeft verder het goud dat aan de politie is afgegeven door [getuige 1] witgewassen door dit goud over te dragen, de herkomst te verbergen en verhullen en te verhullen wie de rechthebbende is op dat goud. [verdachte] heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan het witwassen van de Audi A6 door deze auto voorhanden te hebben en te gebruiken.
De officier van justitie acht niet bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen ten aanzien van de Rolex horloges, de virtuele valuta, waarvan de seeds zijn aangetroffen in de kluis van haar woning in [plaats 1], de geldbedragen en het goud, die zijn aangetroffen in de woning van [getuige 2] in [plaats 2], en het geld dat aan de politie is afgegeven door [getuige 1].
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het geld dat is aangetroffen in de verschillende kluizen in haar woning in [plaats 1]. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] niets te maken had met het geld dat is aangetroffen in de woning. [verdachte] had geen toegang tot de verschillende kluizen en daarmee ook geen beschikkingsmacht over de inhoud van die kluizen. Er is bovendien geen forensisch bewijs waaruit de betrokkenheid van [verdachte] blijkt bij de inhoud van de kluizen. Het voorgaande geldt ook voor virtuele valuta, waarvan de ‘seeds’ zijn aangetroffen in één van de kluizen van de woning. [verdachte] had daarnaast geen feitelijke beschikkingsmacht over de overige voorwerpen die zijn aangetroffen in de woning, om welke reden zij ook van het witwassen van die voorwerpen dient te worden vrijgesproken. Dat zij daar woonde is onvoldoende om te komen tot witwassen. Voor de virtuele valuta en de Rolex horloges geldt bovendien dat zij daar geen wetenschap van had. Voor wat betreft de voorwerpen die zijn aangetroffen in de huurwoning van [verdachte] in [woonplaats] geldt dat zij in de ten laste gelegde periode niet in de woning is geweest. Het witwassen van deze voorwerpen kan daarom niet worden bewezen. [verdachte] dient verder te worden vrijgesproken van het witwassen van het geld en het goud dat is aangetroffen in de woning van [getuige 2] in [plaats 2] dat is afgegeven aan de politie door [getuige 1]. Uit niets blijkt dat deze voorwerpen afkomstig waren van [verdachte] of aan haar kunnen worden toegeschreven. Voor de verklaring van [getuige 1] geldt dat hij weliswaar aanvankelijk bij de politie heeft verklaard dat hij het goud van [verdachte] heeft gekregen, maar dat hij daar later in zijn getuigenverklaring bij de rechter-commissaris op is teruggekomen. Met betrekking tot de Audi A6 heeft [verdachte] geen witwashandelingen verricht en bovendien had zij daarover geen beschikkingsmacht. [verdachte] moet daarom van het witwassen van de Audi A6 worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat niet is bewezen dat de voorwerpen een criminele herkomst hebben. Daarvoor heeft zij onder andere gewezen op de verklaring die [medeverdachte 1] ter terechtzitting in zijn eigen zaak heeft afgelegd over de betrokkenheid van [naam 1]/[naam 1]. Verder is ten aanzien van de buitenlandse valuta, de bitcoin en de Audi geen sprake van een vermoeden dat sprake is van een criminele herkomst. Het gaat bij deze voorwerpen niet om zulke hoge waardes, dat het niet anders kan zijn dan dat ze van misdrijf afkomstig zijn. Laat staan dat de goederen afkomstig zouden zijn uit een misdrijf dat door [verdachte] zelf is gepleegd.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat [verdachte] niet beter wist dan dat [medeverdachte 1] de beschikking had over legale inkomsten uit handel, bitcoin en tennis. Zij wist niet, ook niet in voorwaardelijke zin, dat de voorwerpen afkomstig waren uit misdrijf. Zij had dit ook niet redelijkerwijs hoeven vermoeden. Het enkele feit dat zij en [medeverdachte 1] een gezamenlijke huishouding voerden, dat zij wist dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van valse identiteiten en dat volgens het openbaar ministerie sprake was van een vals dienstverband is daarvoor onvoldoende. Deze omstandigheden maken ook niet dat [verdachte] een onderzoeksplicht had naar de herkomst van de voorwerpen.
Meest subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat, voor zover al kan worden vastgesteld dat (een deel) van de voorwerpen een criminele herkomst heeft, (het medeplegen van) eenvoudig witwassen niet kan worden bewezen. Niet ter discussie staat dat [verdachte] zelf de misdrijven niet heeft gepleegd, wat de herkomst van de voorwerpen zou verklaren. Bovendien is de tenlastelegging op dit punt onvoldoende concreet. Dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een misdrijf blijkt niet, laat staan dat duidelijk is uit welk specifiek misdrijf. Hetzelfde geldt voor enige handeling die ziet op het verbergen of verhullen van de voorwerpen.
2.3
Beoordeling door de rechtbank
2.3.1
Inleiding
Aan [verdachte] is ten laste gelegd, kort gezegd, dat zij samen met anderen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 verschillende voorwerpen heeft witgewassen.
De rechtbank zal in de volgende subparagraaf de voorwerpen bespreken ten aanzien waarvan het witwasvermoeden bestaat en wat de betrokkenheid is van [verdachte] bij die voorwerpen. Daarna zal de rechtbank bespreken of de voorwerpen, al dan niet rechtstreeks, een criminele herkomst hebben en of [verdachte] dat wist of redelijkerwijs moest vermoeden en of er dus sprake is van witwassen, dan wel schuldwitwassen. Indien dat laatste het geval is zal de rechtbank tot slot bespreken of sprake is van medeplegen.
2.3.2
De ten laste gelegde voorwerpen
2.3.2.1
Contant geld en codes voor wallets met virtuele valuta, aangetroffen tijdens de doorzoeking woning [adres 2] te [plaats 1]
Geldbedragen contant aangetroffen in euro’s
Op 30 juli 2020 is de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] in België doorzocht. Dit was op dat moment de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte], die een relatie hadden met elkaar, en hun kinderen. In die woning werden onder andere de volgende contante geldbedragen in euro’s aangetroffen:
 bureau living : € 185,00
 keukenkast
o naast kluis : € 7.176,00
o in kluis : € 11.705,00. [2]
In totaal is dit een bedrag van € 19.066,00.
Er bestond een financiële verwevenheid tussen [medeverdachte 1] en [verdachte], ze hadden samen twee kinderen en voerden een gemeenschappelijke huishouding. [verdachte] had vanaf augustus 2018 geen eigen legale inkomsten. In de ten laste gelegde periode waren er nagenoeg geen betalingen via de bankrekeningen van [verdachte] die zien op huishoudelijke kosten. [verdachte] heeft ter terechtzitting ook verklaard dat [medeverdachte 1] haar geld gaf voor het doen van boodschappen. Ze had geen andere inkomsten dan het geld dat binnenkwam op haar bankrekening en het geld dat zij van [medeverdachte 1] kreeg. De contante opnames van de bankrekeningen van [verdachte] vormen geen verklaring voor de contante uitgaven zoals die naar voren komen uit de kasopstelling die is opgesteld voor [medeverdachte 1] en [verdachte]. [3] De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] leefden van het geld dat in contanten beschikbaar was en het geld dat beschikbaar was via giftcards en op bankrekeningen op naam van aliassen van [medeverdachte 1] of katvangers. In de woning zijn meerdere giftcards en bankpassen op naam van aliassen en katvangers aangetroffen [4] . Naar het oordeel van de rechtbank kunnen [medeverdachte 1] en [verdachte] onder deze omstandigheden samen verantwoordelijk worden gehouden voor de hiervoor genoemde geldbedragen en kan worden aangenomen dat zij beiden de beschikkingsmacht hadden over deze voorwerpen. Dat geldt in beginsel ook voor de hierna nog te bespreken overige voorwerpen aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte].
Dit is anders voor de voorwerpen die zijn aangetroffen in de (grote) kluis die is aangetroffen in de slaapkamer van de woning. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] over die voorwerpen enige beschikkingsmacht had. In deze kluis zijn, naast het geldbedrag in euro’s en, zoals hierna zal blijken, de ‘seeds’ die toegang geven tot de virtuele valuta, bankkaarten aangetroffen op naam van [naam 2], een alias van [medeverdachte 1] en valse identiteitsbewijzen [5] . Zoals uit dit vonnis blijkt maakte [medeverdachte 1] voor zijn criminele activiteiten gebruik van valse identiteiten en bankrekeningen op naam van katvangers en op naam van alisassen. Uit het dossier blijkt niet dat in de kluis voorwerpen lagen die in relatie staan tot [verdachte]. Gelet op de ‘criminele’ inhoud van de kluis, en omdat het procesdossier geen concrete aanwijzingen bevat dat [verdachte] toegang had tot deze kluis, kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden dat [verdachte] beschikkingsmacht had over de voorwerpen in de kluis.
De rechtbank rekent verder het geldbedrag dat is aangetroffen in de kamer van de zoon van [verdachte] (€ 533,37) niet toe aan [verdachte]. Een groot deel van het geldbedrag bestond uit munten en voor het overige uit bankbiljetten met een waarde van niet meer dan € 50,00. Het bezit van een dergelijk geldbedrag door een tiener vindt de rechtbank niet ongebruikelijk.
In het navolgende zal de rechtbank daarom uitgaan van een contant geldbedrag dat in euro’s is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] en dat kan worden toegerekend aan [verdachte] van € 19.066,00.
Geldbedragen contant aangetroffen in andere valuta dan euro’s
Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] op 30 juli 2020 zijn tevens 1.340,00 Amerikaanse dollars (IBN-code [IBN-code]) en 190,00 Britse ponden (IBN-code [IBN-code]) aangetroffen. [6] De rechtbank heeft in het dossier geen stuk aangetroffen waarin de omrekening van deze geldbedragen naar euro’s is beschreven en heeft daarom gebruik gemaakt van een digitale wisselkoerscalculator met als omrekendatum 30 juli 2020. Daaruit volgt:
 1.340 1.340 Amerikaanse dollar = € 1.136,41
 1.340 190 Britse pond = € 209,48. [7]
Dat betekent dat in de woning in totaal een bedrag van omgerekend € 1.345,89 is aangetroffen aan buitenlandse valuta.
In de woning is tevens een geldbedrag van 110 Amerikaanse dollar aangetroffen. De rechtbank acht het op grond van het dossier aannemelijk dat het hier valse dollars betreft. De rechtbank zal het witwassen van deze dollars daarom niet verder bespreken.
Virtuele valuta
Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] op 30 juli 2020 zijn in een de kluis in de slaapkamer diverse papieren aangetroffen met lijsten van woorden (
‘seeds’) die duiden op toegang tot een cryptovaluta wallet. Ook in de iPhone 11 Pro (‘iPhone van [medeverdachte 1]’) (beslagcode [IBN-code]) (in gebruik bij [medeverdachte 1]) die op 30 juli 2020 in beslag is genomen in de woning zijn ‘seeds’ aangetroffen.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht zij niet bewezen dat [verdachte] de beschikkingsmacht had over de inhoud van de grote kluis die in de slaapkamer stond. Datzelfde geldt voor de inhoud van de telefoon iPhone 11 Pro (‘iPhone van [medeverdachte 1]’), die in gebruik was bij [medeverdachte 1]. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het witwassen van de virtuele valuta.
2.3.2.2
Contant geld (in verschillende valuta) en goud aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats]
Tijdens de doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] op 30 juli 2020 is in een kamer op de eerste verdieping van de woning, boven in een kast, een rode Kruidvattas aangetroffen die in een handdoek was gewikkeld. In deze tas werden diepvrieszakken met contant geld in euro’s (IBN-codes [IBN-code], zak A; [IBN-code], zak B; [IBN-code], zak C; [IBN-code], zak E, en [IBN-code], zak H), contant geld in vreemde valuta (IBN-code [IBN-code], zak D) en een goudbaar/-staaf in plastic folie met een geschat gewicht van 500 gram in een witte envelop met opdruk Hilton Rotterdam (IBN-code [IBN-code], zak G) aangetroffen. [8]
De diepvrieszakken met contant geld in euro’s bevatten de volgende geldbedragen:
 [IBN-code], zak A: € 25.000,00;
 [IBN-code], zak B: € 28.500,00;
 [IBN-code], zak C: € 14.000,00;
 [IBN-code], zak E: € 18.500,00;
 [IBN-code], zak H: € 6.500,00.
In totaal is dit een geldbedrag van € 92.500,00. [9]
De diepvrieszak met contant geld in vreemde valuta bevatte:
 320 320 Turkse Lira (TRY), omgerekend (na commissie) € 32,19;
 320 1.550 Deense Kronen (DKK), omgerekend (na commissie) € 203,55;
 320 20.300 Tsjechische Kronen (CZK), omgerekend (na commissie) € 703,90 (voor de berekening zie de overweging hierna);
 320 2 Amerikaanse dollars (USD), omgerekend (na commissie) € 1,67;
 320 8.015 Dubai Dirham (AED), omgerekend (na commissie) € 1.545,95;
 320 315 Britse Ponden (GBP), omgerekend (na commissie) € 450,11 [10] .
Wat de Tsjechische Kronen betreft merkt de rechtbank op dat er een verschil zit tussen het aantal genoemd in de kaskwitantie van de politie en de brief van [bedrijf 1] Uit die laatste brief kan aan de hand van de vermelde koers en de commissie de waarde in euro’s worden afgeleid. Daaruit volgt dat 20.300 Tsjechische Kronen na commissie (5%) een waarde hebben van € 703,90 (20.300 x 0,0365 [de koers] * (100% – 5%)).
In totaal is dus een geldbedrag van omgerekend € 2.937,37 in buitenlandse valuta aangetroffen in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats].
De goudbaar had een getaxeerde waarde van € 22.500,00. [11]
Op de buitenzijde van de envelop waarin zich de goudstaaf/-baar bevond zijn onder het logo Hilton Rotterdam twee dactyloscopische sporen veiliggesteld en gecodeerd met de Spoor Identificatie Nummers AAOG8646NL en AAOG8647NL. Deze sporen zijn onderzocht door het team forensische opsporing. Dit heeft voor beide sporen geleid tot een individualisatie van deze sporen op [verdachte], waarbij sprake is van een zeer grote mate van overeenkomst. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein. [12]
De diepvrieszakken waarin het geld in de [adres 1] te [woonplaats] is aangetroffen betreffen soortgelijke Toppits diepvrieszakken, als de diepvrieszakken waarin het geld en het goud zaten dat door [getuige 1] is afgegeven aan de politie (de rechtbank zal hierna in de paragraaf 2.3.2.3 ingaan op deze voorwerpen). In de iPhone XS, met de naam ‘iPhone van [medeverdachte 1]’ (beslagcode [IBN-code]) (in gebruik bij [medeverdachte 1] [13] ), zijn afbeeldingen aangetroffen van soortgelijke Toppits diepvrieszakken met daarin verpakt eurobiljetten. [14]
[verdachte] was op 30 juli 2020 de huurder van de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] en stond aldaar ingeschreven samen met haar drie kinderen. Zij gebruikte het adres ook als correspondentieadres voor haar bankrekening. Verder waren de Renault Clio die op haar naam stond en haar eenmanszaak ‘[bedrijf 2]’ geregistreerd op dit adres. [15]
De rechtbank acht voor de betrokkenheid van [verdachte] bij het geld en goud dat is aangetroffen in de woning in [woonplaats] verder van belang dat het geld is aangetroffen in soortgelijke diepvrieszakken als de diepvrieszakken waarin het geld zat dat bij de politie is afgegeven door [getuige 1] en waarvan de rechtbank hierna zal vaststellen dat [verdachte] die voorwerpen naar [getuige 1] heeft gebracht. Dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode niet in de woning is geweest, en niet wist dat het geld en het goud in de woning lag, acht de rechtbank, gelet op het voorgaande, volstrekt ongeloofwaardig. Zij had wetenschap van en beschikkingsmacht over het geld en het goud in de woning.
2.3.2.3
Contant geld en goud afgegeven door [getuige 1]
Op 5 februari 2021 heeft [getuige 1] een geldbedrag van € 85.000,00 (in coupures van € 500,00) (IBN-code [IBN-code]), een UBS baar goud 100 gram (IBN-code [IBN-code]), met een taxatiewaarde van € 4.850,00, en twee maal Umicore 50 gram goud (IBN-code [IBN-code]), met een taxatiewaarde van € 4.750,00, afgegeven aan de politie. [16] Het goud heeft een totale waarde van € 9.600,00 (€ 4.850,00 + € 4.750,00).
heeft op 5 februari 2021 verklaard dat hij het geld en het goud van zijn neef [medeverdachte 1] heeft bewaard. [medeverdachte 1] had via de app gevraagd of hij iets wilde bewaren, waarschijnlijk goud, dat [medeverdachte 1] had liggen. [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) kwam het ‘hen’ brengen in [plaats 2]. Hij woonde toen net als [getuige 1] (de rechtbank begrijpt: [getuige 2], de broer van [getuige 1]) nog bij zijn ouders. [getuige 1] denkt dat hij toen ‘alle drie’ (de rechtbank begrijpt: het geld, het goud en de gouden munten) heeft gekregen. Er is nooit goud opgehaald. Hij heeft het bewaard in zijn eigen kamer en in [plaats 3], waar hij nu vier jaar op kamers woont. Dat geld had hij al een tijd en toen is hij naar Düsseldorf gegaan en daar heeft [medeverdachte 1] hem gevraagd of hij meer in bewaring wilde nemen. Daar heeft hij ja op gezegd. Hij kreeg toen DVD-spelers mee, daar zat het geld in. Hij moest ze openschroeven en schat dat hij 150 of 200 duizend heeft gekregen. Er is twee of drie keer geld opgehaald door een persoon die zich [accountnaam 1] noemde. [17] Het geld dat hij heeft afgegeven aan de politie heeft hij geteld. Het is € 85.000,00 en 200 gram goud. [18]
Uit het voorgaande leidt de rechtbank het volgende af. [getuige 1] bewaarde het geld voor [medeverdachte 1]. [verdachte] heeft in ieder geval een deel van het geld en het goud naar [getuige 1] gebracht en (in opdracht van [medeverdachte 1]) aan hem overgedragen toen deze nog in [plaats 2] bij zijn ouders woonde en was dus op de hoogte van de aanwezigheid van deze voorwerpen bij [getuige 1]. Dat [verdachte] het geld en het goud naar [getuige 1] heeft gebracht blijkt uit de verklaring van [getuige 1] van 5 februari 2021. De rechtbank houdt hem aan deze verklaring. Hij noemt daarin onomwonden [verdachte] ([verdachte]) als de persoon van wie hij het geld en het goud heeft ontvangen, terwijl hij ook overigens gedetailleerd heeft verklaard, wat bijdraagt aan de conclusie dat hij naar waarheid heeft verklaard. Dat hij bij de rechter-commissaris zegt niet meer te weten of het [verdachte] is geweest die het geld bij hem heeft gebracht is mogelijk te wijten aan het tijdsverloop dan wel alsnog terughoudendheid om over [verdachte] te verklaren.
Gelet op de (financiële) verwevenheid tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [verdachte] in de periode dat het geld en het goud bij [getuige 1] lag daarover ook beschikkingsmacht had.
2.3.2.4
Contant geld en goud aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 3] te [plaats 2]
Op 2 februari 2021 is de woning aan de [adres 3] te [plaats 2] doorzocht. Tijdens die doorzoeking werd in een doosje van een lamp een gele Jumbotas met daarin contant geld aangetroffen. Het betrof een contant geldbedrag (IBN-code [IBN-code]) bestaande uit:
 60 60 biljetten van € 50,00 = € 3.000,00;
 60 100 biljetten van € 100,00 = € 10.000,00;
 60 100 biljetten van € 200,00 = € 20.000,00;
 60 50 biljetten van € 500,00 = € 25.000.
In totaal is dit een geldbedrag van € 58.000,00.
Daarnaast zijn in de woning 3 goudstaven van 500 gram (IBN-code [IBN-code]) en 14 gouden munten (IBN-code [IBN-code]) aangetroffen. [19] De goudstaven hadden een taxatiewaarde van in totaal € 67.545,00. De 14 gouden munten zijn getaxeerd op € 20.500,00. [20] De totale waarde van het aan de [adres 3] te [plaats 2] aangetroffen goud is dus € 88.045,00.
De woning aan de [adres 3] te [plaats 2] is de woning van [getuige 2]; een neef van [medeverdachte 1]. [21]
[getuige 2] heeft op 2 februari 2021 verklaard dat het geld en het goud dat bij hem is aangetroffen van [medeverdachte 1] zijn, althans dat hij het van hem heeft gekregen. Hij schat het geld en goud ongeveer 2 à 3 jaar in zijn bezit te hebben. Het zat onder een lampje in een doos. Hij had via Wickr contact met [medeverdachte 1] als [medeverdachte 1] geld nodig had. Iemand bracht dan wat of kwam iets halen. Het ging altijd in opdracht van [medeverdachte 1]. Als [medeverdachte 1] in een Wickr-gesprek praat over de muziekspeler, dan heeft hij het over geld. [getuige 2] heeft op advies van [medeverdachte 1] een Wickr-account aangemaakt. Hij is het account [accountnaam 2]. [getuige 2] gaat ervan uit dat het account [accountnaam 3] [medeverdachte 1] is. Als hij via Wickr contact had met [medeverdachte 1] gebruikte [medeverdachte 1] dat account. [22]
In een Wickr-gesprek van 30 november 2019 wordt tussen de accounts [accountnaam 3] ([medeverdachte 1]) en [accountnaam 2] ([getuige 2]) gesproken over het geld en goud. [accountnaam 3] ([medeverdachte 1]) vraagt in dat gesprek aan [accountnaam 2] ([getuige 2]) om het geld en goud te tellen. Ook vraagt [accountnaam 2] ([getuige 2]) hoeveel er in de muziekspeler zit en “dat was 30k toch?”. [23] Verder is in de telefoon ‘iPhone van [medeverdachte 1]’ (beslagcode [IBN-code]) (in gebruik bij [medeverdachte 1] [24] ) een screenshot van een Wickr-chat aangetroffen, waarin het account [accountnaam 2] ([getuige 2]) een foto stuurt waarop goudbaren en gouden munten te zien zijn en de vraag stelt “Moet je wat hebben? Anders ruim ik het weer op”. [25]
Op grond van de verklaring van [getuige 1], zoals aangehaald in paragraaf 2.3.2.3, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] (in opdracht van [medeverdachte 1], voor wie [getuige 1] de voorwerpen bewaarde) het geld en het goud aan ‘hen’ ([getuige 1] en [getuige 1]) heeft overgedragen toen zij beiden nog bij hun ouders in [plaats 2] woonden.
Gelet op de (financiële) verwevenheid tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [verdachte] in de periode dat het geld en het goud bij [getuige 2] lag daarover ook beschikkingsmacht had.
2.3.2.5
De Rolex horloges
Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] op 30 juli 2020 zijn in de keuken twee Rolex horloges aangetroffen, de een met het kenmerk s/n 1R358832 (IBN-code [IBN-code]) en de ander met het kenmerk s/n 1470C273 (IBN-code [IBN-code]). In de slaapkamer van [medeverdachte 1] en [verdachte] is een Rolex horloge aangetroffen met kenmerk s/n 6821TOK1 (IBN-code [IBN-code]). De horloges waren telkens opgeborgen in een etui met daarin ook een certificaat. [26] De drie horloges vertegenwoordigen volgens de politie een waarde van € 63.600,00. [27]
[verdachte] heeft ter terechtzitting met betrekking tot de horloges verklaard dat zij wel eens wat gezien heeft [28] , maar dat ze niet van haar waren.
Voor de horloges geldt, net als voor het geld, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] onder de genoemde omstandigheden in paragraaf 2.3.2.1 beiden verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de voorwerpen die zijn aangetroffen in hun woning en dat kan worden aangenomen dat zij beiden de beschikkingsmacht hadden over deze voorwerpen.
2.3.2.6
Audi A6 met kenteken [kenteken 1]
Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] op 30 juli 2020 is een Audi A6 aangetroffen. Ook tijdens een observatie door de Belgische politie op 8 januari 2020 is gezien dat deze auto voor de woning van [medeverdachte 1] stond.
Uit onderzoek kwam naar voren dat deze auto in België twee kentekens heeft gehad, te weten de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3]. In de periode van 9 januari 2019 tot en met 10 juni 2020 stond deze auto, toen voorzien van het kenteken [kenteken 2], op naam van [naam 3], geboren op [geboortedatum 2] 1979. In de periode van 10 juni 2020 tot en met 9 november 2020 stond de auto, toen voorzien van het kenteken [kenteken 3], op naam van [naam 4]. Op 20 november 2020 is de auto ingeschreven in Nederland en voorzien van het kenteken [kenteken 1]. In de periode van 20 november 2020 tot en met 19 december 2020 stond de auto op naam van [naam 5], een vennoot van [medeverdachte 2]. Vanaf 19 december 2020 staat de Audi A6 op naam van [naam 6], de vriendin van [medeverdachte 2].
Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] op 30 juli 2020 zijn de volgende documenten aangetroffen die zien op de Audi A6:
 een aankoopfactuur d.d. 14-01-2019 (totale prijs € 18.500,00, waarvan € 3.000,00 contant voldaan) met als koper [naam 3];
 een eigendomsbewijs van in bewaring gegeven goederen d.d. 11 december 2018 van de firma [bedrijf 3] op naam van [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]);
 een bon d.d. 11 december 2018 van de firma [bedrijf 3] van een bandenwissel op naam van [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]);
 een eigendomsbewijs van in bewaring gegeven goederen d.d. 15 januari 2019 van de firma [bedrijf 3] op naam van [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]);
 een bon d.d. 15 januari 2019 van de firma [bedrijf 3] van een bandenwissel op naam van [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]). [29]
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij wel eens in de auto heeft gereden. De auto stond altijd voor de deur. [medeverdachte 1] kon de auto gebruiken wanneer hij wilde. [30]
Op 2 februari 2021 is tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2], gelegen op het adres [adres 4] te [plaats 4], een telefoon Apple iPhone X (IBN-code [IBN-code]) in beslag genomen, die in gebruik was bij [medeverdachte 2] [31] . [32] In deze telefoon zijn de volgende documenten aangetroffen in relatie tot de Audi A6:
 een notitie van diverse betalingen waaronder de vermeldingen “20k auto” en “1500 verschil Audi A6 18500”;
 een foto van de bestelbon d.d. 17 december 2018 van de Audi A6 (totale prijs
€ 18.500,00);
 een foto van een paspoort op naam van [naam 3], geboren op
28 november 1979;
 een foto van een identiteitsbewijs op naam van [naam 3], geboren op
[geboortedatum 2] 1979;
 een foto van het Belgische kentekenbewijs deel 1 van de Audi A6 met kenteken
[kenteken 2];
 een foto van een verzekeringsbewijs voor de Audi A6 met een geldigheid van
28 februari 2019 tot en met 31 januari 2020 op naam van [naam 3];
 een foto van een ‘Ontvangstbewijs penale boeten’ ten laste van de bestuurder [medeverdachte 3] en het betrokken voertuig Audi A6 met kenteken [kenteken 2], geregistreerd op naam van [naam 3], waarbij een bedrag van € 5.288,92 in contanten is ontvangen van de bestuurder;
 een foto van een boete van een verkeersovertreding d.d. 14 maart 2019 op naam van [naam 3] voor een overtreding begaan met het voertuig met kenteken
[kenteken 2] op 9 maart 2019;
 een brief kopie aan de overtreder van een proces-verbaal van 15 maart 2019 op naam van [naam 3] voor een overtreding begaan met het voertuig met kenteken
[kenteken 2] op 24 februari 2019;
 een brief Onmiddellijke inning d.d. 15 maart 2019 van een verkeersovertreding op naam van [naam 3] begaan met het voertuig met kenteken [kenteken 2] op
24 februari 2019;
 een aanmaning tot betalen van een verkeersboete d.d. 15 april 2019 op naam van [naam 3] begaan met het voertuig met kenteken [kenteken 2] op 24 februari 2019;
 een foto van een boete van een verkeersovertreding d.d. 10 juli 2019 op naam van [naam 3] voor een overtreding begaan met het voertuig met kenteken
[kenteken 2] op 25 juni 2019;
 een foto van een aanslagbiljet inzake verkeersbelasting met datum verzending
25 februari 2020 op naam van [naam 3] voor de Audi A6 met kenteken [kenteken 2];
 een foto van een boete van een verkeersovertreding d.d. 25 maart 2020 op naam van [naam 3] voor een overtreding begaan met het voertuig met kenteken
[kenteken 2] op 9 januari 2020;
 een foto van een boete van een verkeersovertreding d.d. 13 april 2020 op naam van [naam 3] voor een overtreding begaan met het voertuig met kenteken
[kenteken 2] op 4 april 2020;
 een aanmaning tot betalen van een verkeersboete d.d. 12 juni 2020 op naam van [naam 3] voor een overtreding begaan met het voertuig met kenteken [kenteken 2] op 4 april 2020. [33]
De rechtbank concludeert uit de voorgaande bewijsmiddelen dat de auto bestemd was voor [medeverdachte 1] en dat de aankoop van de auto is geregeld via [medeverdachte 2] en [naam 3] , een katvanger.
Op 18 augustus 2020 belt [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) naar het nummer [telefoonnummer 1]. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat dit telefoonnummer van hem is. In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
(…)
[medeverdachte 1] zit nu alleen nog met die Audi. Die staat op naam van die "taxi" maar dat gaat over een paar dagen veranderen.
NNM zegt; "er is maar 1 optie en dat is exporteren. Naar Nederland. Dus dat we hem gewoon exporteren naar Nederland en dan vinden we een optie, weet je wel, of en we verkopen hem of weet ik veel. Dan heb je in ieder geval iets, snap je?"
[medeverdachte 1] zegt dat die dan wel op iemands naam komen.
NNM zegt; "ja, oke"
[medeverdachte 1] zegt; "ik weet niet of je daar iets voor hebt?"
NNM zegt; "moet ik die gast nog even in elkaar timmeren of niet?"
[medeverdachte 1] zegt; "wie die taxi? Nou dat komt later. Hij moet eerst die Audi van zijn naam afhalen man. En ik krijg nog iets van hem he?”
NNM zegt; "ik sla hem helemaal de tering in, vuile hond"
[medeverdachte 1] zegt; "ja het is een viezerik.. ik wist. ..maat ik heb alijd een voorgevoel"
[medeverdachte 1] zegt dat ze eerst die auto op safe moeten hebben voordat ze ruzie gaan maken.
NNM zegt; "nee, nee we gaan sowieso geen ruzie met hem maken. Hij gaat eerst van zijn naam af. Ik moet even nadenken hoe ik dat ga doen man, bro. Op een goeie manier. Maar heb jij zijn telefoonnummer dan bel ik hem op'
[medeverdachte 1] zegt; "ja ik heb zijn nummer"
NNM zegt; "oke, je moet hem opbellen. Je zegt tegen hem 'luister er belt een jongen, die heet [naam 7], die gaat het met ou afwikkelen' en klaar"
[medeverdachte 1] zegt; "oke, is goed"
[medeverdachte 1] zegt dat NNM er ook wel in mag gaan rijden dan pakt [medeverdachte 1] hem daarna wel weer.
NNM zegt dat ze dit eerst af moeten wikkelen en vraagt of het op naam van [verdachte] kan.
[medeverdachte 1] zegt dat dat niet kan. Zij heeft er al 1 op naam en kan dat financieel niet verantwoorden.
NNM zegt; "laat me even goed nadenken"
[medeverdachte 1] zegt dat die werkverklaring het belangrijkste is nu.
NNM zegt dat hij zijn eigen auto weg doet en het dan regelt voor [medeverdachte 1].
NNM wil het nummer van die man.
[medeverdachte 1] zegt; "[telefoonnummer 2]"
(…)” [34]
Uit onderzoek van de politie komt naar voren dat de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] woonachtig is op het adres [adres 5] te [plaats 5]. Dit is het woonadres van een persoon genaamd [naam 4]. [35] Dat is de persoon op wiens naam op het moment van het hiervoor aangehaalde telefoongesprek de Audi A6 geregistreerd staat.
Op 24 augustus 2020 belt [medeverdachte 1] naar het nummer [telefoonnummer 1] ([medeverdachte 2]). In dit gesprek wordt door [medeverdachte 2] onder andere het volgende gezegd:
“(…)
ik ga die auto invoeren nu ik een accoord van je heb, kan ik dat gaan doen en dan laat ik je het weten.
(…)” [36]
Beide gesprekken zijn weliswaar van na de ten laste gelegde periode, maar de rechtbank ziet in de gesprekken de bevestiging dat de Audi A6 feitelijk toebehoorde aan [medeverdachte 1]. Dit volgt overigens voorts uit de stukken die zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] en in de telefoon van [medeverdachte 2].
De Audi heeft volgens de politie een waarde van € 8.600,00. [37]
2.3.3
De criminele herkomst
2.3.3.1
Juridisch kader
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de op artikel 420bis Sr en verder toegesneden tenlastelegging, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
2.3.3.2
Gerechtvaardigd vermoeden van criminele herkomst
2.3.3.2.1 Criminele antecedenten van [medeverdachte 1]
heeft zich in maart 2017 onttrokken aan zijn detentie naar aanleiding van een verdenking van carrouselfraude en hield zich aanvankelijk in Duitsland en vanaf medio 2018 in België verborgen voor de Nederlandse autoriteiten. In België leefde hij onder de valse naam [medeverdachte 1] . [38] Uit het relaas van het onderzoek Marker volgt verder dat [medeverdachte 1] onder andere wordt verdacht van het als (mede)pleger betrokken zijn bij meerdere grootschalige bedrijfsoplichtingen en de het produceren en verspreiden van vals geld. [39]
2.3.3.2.2 De financiële positie van [medeverdachte 1] en [verdachte]
Volgens de gegevens van de Belastingdienst had [medeverdachte 1] sinds 2017 geen inkomsten en had hij geen bezittingen (waaronder onroerend goed) op naam staan. [40] [medeverdachte 1] heeft bij de politie in België verklaard dat hij geen maandelijks inkomen heeft. Hij doet dit (de rechtbank begrijpt: het namaken van bankbiljetten) omdat hij al drie jaar op de vlucht is, anders geen geld heeft en “toch moet leven”. Hij kreeg soms klusjes aangeboden om geld te verdienen. Dat waren geen legale klusjes. [41]
[verdachte] stond van 17 oktober 2012 tot 5 februari 2018 onder bewind. [42] Tot 25 juli 2018 ontving [verdachte] een uitkering volgens de Participatiewet. Die uitkering is per die datum beëindigd, omdat [verdachte] niet aan haar inlichtingenverplichting voldeed. [43] Tot maart 2018 ontving [verdachte] wekelijks een bedrag van de Stichting Kredietbank Nederland met als omschrijving ‘huishoudgeld’. Dit bedrag werd steeds contant opgenomen. Vanaf maart 2018 ontvangt [verdachte] inkomsten uit haar bijstands- en WW-uitkering en daarnaast kindgebonden budget, kinderbijslag en zorg- en huurtoeslag op haar bankrekening. Vanaf dat moment worden de vaste lasten voor de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] ook afgeschreven van de rekening. [verdachte] had volgens de gegevens van de Belastingdienst in 2018 en haar Aangifte inkomstenbelasting over 2018 geen andere inkomsten of bezittingen (waaronder contant geld voor een bedrag van meer dan € 527,00). Wel wordt in februari 2018 nog een bedrag van € 12.721,08 bijgeschreven op haar rekening in verband met de beëindiging van haar onderbewindstelling. Dit bedrag is vervolgens grotendeels overgeschreven naar de rekening van haar zoon. Het totale inkomen van [verdachte] over 2018 was volgens haar Aangifte inkomstenbelasting € 9.117,00.
Van oktober 2018 tot en met december 2019 ontving [verdachte] maandelijks een bedrag van ongeveer € 1.600,00 (in totaal € 24.010,00) op haar bankrekening, dat werd overgemaakt vanaf de rekening ten name van [naam 8].Ben met als omschrijving ‘Salaire’. Deze inkomsten zijn door [verdachte] niet opgegeven bij de Belastingdienst. [44] Volgens de politie betreft dit een vals dienstverband. Het betreft volgens de arbeidsovereenkomst een dienstverband voor de duur van 38 uur per week als schoonmaakster bij een supermarkt in [plaats 6] in België. De afstand tussen [plaats 1] en [plaats 6] is ruim 100 kilometer. Verder zitten er in het dossier verschillende afbeeldingen van Wickr-gesprekken waaruit kan worden afgeleid dat geen sprake is van een werkelijk dienstverband. [45] Op basis van de resultaten van het onderzoek van de politie, zoals hiervoor weergegeven, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het hier inderdaad om een fictief dienstverband gaat. Daarbij betrekt de rechtbank dat de oudste dochter van [medeverdachte 1] en [verdachte], [naam 9], op [geboortedatum 3] 2018 is geboren. [46] De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat [verdachte] vanaf 1 september 2018, hoogzwanger, op een uur rijden van haar woning fulltime schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht.
Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat zij het geld dat binnenkwam op haar bankrekening gebruikte voor de vaste lasten van de woning in [woonplaats] (de rechtbank begrijpt: haar huurwoning). [medeverdachte 1] gaf haar geld voor het doen van boodschappen. Ze had geen andere inkomsten dan het geld dat binnenkwam op haar bankrekening en het geld dat zij van [medeverdachte 1] kreeg. [47]
2.3.3.2.3 De specifieke feiten en omstandigheden met betrekking tot de voorwerpen
Ten aanzien van de contante geldbedragen in euro’s en buitenlandse valuta die zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] in [plaats 1], in de huurwoning van [verdachte] in [woonplaats] en de woning van [getuige 2] in [plaats 2], en ten aanzien van het geldbedrag dat is afgegeven aan de politie door [getuige 1] valt op dat het telkens om grote contante geldbedragen gaat, die in woningen waren opgeslagen. Het opslaan van dergelijke geldbedragen in een woning is niet gebruikelijk en brengt het risico op diefstal mee. Wat betreft het geldbedrag dat is afgegeven door [getuige 1] valt op dat het bestond uit coupures van € 500,00, zijnde coupures die lastig te gebruiken zijn in het dagelijkse betalingsverkeer en veel worden aangetroffen in het criminele circuit. Het opslaan van een geldbedrag in grote coupures neemt immers relatief weinig ruimte in beslag. Wat betreft de geldbedragen die waren opgeslagen bij [getuige 1] en [getuige 1] kan uit hun verklaringen verder worden afgeleid, dat daarvoor geprepareerde opslagplaatsen werden gebruikt, namelijk een lampje ([getuige 2]) en DVD-spelers ([getuige 1]). Ook het in een woning bewaren van vermogen in goud (in de huurwoning van [verdachte] en bij [getuige 1] en [getuige 1]) is niet gebruikelijk en brengt het risico van diefstal mee.
Voor de contante geldbedragen, het goud en de horloges geldt verder dat voor deze voorwerpen een administratief spoor ontbreekt. Het herleiden van deze goederen naar een specifieke herkomst of naar een rechthebbende is niet zonder meer mogelijk.
Van de Audi A6 valt op dat [medeverdachte 1] dit voertuig niet zelf op naam had staan, terwijl hij wel kan worden aangemerkt als de feitelijke rechthebbende. De aankoop van de auto is geregeld via [medeverdachte 2] en een katvanger.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, de criminele antecedenten van [medeverdachte 1] en de financiële situatie van [medeverdachte 1] en [verdachte], is de rechtbank van oordeel dat er ten aanzien van de contante geldbedragen in euro’s en andere valuta, het goud, de Rolex horloges en de Audi A6 een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat deze voorwerpen afkomstig zijn uit misdrijf.
Dat betekent dat van [verdachte] kan worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn.
2.3.3.2.4 De verklaring van [verdachte] en haar wetenschap
[verdachte] heeft geen verklaring afgelegd over de herkomst van de voorwerpen.
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de printers in de woning in [plaats 1] (de rechtbank begrijpt: de printers in de woning die werden gebruikt voor het produceren van vals geld) heel vervelend vond. Ze was boos en teleurgesteld. Ze wist dat [medeverdachte 1] op de vlucht was voor de politie en dat hij een valse naam gebruikte. Ze wist verder dat de zaak waarvoor [medeverdachte 1] op de vlucht was ging over belastingfraude. Toen in die zaak een inval werd gedaan in de toenmalige woning van [medeverdachte 1] was ze bij hem. Ze wist ook dat hij toen een wapen, ze denkt een taser, in huis had liggen. [48] [verdachte] heeft over de activiteiten van [medeverdachte 1] verder verklaard dat hij de hele dag op zijn telefoon en laptop zat en altijd in de handel heeft gezeten. Hij handelde vooral in iPhones.
Het voorgaande betekent dat [verdachte] geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de (legale) herkomst van de voorwerpen op de tenlastelegging. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen, het goud en de Rolex-horloges die zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] in [plaats 1], de huurwoning van [verdachte] in [woonplaats] en de woning van [getuige 2] in [plaats 2], alsook het geldbedrag en het goud dat bij de politie is afgegeven door [getuige 1], alsook de Audi A6 afkomstig zijn van enig misdrijf.
Het kan naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet anders dan dat [verdachte] ook op de hoogte was van die criminele herkomst. Dat zij niet wist van welk misdrijf de voorwerpen afkomstig waren is daarvoor niet van belang. [verdachte] wist dat [medeverdachte 1] op de vlucht was voor een zaak die te maken had met belastingfraude. Zij was aanwezig bij de inval door de politie destijds en wist dat bij [medeverdachte 1] een wapen was aangetroffen. Zij was er verder van op de hoogte dat [medeverdachte 1] vals geld produceerde en wist dat [medeverdachte 1] een valse naam gebruikte. Dat [verdachte] moet hebben geweten van de criminele herkomst van de voorwerpen volgt verder uit het feit dat er sprake was van grote contante geldbedragen, waarvan ook zij moet hebben geweten dat het contant voorhanden hebben van dergelijke grote geldbedragen ongebruikelijk is. Het volgt ook uit het feit dat zij wist dat geld en goud verborgen werd op andere locaties dan in hun gezamenlijke woning in [plaats 1], namelijk bij [getuige 1] en [getuige 2] en in haar huurwoning in [woonplaats]. Tot slot moet zij hebben geweten dat er voor haar een vals dienstverband was geregeld. Naar de rechtbank begrijpt, was dit vals dienstverband bedoeld om het beschikken over giraal geld te kunnen verantwoorden en om onder andere van dat geld de vaste lasten voor de huurwoning in [woonplaats] te betalen.
Over de verklaring die door [medeverdachte 1] in zijn eigen zaak ter terechtzitting is afgelegd en die ziet op de betrokkenheid van [naam 1]/[naam 1] merkt de rechtbank op, onder verwijzing naar het vonnis van [medeverdachte 1] (parketnummer 05/141699-24) dat zij die verklaring volstrekt ongeloofwaardig vindt.
2.3.4
Conclusie witwassen en medeplegen
2.3.4.1
De voorwerpen die zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte]
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] de voorwerpen die in de woning in [plaats 1] zijn aangetroffen, te weten:
 een geldbedrag van € 19.066,00;
 een geldbedrag in buitenlandse valuta van omgerekend € 1.345,89;
 de Rolex horloges met de kenmerken s/n 1R358832, s/n 1470C273 en s/n 6821TOK1;
heeft witgewassen door deze voorwerpen op 30 juli 2020 in nauwe en bewuste samenwerking met haar partner en medebewoner [medeverdachte 1] voorhanden te hebben.
2.3.4.2
Contant geld (in euro’s en buitenlandse valuta) en goud dat is aangetroffen in de woning in [woonplaats]
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte], in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1], het geldbedrag van € 92.500,00, het geldbedrag ter waarde van
€ 2,937,37 in buitenlandse valuta en het goud ter waarde van € 22.500,00 dat is aangetroffen in de huurwoning van [verdachte] heeft witgewassen door deze voorwerpen op 30 juli 2020 voorhanden te hebben. Door deze voorwerpen te verbergen op een andere plaats dan waar [medeverdachte 1] en [verdachte] daadwerkelijk verbleven, hebben zij op 30 juli 2020 bovendien in nauwe en bewuste samenwerking verborgen en verhuld wie de voorwerpen daadwerkelijk voorhanden had. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat [verdachte] de herkomst van en de rechthebbende op de voorwerpen heeft verborgen en verhuld. Het enkel in contanten bewaren van geld of het bewaren van goudbaren is daarvoor onvoldoende.
2.3.4.3
Contant geld en goud dat in bewaring is gegeven aan [getuige 1] en [getuige 1]
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en [getuige 1] het goud ter waarde van € 9.600,00 en het geldbedrag van in totaal € 85.000,00, dat door [getuige 1] is afgegeven aan de politie, heeft witgewassen door deze voorwerpen voorhanden te hebben. Dit vond plaats vanaf ten minste het begin van de ten laste gelegde periode op 1 januari 2018.
De rechtbank acht voorts bewezen dat [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en [getuige 2] het goud ter waarde van € 88.045,00 en het geldbedrag van in totaal € 58.000,00 dat bij [getuige 2] is aangetroffen, ten minste vanaf het begin van de ten laste gelegde periode op 1 januari 2018 heeft witgewassen door deze voorwerpen voorhanden te hebben.
De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] deze geldbedragen in de ten laste gelegde periode aan [getuige 1] en [getuige 2] heeft overgedragen. Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] moet deze overdracht hebben plaatsgevonden voor 1 januari 2018.
Door de voorwerpen op te slaan bij [getuige 1] en [getuige 2] hebben [medeverdachte 1] en [verdachte], in nauwe en bewuste samenwerking met elkaar en met [getuige 1] en [getuige 2], verborgen en verhuld wie de voorwerpen voorhanden had en verborgen en verhuld wie de rechthebbende op de voorwerpen was. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode heeft verborgen en verhuld wat de herkomst van de voorwerpen was.
2.3.4.4
Audi A6 met kenteken [kenteken 1]
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de Audi A6 met kenteken [kenteken 1] in de periode van 11 december 2018 (dat is de datum van de bon bandenwissel firma [bedrijf 3]) tot en met het einde van de ten laste gelegde periode heeft witgewassen door deze auto in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] voorhanden te hebben en te gebruiken.
2.3.5
Verzoek horen getuige [getuige 3]
2.3.5.1
De standpunten
De verdediging heeft verzocht [getuige 3] (opnieuw) als getuige te horen. Het horen van deze getuige is eerder op grond van het verdedigingsbelang toegewezen in de zaak van [verdachte]. De getuige is ter terechtzitting gehoord, maar wilde op de meeste vragen geen antwoord geven. Wel gaf de getuige aan mogelijk wel antwoord te geven op vragen als hij zou worden bijgestaan door een advocaat. Het is in het belang van de waarheidsvinding de getuige effectief te kunnen ondervragen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. [getuige 3] is een aantal keren opgeroepen. Hij is zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting zonder advocaat verschenen en heeft een verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij [verdachte] en [medeverdachte 1] niet kent. Voor het overige heeft hij zich op het verschoningsrecht beroepen. Dat recht heeft hij. Het openbaar ministerie heeft nog geen definitieve beslissing genomen over zijn vervolging. Het is gelet op dit omstandigheden maar de vraag of [getuige 3] anders zou verklaren in het bijzijn van een advocaat. Daarnaast heeft verdediging haar verzoek onvoldoende onderbouwd.
2.3.5.2
De beoordeling van de rechtbank
Zoals ook al ter terechtzitting van 23 september 2025 is aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om haar recht tot ondervraging van de getuige [getuige 3] uit te oefenen, doordat de getuige ter terechtzitting een beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht.
In haar aanvankelijke verzoek d.d. 28 juli 2024 tot het horen van de getuige en de aanvulling daarop in de pleitaantekeningen voor de regiezitting van 24 februari 2025 heeft de verdediging haar verzoek onderbouwd door te stellen dat [getuige 3] een katvanger zou zijn. Dat zag onder andere op de betrokkenheid van de getuige bij de vennootschap [bedrijf 4] en de betrokkenheid van een bankrekening van die vennootschap bij de verkoop van goudbaren. De opbrengst van die verkopen zou via de rekening van [bedrijf 4] zijn overgemaakt naar rekeningen op naam van [bedrijf 5]. [getuige 3] zou zo als katvanger zijn gebruikt voor de aankoop van de woning aan de [adres 6] in [plaats 7]. Verder hebben er vanaf de rekeningen op naam van [bedrijf 4], [getuige 3] en [getuige 3] h/o [bedrijf 6] verschillende contante geldopnames plaatsgevonden. [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij de bankpas van zijn zakelijke rekening had afgegeven. Hij wilde niet zeggen aan wie. Hij verklaarde alleen katvanger te zijn geweest. De verdediging wil [getuige 3] vragen met wie hij contact heeft gehad, van wie hij zijn opdrachten heeft gekregen en of hij contact heeft gehad met [verdachte].
De rechtbank overweegt dat het witwassen van de woning aan de [adres 6] te [plaats 7] niet aan [verdachte] ten laste is gelegd. Datzelfde geldt voor het witwassen door middel van het verkopen van goudbaren, het witwassen via contante geldopnames en het witwassen door gebruikmaking van verschillende bankrekeningen. Ook overigens volgt uit de beoordeling van de ten laste gelegde feiten geen betrokkenheid van [getuige 3] bij de bewezenverklaarde witwashandelingen. Dat betekent dat [verdachte] geen redelijk belang heeft bij het (opnieuw) horen van [getuige 3] als getuige. Door de afwijzing van het verzoek is ook geen sprake van strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van getuige [getuige 3] daarom af.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 te [plaats 1] en/of [woonplaats] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3],
althans in België en/of Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,(telkens)
(een)geldbedrag
(en
)en
/of (een)voorwerp
(en
), te weten:
- een contant geldbedrag van €
19.066en
/of
- een contant geldbedrag van €
1.345,89(bestaande uit diverse buitenlandse valuta) en
/of
- een contant geldbedrag van € 92.500 en
/of
- een contant geldbedrag van €
2.937,37(bestaande uit buitenlandse valuta) en
/of
- een contant geldbedrag van € 58.000 en
/of
- een contant geldbedrag van € 85.000 en
/of
-
virtuele valuta met een waarde van €41.037,01 en/of
- goud met een waarde van € 22.500 en
/of
- goud met een waarde van € 88.045 en
/of
- goud met een waarde van € 9.600 en
/of
- een auto (Audi A6 met kenteken [kenteken 1]) met een waarde van € 8.600 en
/of
-
een ofmeer Rolex horloge
(s
)(met een gezamenlijke waarde van € 63.600)
heeft verworven en/ofvoorhanden heeft gehad
, heeft overgedragen en/of omgezeten/of gebruikt en/of
de herkomst verborgen en/of verhuld en/ofverborgen en
/ofverhuld wie de rechthebbende op
dit/deze geldbedrag
(en
)en
/ofvoorwerp
(en
)was en/of verborgen en
/ofverhuld wie
dit/deze geldbedrag
(en
)en
/ofvoorwerp
(en
)voorhanden had, terwijl zij en
/ofhaar mededader(s) telkens wist
(en
),
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden,dat
dit/deze geldbedrag
(en
)en
/ofvoorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -
(mede)afkomstig
was/waren uit enig
(eigen)misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van 240 uren, met aftrek van vier uren vanwege het ondergane voorarrest van twee dagen, en daarnaast tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van één jaar.
7.2
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar strafopleggingen in andere (nader genoemde) strafzaken, verzocht om maatwerk te leveren en daarom bepleit dat wordt volstaan met een taakstraf van 240 uren, mogelijk deels in voorwaardelijke vorm. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet passend. [verdachte] zat toentertijd in een slecht huwelijk met [medeverdachte 1] en had de zorg voor drie kinderen. Ze wist niet hoe ze daar uit moest komen. Het gaat niet goed met haar; ze kampt met psychische klachten. [verdachte] heeft haar straf al gehad.
7.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.
[verdachte] heeft zich samen met anderen over een lange periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 schuldig gemaakt aan het witwassen van een aantal voorwerpen. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast werkt het faciliterend voor (ander) strafbaar handelen. Het betreft een ernstig feit, waarvoor [verdachte] geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen. Dat rekent de rechtbank haar aan. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat [verdachte] een beeld van zichzelf heeft willen schetsen als ware zij toentertijd tegen wil en dank betrokken (geraakt) in de “slechte situatie” waarin ze zich met [medeverdachte 1] bevond en waarin ze zich samen met hem heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Hoewel de rechtbank wel wil aannemen dat [verdachte] ten opzichte van [medeverdachte 1] een ondergeschikte rol vervulde, ziet de rechtbank het geschetste beeld niet terug in het procesdossier. Integendeel, uit het procesdossier, waaronder ook diverse chats, komt naar voren dat (ook) [verdachte] geen moeite had met de luxe leefstijl en zonder schroom volop heeft meegeprofiteerd van de door [medeverdachte 1] behaalde criminele opbrengsten.
Op zichzelf rechtvaardigt het bewezenverklaarde feit de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden.
De rechtbank houdt echter rekening met de navolgende persoonlijke omstandigheden van [verdachte].
Het strafblad van [verdachte] is vrijwel blanco en werkt dus niet strafverhogend. Op het strafblad staat enkel een strafbeschikking van 23 mei 2024, ten bedrage van € 500,00, voor een (volgens [verdachte] door haar zoon met een op haar naam staande bakwagen) begane overtreding. Dit brengt mee dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Verder is ter terechtzitting van 14 november 2025 gebleken dat [verdachte] alleenstaand is, niet werkt en sinds kort een bijstandsuitkering ontvangt. Wegens forse schulden die zijn voortgekomen uit een eerder door haar gedreven bedrijf is sprake van een schuldsaneringstraject en bewindvoering. Zij heeft de zorg voor drie kinderen die bij haar wonen, onder wie de twee minderjarige dochters van haar en [medeverdachte 1]. Volgens [verdachte] betaalt [medeverdachte 1] voor de dochters geen alimentatie. Sinds kort slikt ze medicatie in verband met psychische klachten en voert ze gesprekken met een praktijkondersteuner van de huisarts.
Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Hierover overweegt zij nog als volgt.
De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem/haar ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. Ingeval van overschrijding van de redelijke termijn is vermindering van de op te leggen straf de aangewezen sanctie. De duur van de redelijke termijn is blijkens vaste jurisprudentie mede afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, waaronder begrepen de gelijktijdige berechting van meerdere zaken tegen een verdachte. Ook andere omstandigheden kunnen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van in beginsel twee jaren is aangevangen op
22 augustus 2022, de datum waarop [verdachte] in verzekering is gesteld en voor de eerste maal is verhoord over (onder andere) de witwasverdenking. Vanaf die datum kon zij er rekening mee houden dat zij zou worden vervolgd. Tussen die datum en de datum van dit eindvonnis ligt een periode van drie jaren en ruim drie maanden.
Onderzoek Parra betreft een heel groot onderzoek, dat vijf deelonderzoeken omvat. Er is uitgebreid onderzoek verricht naar meerdere personen, onder wie [verdachte], en vele gegevensdragers, waaronder die van [verdachte]. Het einddossier is gereed gekomen op 31 oktober 2022. Hierna is sprake geweest van een omvangrijke regiefase, die is aangevangen in september 2024 en is afgerond in augustus van dit jaar. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dat voor de redelijke termijn een langere termijn dan twee jaren in acht wordt genomen. Maar ook dan is de redelijke termijn overschreden, dit door omstandigheden waarop de verdediging geen invloed heeft gehad. Zo heeft het na het gereed komen van het einddossier nog bijna twee jaren geduurd voordat het openbaar ministerie (met de dagvaarding van 5 september 2024) de vervolgingsbeslissing heeft genomen en de regiefase kon aanvangen. Ook het rooster van de rechtbank heeft hierbij een vertragende rol gespeeld. Van bijzondere omstandigheden die dit forse tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken.
De rechtbank zal, gelet op de omvang van onderzoek Parra en de andere hiervóór genoemde omstandigheden, uitgaan van een redelijke termijn van drie jaren. Daarmee is in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van drieënhalve maand. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdediging, dient dit gecompenseerd te worden.
De rechtbank zal in vergaande mate rekening houden met het feit dat [verdachte] de zorg draagt voor twee nog jonge kinderen, die afhankelijk van haar zijn. Daarvoor bestaat te meer reden nu de vader van de kinderen per vonnis van heden is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6,5 jaar. Gelet hierop, maar ook gezien de overige persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en de overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank passend en geboden een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis als [verdachte] deze taakstraf niet verricht, met aftrek van het voorarrest (van twee dagen, dat is vier uren), en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met een proeftijd van twee jaren.
Deze straf is hoger dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank het witwassen van meer voorwerpen bewezen vindt.

8.De beslissing over het beslag

De volgende goederen zijn in beslag genomen en vermeld op de beslaglijst:
Voorwerpnummer
Voorwerp
Waarde volgens beslaglijst
1
1 STK Goud
(Omschrijving:
PL0600-2020062696-G2405758,
Umicore, chassisnr: 500 gram)
22.500,00
2
25000 EUR ibn: 30-07-2020
(Omschrijving:
PL0600-ON33020003_G614494)
25.000,00
3
28500 EUR ibn: 30-07-2020
(Omschrijving:
PL0600-ON33020003_G614495)
28.500,00
4
14000 EUR ibn: 30-07-2020
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G614496)
14.000,00
5
Munteenheid divers ibn: 30-07-2020
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G614497 Specificatie: 320,00 TRY, 1.550,00 DKK, 20.300,00 CZK, 2,00 USD, 8.015,00 AED, 415,00 GBP.)
3.811,17
6
18500 EUR ibn: 30-07-2020
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G614498)
18.500,00
7
6500 EUR ibn: 30-07-2020
(Omschrijving:PL0600-ON33020003_G614501)
6.500,00
8
1 STK Rechten aan toonder ibn: 03-08-2020
(Omschrijving: Monero: 170,843251964188 XMR = EUR
12805.35
Ethereum: 9,998299 ETH = EUR
3283.09
Bitcoin: 1,16670107 BTC = EUR
11106.9
Minus 2,5% marge Bitonic = EUR 679,88. )
26.515,46
9
1 STK Rechten aan toonder
(Omschrijving: 1.40049152 BTC =
EUR 12.685,53, Bitcoin)
12.685,53
10
1 STK Rechten aan toonder
(Omschrijving: 0.190769 BTC = EUR
1.836,00, Bitcoin)
1.836,02
11
41.138,37 euro ibn: 30-07-2020
41.138,37
12
5.435,00 euro ibn: 30-07-2020
5.435,00
13
89,16 EUR
89,16
14
190 GBP 110,00 euro ibn. 30-07-2020
110,00
15
1340 USD 670,00 euro ibn: 30-07-2020
670,00
16
1 STK Horloge
(Omschrijving: Rolex in etui met certificaat. In bewaring bij de
Belgische Politie., Rolex)
17
1 STK Horloge
(Omschrijving: Rolex in etui met certificaat. In bewaring bij de
Belgische Politie., Rolex)
18
1 STK Horloge
(Omschrijving: Rolex in etui met certificaat. In bewaring bij de
Belgische Politie., Goud, merk: Rolex, chassisnr: 6821TOK1)
19
1 STK Onroerende registergoederen
(Omschrijving: [adres 6] te [postcode 2] [plaats 7]. Kadastraal bekend Gemeente [plaats 7] sectie A nummer 3794.)
244.000,00
20
€8.601,00 van 1 STK Personenauto
[kenteken 1]
(Omschrijving: PL0600-2020062696-G2457603, Grijs, merk: Audi, chassisnr: [chassisnummer])
8.601,00
21
58000 EUR ibn: 02-02-2021
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G642016)
58.000,00
22
750 EUR ibn: 02-02-2021
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G642017)
750,00
23
1 STK Goud ibn: 02-02-2021
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G642018 1x Heraeus A71576, 1x Heraeus A81538, 1x Degussa D19428.)
78.857,00
24
1 STK Muntenverzameling ibn: 02-02-2021
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G642019 14 gouden munten, vreemde valuta)
23.790,00
25
85000 EUR ibn: 05-02-2021
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G642764)
85.000,00
26
1 STK Goud ibn: 10-02-2021
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_G642765 Baar goud 100 gram 999,9 zuiver, UBS)
5.500,00
27
2 STK Goud (Omschrijving:
PL0600-ON33020003_G642766 , Umicore)
5.400,00
28
1 STK Rechten aan toonder ibn: 10-11-2021
(Omschrijving: 1,12959 BTC = EUR 666,62., Bitcoin)
666,62
29
1000 EUR ibn: 02-02-2021
(Omschrijving: PL0600-ONRAB20013_G641930)
1.000,00
30
1 STK Printer
(Omschrijving: PL0600-ON33020003_614415, Wit/grijs, merk: Ricoh)
8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van alle in beslag genomen goederen gevorderd met uitzondering van het goed op de beslaglijst met nummer 13. Dat zijn de 110 Amerikaanse dollars die vals bleken te zijn en die moeten daarom worden onttrokken aan het verkeer. Op de goederen met de nummers 28 en 29 op de beslaglijst ligt enkel conservatoir beslag, zodat de rechtbank over die goederen geen beslissing hoeft te nemen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht tot teruggave van het geldkistje van de zoon van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: het geld dat is aangetroffen op de kamer van de zoon van [verdachte]; een bedrag van € 533,37 als gedeelte van nummer 11 op de beslaglijst). Verder heeft de verdediging geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.
8.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de goederen op de beslaglijst met de nummers 1-7, 11 gedeeltelijk (voor een bedrag van € 19.066,00), 14-18, 21, 23-24-27 met betrekking tot welke het bewezen verklaarde feit is begaan verbeurd verklaren. Deze goederen behoren [verdachte] niet toe. Op basis van wat de rechtbank ten aanzien van deze goederen in paragraaf 2.3 heeft overwogen stelt de rechtbank vast dat deze goederen toebehoren aan [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] bekend was met de verkrijging van de goederen door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmee dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van [verdachte].
De rechtbank zal de teruggave van de goederen op de beslaglijst met de nummers 8-10, 11 gedeeltelijk (voor een bedrag van € 22.072,37 [49] , waaronder het bedrag van € 533,37), 12, 19-20, 22 en 30-158 aan de rechthebbende gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Dat geldt ook voor het onder nummer 13 van de beslaglijst genoemde valse geld. Voor de onttrekking van dit valse geld bestaat geen grond als genoemd in de artikelen 36b, 36c en 36d. Dit valse geld behoort [verdachte] niet toe. Voor de goederen waarvan de rechtbank de teruggave gelast, geldt dat die alleen feitelijk zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende voor zover niet in de zaak van een medeverdachte tot verbeurdverklaring, dan wel onttrekking aan het verkeer is besloten en voor zover er geen conservatoir beslag rust op die goederen.
De rechtbank neemt geen beslissing ten aanzien van de goederen op de beslaglijst met de nummers 28 en 29, omdat op die goederen slechts conservatoir beslag rust.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 wijst af het verzoek tot het horen van [getuige 3] als getuige;
 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
 verklaart verbeurd de voorwerpen op de beslaglijst met de nummers 1-7, 11 gedeeltelijk (voor een bedrag van € 19.066,00), 14-18, 21 en 23-27;
 gelast de teruggave van de voorwerpen op de beslaglijst met de nummers 8-10, 11 gedeeltelijk (voor een bedrag van € 22.072,37), 12-13, 19-20, 22 en 30 aan de rechthebbende.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2025.
Mr. R.P.W. van de Meerakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, opsporingsonderzoek Parra, dossiernummer ON3R018117, gesloten op 31 oktober 2022, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden (inclusief die van de bij het onderzoek Parra behorende deelonderzoek Marker), tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van de Federale gerechtelijke politie, MARKER ZD01, p. 00530; proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1], PARRA PD01, p. 64; proces-verbaal van verhoor [verdachte], PARRA PD07, p. 00037; verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025.
3.Verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025; proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00036-00037; rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeverdachte 1] en [verdachte] , p. 00005-00008.
4.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00037; proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD01, p. 00834-00837.
5.Proces-verbaal van de Federale gerechtelijke politie, MARKER AD p. 00352, p. 00359-00399; proces-verbaal van bevindingen, PARRA FINANCIEEL, p. 00893-00895.
6.Proces-verbaal van de Federale gerechtelijke politie, MARKER ZD01, p. 00578; kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD, p. 00930; kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD, p. 00932.
7.Https://www.wisselkoers.nl/calculator.
8.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER AD, p. 00973-00974; kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD p. 1002.
9.Kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD, p. 00983-00984; kaskwitantie, MARKER AD, p. 00986.
10.Kaskwitantie, MARKER AD, p. 00986; verklaring [bedrijf 1], MARKER AD, p. 00987.
11.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER AD, p. 00505.
12.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00616; proces-verbaal datyloscopisch vooronderzoek, MARKER ZD02, P. 00627; proces-verbaal individualisatie dactyloscopisch spoor, MAKER ZD02, p. 00628; rapport dactyloscopisch onderzoek, MARKER ZD02, p. 00631-00634; proces-verbaal individualisatie dactyloscopisch spoor, MAKER ZD02, p. 00635; rapport dactyloscopisch onderzoek, MARKER ZD02, p. 00638-00641.
13.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER DIGI, p. 00757-00765.
14.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD01, p. 00031-00032; proces-verbaal van bevindingen, MARKER DIGI, p. 00722.
15.Proces-verbaal aanvraag machtiging doorzoeking, MARKER AD, p. 00954-00955.
16.Kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD, p. 01297-01300; aanvullend proces-verbaal Overzicht onderzoekswensen, proces-verbaal van bevindingen taxatie waarden goud, p. 1.
17.Proces-verbaal van verhoor V. Daniëls, MARKER ZD01, p. 00348-00349, 00351-00352.
18.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD01, p. 00347.
19.Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, MARKER AD, p. 01224; bijlage in beslag genomen goederen, MARKER AD, p. 01226-01227.
20.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER AD, p. 00505.
21.Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, MARKER AD, p. 01216-01217.
22.Proces-verbaal van verhoor D. Daniëls, MARKER ZD01, p. 00326-00330.
23.Proces-verbaal van bevindingen, PARRA PD13, p. 00016.
24.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER DIGI, p. 00886-00892.
25.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER DIGI, p. 00915.
26.Proces-verbaal van de Federale gerechtelijke politie, MARKER ZD01, p. 00529; kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD, p. 00918; kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD, p. 00920; kennisgeving van inbeslagname, MARKER AD, p. 00922.
27.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 10.
28.Verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025.
29.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00211-00214; eigendomsbewijs van in bewaring gegeven goederen van de firma [bedrijf 3], MARKER ZD02, p. 00216; bon van de firma [bedrijf 3], MARKER ZD02, p. 00217; eigendomsbewijs van in bewaring gegeven goederen van de firma [bedrijf 3], MARKER ZD02, p. 00219; bon van de firma [bedrijf 3], MARKER ZD02, p. 00220.
30.Verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025.
31.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER DIGI, p. 01702-01703.
32.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00224-00226; proces-verbaal van bevindingen, PARRA PD04, p. 101-102.
33.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00224-00226; foto van een boete van en verkeersovertreding, MARKER ZD02, p. 0028; notitie, MARKER ZD02, p. 00230; foto van een ontvangstbewijs penale boete, MARKER ZD02, p. 00231; foto van een verzekeringsbewijs, MARKER ZD02, p. 00233; foto van een boete van en verkeersovertreding, MARKER ZD02, p. 00234; foto van een boete van en verkeersovertreding, MARKER ZD02, p. 00235; foto van een kentekenbewijs deel 1, MARKER ZD02, p. 00236; foto van een paspoort, MARKER ZD02, p. 00238; foto van een aanslagbiljet verkeersbelasting, MARKER ZD02, p. 00241; foto van een boete van en verkeersovertreding, MARKER ZD02, p. 00242; aanmaning tot betaling van een verkeersboete, MARKER ZD02, p. 00244; brief kopie aan de overtreder, MARKER ZD02, p. 00245; brief onmiddellijke inning, MARKER ZD02, p. 00247; aanmaning tot betaling, MARKER ZD02, p. 00250; foto van een identiteitsbewijs, MARKER ZD02,
34.Tapgesprek TA004, sessienummer 57, PARRA PD04, p. 76-77; proces-verbaal van verhoor K. Rahou, PARRA PD04, p, 69.
35.Proces-verbaal van bevindingen, PARRA FINANCIEEL, p. 01420.
36.Tapgesprek TA004, PARRA PD04, p. 81 en p. 83.
37.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 11.
38.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD01, p. 00718.
39.Proces-verbaal algemeen dossier, MARKER AD, p. 00018-00019.
40.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD01, p. 00718.
41.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1], PARRA PD01, p. 63-64, p. 71.
42.Beschikking rechtbank Noord-Nederland, MARKER ZD02, p. 00085.
43.Brief van De Fryske Marren d.d. 22-08-2018, MARKER ZD02, p. 00182.
44.Aangifte inkomstenbelasting 2018 van [verdachte], MARKER ZD02, p. 00087-00089; proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00036.
45.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00044; arbeidsovereenkomst, MARKER ZD02, p. 00175-00176.
46.Proces-verbaal van verdenking, PARRA PD07, p. 00012.
47.Verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025.
48.Verklaring van [verdachte], afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025.
49.€ 41.138,37 - € 19.066,00 = 22.072,37.