Eiser verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2012 en compensatie wegens vermeend onrechtmatig handelen van de Dienst Toeslagen. De Dienst had geen compensatie toegekend omdat niet was gebleken dat de toeslag te laag was vastgesteld of sprake was van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheid van overwegende aard.
De rechtbank beoordeelde de beroepsgronden en stelde vast dat over 2010 geen bezwaar bestond en richtte zich op 2011 en 2012. Over 2011 was geen sprake van vooringenomenheid omdat de beëindiging van de LRK-registratie van de gastouder via de GGD of gemeente verliep, niet door de Dienst zelf. De terugvordering was bovendien lager dan € 1.500, waardoor compensatie op grond van hardheid van het stelsel niet aan de orde was.
Voor 2012 bleek uit het dossier dat de stopzetting van de toeslag door of namens eiser zelf was gedaan, wat ook geen vooringenomenheid opleverde. De terugvordering was ook hier lager dan € 1.500. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees compensatie af en veroordeelde eiser niet tot vergoeding van proceskosten of griffierecht.