ECLI:NL:RBGEL:2025:11218

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11581420 \ CV EXPL 25-759
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming concurrentiebeding in arbeidsrechtelijke geschil met gedeeltelijke vernietiging van het concurrentiebeding

In deze zaak heeft de kantonrechter te Nijmegen op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen [eiser in conv], een onderneming in de kappersbranche, en [gedaagde in conv], een voormalige werknemer. De zaak betreft een vordering van [eiser in conv] tot nakoming van een concurrentiebeding dat was opgenomen in de arbeidsovereenkomst van [gedaagde in conv]. De eiser stelt dat de gedaagde het concurrentiebeding heeft overtreden door een eigen kapsalon te openen binnen de verboden straal van 10 kilometer. De gedaagde betwist dit en vordert vernietiging van het concurrentiebeding, stellende dat het niet noodzakelijk is voor de bescherming van de bedrijfsbelangen van [eiser in conv]. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de gedaagde weliswaar voorbereidingen heeft getroffen voor haar onderneming, maar dat er geen bewijs is dat zij daadwerkelijk concurrerende werkzaamheden heeft verricht voor het aflopen van het concurrentiebeding. De kantonrechter oordeelt dat het concurrentiebeding gedeeltelijk vernietigd dient te worden, waarbij de straal wordt beperkt tot 5 kilometer. De vorderingen van [eiser in conv] worden afgewezen, en de gedaagde wordt in het ongelijk gesteld in haar verzoek om volledige vernietiging van het concurrentiebeding. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11581420 \ CV EXPL 25-759
Vonnis van 5 december 2025
in de zaak van
[eiser in conv] , H.O.D.N. [bedrijf 1]
te [woonplaats] (gemeente Lingewaard),
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiser in conv] ,
gemachtigde: mr. R. Meijers (ARAG),
tegen
[gedaagde in conv],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv] ,
gemachtigde: mr. K.W.A. Wools.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit
- het tussenvonnis van 11 april 2025 en de daarin genoemde processtukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties van 30 oktober 2025.
1.2.
Op 4 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij was [eiser in conv] aanwezig met haar gemachtigde de heer mr. R. Meijers en [gedaagde in conv] was aanwezig met haar gemachtigde de heer mr. K.W.A. Wools. De (gemachtigden van) partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en de vragen van de kantonrechter beantwoord. Mr. Wools heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van de conclusie van antwoord in reconventie. De kantonrechter heeft aangegeven daarvan reeds kennis te hebben genomen, maar voor zover daaruit feiten of stellingen worden meegenomen in de beoordeling die nog niet afdoende besproken zijn, [gedaagde in conv] nog de gelegenheid zal krijgen daarop te reageren. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser in conv] is actief in de kappersbranche. Zij houdt zich bezig met knippen, kleuren, verzorgen en stylen van haar.
2.2.
Op 1 februari 2022 is [gedaagde in conv] in dienst getreden bij [eiser in conv] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden. Deze arbeidsovereenkomst is eerst voor de duur van twaalf maanden en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. [gedaagde in conv] vervulde laatstelijk de functie van Topstylist.
2.3.
In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd staat:
“Werkgever is werkzaam in een sterk competitieve markt, waarbij de binding tussen klanten en de werkgever van groot belang is. Werknemer wordt gedurende het dienstverband vanaf de eerste dag van het dienstverband door werkgever in staat gesteld om een directe zakelijke relatie aan te gaan met klanten van werkgever. Deze klantrelatie vertegenwoordigd een belangrijke waarde. Gedurende en na beëindiging van het dienstverband (ook voor bepaalde tijd) heeft werkgever mede gelet op de marktomstandigheden een gerechtvaardigd belang om zijn belangen veilig te stellen. Het is werknemer dan ook verboden om zonder schriftelijke toestemming van werkgever gedurende het dienstverband (voor bepaalde tijd) en binnen een periode van 12 maanden na beëindiging van het dienstverband (voor bepaalde tijd) klanten van werkgever direct of indirect zakelijk te (doen) benaderen. Hieronder valt ook het benaderen van klanten via Social Media. Onder klanten wordt in dit verband verstaan klanten die gedurende de laatste 12 maanden van het dienstverband door werkgever zijn bediend.”
2.4.
In artikel 10 van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is het volgende opgenomen:
“Werknemer zal zonder schriftelijke toestemming van werkgever na beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedurende een tijdvak van 6 maanden, niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van werkgever vestigen, drijven of mede drijven of doen drijven, hetzij direct hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandelen te hebben binnen een straat van 10 kilometer waar werkgever gevestigd is.”
2.5.
Artikel 11 van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bepaalt:
“Bij overtreding van artikel 8,9 en 10 verbeurt de werknemer aan de werkgever een direct opeisbare niet voor rechtelijke matigingen vatbare boete van € 5.000,-- per gebeurtenis en tevens € 500,-- voor elke dag dat hij in overtreding is, onverminderd het recht van werkgever om volledige schadevergoeding te vragen. Werkgever en werknemer verklaren uitdrukkelijk hiermede de bedoeling te hebben om af te wijken van het bepaalde in artikel 7:650 lid 3 BW conform artikel 7:650 lid 6 BW.”
2.6.
Op 24 februari 2024 heeft [gedaagde in conv] de arbeidsovereenkomst per
1 april 2024 opgezegd. De opzegging is door [eiser in conv] per e-mail bevestigd. Hierin staat onder meer het volgende:
In het gesprek vandaag om 17.00 samen met [naam] , heb jij je ontslag ingediend, bij deze bevestig ik nog schriftelijk dat ik je ontslag accepteer.
Je laatste contract dag is 31 maart 2024.
Ik heb je vakantie uren verrekend en hierdoor zal je laatste werkdag zaterdag 16 maart zijn.
Je hebt dan 2,5 teveel aan snipperuren opgenomen, dit zal verrekend worden met je laatste loon betaling.
Mocht je toch dinsdag 19 maart nog willen werken zodat je geen min uren hebt dan hoor ik dit graag van je. De uren die je werkt tot aan 16 maart zullen salon uren zijn, de trainingen op donderdag komen te vervallen.
Zoals zojuist ook gezegd in het gesprek, jij hoeft de klanten niet in te lichten over je vertrek, dat zullen wij voor jou doen.
Daarnaast wil ik je erop wijzen goed je contract nog door te lezen aangaande de afspraken die hier in staan bij uit dienst melding wbt het benaderen van klanten, social media en concurrentie beding. (…)”
2.7.
Bij e-mailbericht van 27 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser in conv]
[gedaagde in conv] onder meer als volgt bericht:
“(…) Per 1 april 2024 is er een eind gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen cliënte en u. In verband hiermee vraag ik uw aandacht voor het volgende.
In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Ingevolge dit concurrentiebeding is het u verboden om:
Werknemer zal zonder schriftelijke toestemming van werkgever na beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedurende een tijdvak van 6 maanden, niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van werkgever vestigen, drijven of mede drijven of doen drijven, hetzij direct hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandelen te hebben binnen een straal van 10 kilometer waar werkgever gevestigd is.
Naar cliënte inmiddels is gebleken heeft u vanaf 16 september 2024 een eigen kapsalon met de naam [bedrijf 2] opgericht. Hieruit voert u concurrerende werkzaamheden uit. Dit is binnen de straal 10 kilometer. U overtreedt daarmee het concurrentiebeding.
Klanten die voorheen cliënte bezocht, bezoeken nu [bedrijf 2] voor
kapperswerkzaamheden. U overtreedt daarmee de verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in de
arbeidsovereenkomst.
Uit hoofde van het concurrentiebeding bent u een boete ad € 5.000,00 verschuldigd per overtreding, alsmede een boete ad € 500,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt. Vanwege de overtreding bent u intussen een boete ad € 11.000,00 verschuldigd. Cliënte maakt aanspraak op deze boete.
Hierbij sommeer ik u met onmiddellijke ingang uw werkzaamheden te beëindigen en de verplichtingen uit hoofde van het concurrentiebeding na te komen. Uw schriftelijke bevestiging zie ik graag binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief tegemoet.
Tevens sommeer ik u om binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief de inmiddels verschuldigde boete ad € 11.000,00 te voldoen aan cliënte (…).
Mocht u niet tijdig aan deze sommaties voldoen, dan zal cliënte zich vrij achten zonder nadere aankondiging rechtsmaatregelen te treffen. De daarmee gepaard gaande kosten zullen eveneens op u worden verhaald.
Tevens zeg ik u aan dat aanspraak zal worden gemaakt op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. (…)”
2.8.
Op 27 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser in conv] [gedaagde in conv] een herinnering gestuurd.
2.9.
[gedaagde in conv] heeft hierop niet gereageerd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser in conv] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
voor recht verklaart dat [gedaagde in conv] het concurrentiebeding uit haar arbeidsovereenkomst heeft overtreden
de veroordeling van [gedaagde in conv] om aan haar te betalen:
i) de hoofdsom van € 12.500,00;
ii) de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf op dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;
iii) de buitengerechtelijke kosten van € 1.520,00;
iv) de kosten van deze procedure;
v) de nakosten, te begroten op een half salarispunt van het toegewezen salaris voor de gemachtigde met een maximum van € 100,00, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, [gedaagde in conv] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag van volledige betaling.
3.2.
[eiser in conv] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde in conv] het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding heeft overtreden. Zij is daardoor een boete verschuldigd geworden van € 12.500,00. [eiser in conv] maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokoten, wettelijke rente en proceskosten.
3.3.
[gedaagde in conv] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conv] in haar vordering, dan wel afwijzing daarvan. Volgens [gedaagde in conv] dient het concurrentiebeding vernietigd dan wel beperkt c.q. gematigd, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conv] in de proceskosten en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.4.
[gedaagde in conv] vordert dat de kantonrechter
primair:
a. het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 10 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geheel vernietigt;
subsidiair:
het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 10 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst gedeeltelijk vernietigt, in die zin dat dit wordt beperkt c.q. gematigd tot een straal van 3 kilometer gerekend vanaf het vestigingsadres van [eiser in conv] aan [adres en plaats] ;
voorwaardelijk:
in het geval het primair gevorderde niet wordt toegewezen, [eiser in conv] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 9.803,35 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot en met de dag van volledige betaling;
zowel primair als subsidiair:
de veroordeling van [eiser in conv] in de proceskosten en nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.
3.5.
[gedaagde in conv] legt aan haar vordering primair ten grondslag dat het concurrentiebeding niet noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen van [eiser in conv] . Het bedrijfs- en dienstbelang van [eiser in conv] is voornamelijk gelegen in de klantrelatie. Dit belang zou evenwel voldoende beschermd zijn met een relatiebeding. Er is geen sprake van concurrentiegevoelige kennis en vaardigheden waarmee de werknemer bij een concurrent of concurrerend eigen bedrijf een concurrentievoordeel zou kunnen krijgen. Andere zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn bij [eiser in conv] evenmin aanwezig. Op grond van artikel 7:653 lid 3 sub a BW dient artikel 10 van de arbeidsovereenkomst daarom vernietigd te worden. [gedaagde in conv] wordt bovendien onbillijk benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [eiser in conv] . Haar belang is gelegen in haar recht op vrije arbeidskeuze en de noodzaak om te werken teneinde een inkomen te verdienen ter bekostiging van haar levensonderhoud. Ze is slechts twee jaar bij [eiser in conv] in dienst geweest. Subsidiair stelt [gedaagde in conv] dat het concurrentiebeding in ieder geval gedeeltelijk vernietigd moet worden in die zin dat dit wordt beperkt c.q. gematigd tot een straal van 3 kilometer vanaf het vestigingsadres van [eiser in conv] . [eiser in conv] is gevestigd in het centrum van Nijmegen, alwaar 17 kapperszaken gevestigd zijn. Voor zaken buiten dit gebied geldt geen werkelijke concurrentie (in Nijmegen zitten in totaal 83 kapperszaken), anders dan dat [eiser in conv] het belang heeft dat haar klanten niet worden meegenomen, maar dat belang kan beschermd worden door een relatiebeding. Een concurrentiebeding met een straal van 10 kilometer (dat zelfs tot Elst of Wijchen strekt) is niet noodzakelijk en benadeelt
[gedaagde in conv] onbillijk. Voor het geval de kantonrechter het concurrentiebeding niet geheel vernietigt, belemmert het beding haar dermate om anders dan in dienst van [eiser in conv] werkzaam te zijn, dat haar een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW dient toe te komen voor de duur van het concurrentiebeding. Door het concurrentiebeding heeft zij in de zes maanden na einde dienstverband geen inkomen gehad. [eiser in conv] dient daarom een vergoeding te betalen van 75% van haar loon vermeerderd met vakantiegeld over deze periode, zijnde een totaalbedrag van € 9.803,35.
3.6.
[eiser in conv] voert hiertegen verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conv] in haar vordering, dan wel afwijzing daarvan, met veroordeling van [gedaagde in conv] in de proceskosten.
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.
concurrentiebeding
4.2.
[eiser in conv] baseert haar vorderingen op het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding. [gedaagde in conv] betwist dat zij het concurrentiebeding heeft overtreden en vordert (gedeeltelijke) vernietiging van het concurrentiebeding.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het concurrentiebeding geldig is overeengekomen; schriftelijk in een overeenkomst voor onbepaalde tijd met een meerderjarige. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de onderneming van
[gedaagde in conv] een concurrerende onderneming is die binnen de in het concurrentiebeding genoemde straal is gelegen. Dat [gedaagde in conv] deze onderneming is gestart gedurende de looptijd van het concurrentiebeding is echter wel in geschil.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat niet vast komt te staan dat
[gedaagde in conv] het concurrentiebeding heeft overtreden.
Daarbij is van belang dat uit de processtukken en het gestelde ter zitting weliswaar blijkt dat [gedaagde in conv] voorbereidende handelingen heeft verricht voor het starten van de onderneming, maar niet dat zij daadwerkelijk voor het aflopen van het beding concurrerende werkzaamheden heeft verricht. Immers, niet gebleken dat zij andere werkzaamheden heeft verricht dan voorbereidende handelingen zoals ter promotie van haar nog te starten onderneming. Dat zij daarbij een openingsfeestje heeft gehad, berichten en foto’s op social media heeft geplaatst of door derden waarop haar salon te zien is en kapsels die zij geknipt en gekleurd heeft met een reclametekst erbij om haar salon te promoten, maakt nog niet dat vaststaat dat zij daadwerkelijk kapperswerkzaamheden heeft verricht voor klanten. Hoewel de teksten dat wel kunnen suggereren, heeft [gedaagde in conv] toegelicht dat de foto’s van de kapsels oude foto’s betroffen van een vriendin van haar en de teksten enkel waren om klanten te werven. Dat dit anders is, is door [eiser in conv] onvoldoende onderbouwd. Daar komt nog bij dat niet is gebleken dat zij voor einde concurrentiebeding kapperswerkzaamheden heeft verricht voor voormalige klanten van [eiser in conv] . Evenmin is gebleken dat zij (voormalige) klanten van [eiser in conv] actief benaderd heeft. Anders dan [eiser in conv] meent valt uit het overgelegde beeldmateriaal niet op te maken dat [gedaagde in conv] in de salon heeft gewerkt voor het einde van het concurrentiebeding. Aldus heeft [eiser in conv] haar vorderingen onvoldoende onderbouwd.
4.5.
De kantonrechter overweegt verder nog het volgende.
4.6.
De rechter kan een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653 lid 3 sub b BW).
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat voor zover al sprake is van overtreding van het beding het concurrentiebeding gedeeltelijk vernietigd dient te worden, in die zin dat het beding wordt beperkt een straal van 5 kilometer.
4.8.
Ter onderbouwing van haar belangen heeft [eiser in conv] aangevoerd dat sprake is van een gevoelige branche waarbij klanten vaak gehecht zijn aan de vaste kapper die weet heeft van de specifieke wensen van een klant en dat er daadwerkelijk schade is geleden omdat op de instagrampagina van [gedaagde in conv] enkele klanten van [eiser in conv] staan. Daarnaast heeft zij er belang bij haar huidige werknemers duidelijk te maken dat het concurrentiebeding niet voor niets is overeengekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser in conv] daar nog aan toegevoegd dat [gedaagde in conv] haar diensten veel goedkoper aan kan bieden. In tegenstelling van [eiser in conv] zit zij niet in het centrum met de daarbij behorende prijzen en parkeerkosten.
4.9.
Daar staat tegenover het recht van [gedaagde in conv] op vrije arbeidskeuze en de noodzaak om te werken teneinde een inkomen te verdienen ter bekostiging van haar levensonderhoud. [gedaagde in conv] is slechts twee jaar bij [eiser in conv] in dienst geweest. [eiser in conv] is gevestigd in het centrum van Nijmegen, alwaar 17 kapperszaken gevestigd zijn. Voor zaken buiten dit gebied geldt volgens [gedaagde in conv] geen werkelijke concurrentie, terwijl het belang van [eiser in conv] ten aanzien van haar klanten beschermd had kunnen worden door een relatiebeding. Het overeengekomen relatiebeding is echter nietig. Een concurrentiebeding met een straal van 10 kilometer (dat zelfs tot Elst of Wijchen strekt) is niet noodzakelijk en benadeelt haar onbillijk, aldus [gedaagde in conv] .
4.10.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde in conv] op 18 maart 2024 haar laatste werkdag heeft gehad en klanten gemiddeld eens in de vier tot zes maanden komen voor een grote behandeling. Daarnaast staat tussen partijen vast dat [gedaagde in conv] gedurende haar dienstverband contact heeft gehad met klanten en aldus (mogelijk) kennis heeft van de specifieke wensen van de klanten. Gelet hierop heeft [eiser in conv] belang bij een concurrentiebeding van zes maanden. In die periode zullen de meeste klanten immers weer een behandeling hebben gehad.
4.11.
Wat betreft de straal heeft te gelden dat, gelet op het grote aantal kapperszaken, het feit dat [gedaagde in conv] geen specialistische kennis bij [eiser in conv] heeft opgedaan en de locatie van [eiser in conv] in het centrum van Nijmegen, [gedaagde in conv] naar het oordeel van de kantonrechter in verhouding tot het te beschermen belang van [eiser in conv] onbillijk wordt benadeeld door een beding met een straal van 10 kilometer, zijnde tot zelfs buiten Nijmegen. [eiser in conv] geeft zelf al aan dat zij door haar ligging in het centrum hogere vaste lasten heeft dan daarbuiten en klanten bereid moeten zijn parkeerkosten te betalen. Gelet hierop heeft [eiser in conv] onvoldoende onderbouwd waarom zij belang heeft bij een beding met een straal van 10 kilometer. Dit had anders kunnen zijn als [gedaagde in conv] in dienst van [eiser in conv] hele specifieke kennis had opgedaan over bijvoorbeeld een hele specifieke en unieke wijze voor het verrichten van bepaalde behandelingen die zij nu buiten [eiser in conv] toe zou kunnen gaan passen en waarvoor klanten bereid zijn ver(der) te reizen. Echter is gesteld noch gebleken dat daarvan sprake is. Het enkele feit dat trainingen zijn gevolgd die door iedere kapper gevolgd kunnen worden, maakt niet dat sprake is van een te beschermen bedrijfsdebiet. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde in conv] onbillijk wordt benadeeld indien zij in een straal van meer dan vijf kilometer vanaf het vestigingsadres van [eiser in conv] geen concurrerende werkzaamheden uit mag voeren. De kantonrechter zal het beding daarom gedeeltelijk vernietigen zoals hierna is bepaald.
conclusie
4.12.
Gelet op het hiervoor overwogene worden de in conventie gevorderde verklaring voor recht en de hoofdsom afgewezen. De nevenvorderingen delen dit lot.
De in reconventie gevorderde vernietiging van het concurrentiebeding wordt afgewezen. De gedeeltelijke vernietiging wordt toegewezen in die zin dat het concurrentiebeding wordt beperkt tot zes maanden na de laatste werkdag en een straal van vijf kilometer.
vergoeding
4.13.
Nu de in reconventie primair gevorderde vernietiging van het concurrentiebeding wordt afgewezen, is voldaan aan de voorwaarden van de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering. De kantonrechter is echter van oordeel dat deze evenmin kan worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde in conv] immers toegelicht dat zij na twee sollicitaties buiten de straal van het concurrentiebeding tot de conclusie kwam dat ze niet meer voor een baas wilde werken en voor zichzelf wilde beginnen. Gesteld noch gebleken is dat dat niet mogelijk was buiten de in het concurrentiebeding genoemde straal een onderneming te beginnen, zij hierover met [eiser in conv] in overleg is getreden of in een kort geding het oordeel van de rechtbank heeft gevraagd. Zij heeft eerst gesolliciteerd en nadat zij concludeerde dat ze voor zichzelf wilde beginnen de tijd genomen om de mogelijkheden te onderzoeken en te adverteren. Niet is gebleken dat [gedaagde in conv] bij gebreke van het concurrentiebeding op een eerder tijdstip zou zijn gestart, zodat niet vast komt te staan dat het beding haar dermate heeft belemmerd om anders dan in dienst van [eiser in conv] werkzaam te zijn, dat haar een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW dient toe te komen voor de duur van het concurrentiebeding.
proceskosten
4.14.
[eiser in conv] wordt in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in conv] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
947,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
Omdat beide partijen in reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiser in conv] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiser in conv] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
5.5.
vernietigt het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk in die zin dat het concurrentiebeding wordt beperkt tot een straal van vijf kilometer te rekenen vanaf het vestigingsadres van [eiser in conv] aan [adres en plaats] ;
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
5 december 2025.
918 \ 560