ECLI:NL:RBGEL:2025:11149

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
428043
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadebegroting na aktewisseling en bindende eindbeslissingen in tussenvonnis

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 17 december 2025 een eindvonnis gewezen in een civiele procedure tussen DKL B.V. en Incare B.V. en Codi Group B.V. DKL vorderde schadevergoeding van Incare wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst. De rechtbank oordeelde dat Incare vanaf augustus 2023 is gestopt met het afnemen van de logistieke dienstverlening van DKL, wat leidde tot een gemiste omzet voor DKL. De rechtbank heeft de schade begroot op € 153.284,00, gebaseerd op de omzet die DKL in 2023 had gerealiseerd voor niet-medische producten. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat DKL onvoldoende onderbouwd heeft dat de gegevens van Incare over de gemiste omzet onbetrouwbaar zijn. De vordering van DKL tot het verkrijgen van verklaringen voor recht werd afgewezen, omdat de rechtbank al had geoordeeld dat Incare schadeplichtig was. De proceskosten werden toegewezen aan Incare, die grotendeels in het ongelijk was gesteld, terwijl DKL de proceskosten van Codi moest betalen, omdat zij in dat geschil in het ongelijk was gesteld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/428043 / HA ZA 23-499 / 1547 / 1854
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DKL B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
eisende partij,
hierna te noemen: DKL,
advocaat: mr. J.L.G.M. Verwiel,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INCARE B.V.,
gevestigd te Venray,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CODI GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Incare c.s. en afzonderlijk Incare en Codi,
advocaat: mr. R.L.J. van der Meer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 februari 2025,
- de akte van Incare van 19 maart 2025 met bijlage,
- de antwoordakte van DKL van 30 april 2025 met producties,
- de antwoordakte van Incare van 28 mei 2025 met producties,
- de aan DKL verleende akte niet-dienen met betrekking tot de door Incare ingediende producties.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst.

2.De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 19 februari 2025
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 februari 2025 (hierna: het tussenvonnis) geoordeeld dat Incare toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de met DKL gesloten overeenkomst. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Incare gehouden was om tot het einde van de looptijd van de overeenkomst (op 31 december 2023) de logistieke dienstverlening van DKL af te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat Incare vanaf augustus 2023 gestopt is met het afnemen van die dienstverlening, zodat Incare de door DKL gemiste omzet dient te vergoeden.
2.2.
Op grond van de onder r.o. 5.16 in het tussenvonnis genoemde omstandigheden heeft de rechtbank geoordeeld dat bij de schadebegroting dient te worden uitgegaan van de omzet die DKL in 2023 heeft gerealiseerd ten aanzien van niet-medische producten (de reguliere omzet). De rechtbank heeft Incare c.s. ex artikel 22 Rv bevolen om bij akte de omzetcijfers over augustus tot en met december 2023 over te leggen van de dienstverlening die Incare voorheen aan DKL uitbesteedde en vanaf augustus aan een of meer derde partijen, waaronder in elk geval Codi International, heeft uitbesteed. Daarnaast heeft de rechtbank aan DKL gelegenheid gegeven om nader te onderbouwen dat de door haar gestelde marges voor planning, overhead en rendement van toepassing zijn op de aan haar toekomende omzet over 2023.
Beoordeling van de door partijen genomen akten
2.3.
Partijen hebben een akte genomen. Zij hebben ook op elkaar gereageerd. Op basis van die stukken komt de rechtbank tot de conclusie dat DKL schade heeft geleden voor een bedrag van € 153.284,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
De bindende eindbeslissingen ten aanzien van de wijze van schadebegroting
2.4.
De rechtbank leest in de akte van DKL een verzoek om terug te komen van de bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis ten aanzien van de schadebegroting. Volgens DKL moet de schadebegroting worden gebaseerd op haar gemiddelde omzet van 2021 en 2022, zoals deze blijkt uit haar eigen cijfers, en dient daarbij ook de omzet voor medische producten te worden betrokken.
2.5.
De rechtbank gaat aan dat verzoek en de in dat kader betrokken stellingen voorbij onder verwijzing naar haar beslissingen onder r.o. 5.14 tot en met 5.18 van het tussenvonnis. Het is de rechtbank op basis van de akte van DKL niet gebleken dat deze beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. DKL persisteert in haar akte namelijk bij haar eerdere standpunten ten aanzien van de geleden schade en de wijze waarop die schade volgens DKL moet worden begroot. Zij voorziet deze standpunten echter niet van een nieuwe toelichting of onderbouwing die op voornoemde beslispunten een ander licht werpen. De rechtbank heeft die standpunten al bij haar beoordeling betrokken en daarop in het tussenvonnis beslist.
De akte van Incare c.s.
2.6.
Incare c.s. brengen in hun akte naar voren dat de dienstverlening die Incare voorheen aan DKL uitbesteedde, vanaf augustus tot en met december 2023 is uitbesteed aan Codi International B.V. (hierna: Codi International). Omdat Codi International net als DKL tot Codi behoort, zijn de kosten voor deze logistieke dienstverlening op een andere wijze doorbelast dan via facturering. Volgens Incare c.s. is het daarom niet mogelijk om de inkoop van de logistieke dienstverlening bij Codi International en de daarbij behorende omzet op basis van facturen te bepalen. DKL is het hier in zoverre in haar antwoordakte mee eens.
2.7.
Incare c.s. hebben in hun akte de door DKL gemiste omzet op een andere wijze vastgesteld, namelijk op basis van de verhouding tussen de door Incare gerealiseerde afzet en de door DKL gerealiseerde omzet. Incare c.s. betogen dat de omvang van de logistieke dienstverlening die Incare bij DKL inkocht (‘de omzet’) direct samenhangt met de hoeveelheid producten die Incare die maand aan klanten verkocht (‘de afzet’). Incare c.s. hebben juli 2023 voor hun berekening als vertrekpunt genomen. Van die maand zijn de cijfers van de omzet van DKL en de afzet van Incare bekend. Bovendien is juli 2023 volgens Incare c.s. een representatieve maand.
2.8.
De berekening is als volgt. Incare c.s. hebben de klanten die zij in juli 2023 via DKL bediende in een overzicht opgenomen, met vermelding van de hoeveelheid verkochte producten. Uit dit overzicht blijkt van een totale afzet in juli 2023 van 1.516.598 producten. Volgens Incare c.s. verdiende DKL met haar logistieke dienstverlening aan Incare in juli 2023 een omzet van € 62.244,00. Het percentage van deze omzet ten opzichte van deze afzet (afgerond 0,04 %) heeft Incare toegepast op de afzet van Incare die in de maanden augustus tot en met december 2023 via Codi International verliep. Rekening houdende met een halvering van de omzet in december 2023 conform r.o. 5.22 van het tussenvonnis, komt Incare uit op een totale gemiste omzet van DKL van € 222.082,00 over de maanden augustus tot en met december 2023. Hierop hebben Incare c.s. in mindering gebracht wat DKL nog aan Incare heeft verdiend na juli 2023 (€ 68.798,00). Dit resulteert in een gemiste omzet over augustus tot en met december 2023 van € 153.284,00.
De weging van de bezwaren van DKL
2.9.
De rechtbank gaat voorbij aan de bezwaren die DKL in haar antwoordakte heeft geuit tegen deze manier om de door DKL gemiste omzet over augustus tot en met december 2023 te bepalen. Anders dan DKL betoogt, hebben Incare c.s. in hun akte voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop zij de gemiste omzet hebben bepaald. Daarbij is van belang dat tussen partijen niet ter discussie staat dat Codi International haar logistieke dienstverlening vanaf augustus 2023 niet via facturen in rekening heeft gebracht. Dit bracht Incare c.s. in een moeilijke positie om informatie te verstrekken over de omzet die in plaats van DKL naar Codi International is gegaan, teneinde aan het bevel ex artikel 22 Rv te voldoen.
2.10.
De manier waarop Incare c.s. de gemiste omzet hebben berekend, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende controleerbaar. Incare heeft werkelijke cijfers van de afzet (1.516.598) van Incare en omzet van DKL in juli 2023 (€ 62.244,00) als vertrekpunt genomen. DKL heeft niet toegelicht dat deze cijfers niet kloppen. Daartoe was DKL wel in staat. DKL kon in haar eigen administratie controleren welke omzet zij in juli 2023 aan Incare heeft verdiend. Bovendien kon DKL in haar eigen administratie controleren welke klanten zij tot en met juli 2023 voor Incare heeft bediend en hoeveel producten deze klanten afnamen. Op basis van die informatie kon DKL bepalen of Incare op haar overzicht van de afzet klanten heeft verzwegen of niet realistische afzet heeft vermeld. Ook was DKL in staat om te controleren of zij, zoals Incare betoogt, na juli 2023 nog een bedrag van € 68.798,00 aan Incare heeft verdiend. De enkele omstandigheid dat Incare c.s. haar overzicht en de door haar genoemde cijfers niet voorzien heeft van onderliggende stukken of een accountantsverklaring, leidt in het licht van het voorgaande niet tot de conclusie dat dit overzicht en deze cijfers onbetrouwbaar zijn.
2.11.
Ten slotte heeft DKL onvoldoende weersproken dat juli 2023 een representatieve maand is. Tussen partijen staat vast dat Incare door een teruglopende vraag vanuit de markt het aantal ploegen voor de productie vanaf januari 2023 heeft teruggeschroefd van twee naar een. Zoals de rechtbank onder 5.18 van het tussenvonnis heeft vastgesteld, heeft DKL daartegen niet geprotesteerd. Dit had invloed op de hoeveelheid grondstoffen en gereed product die DKL vanaf januari 2023 voor Incare vervoerde en in haar voorraad opsloeg. Verder heeft Incare aangevoerd dat de levering aan klanten vanuit de voorraad op relatief normaal niveau is doorgegaan tot en met juli 2023. Dit heeft DKL niet tegengesproken. Juli 2023 geeft naar het oordeel van de rechtbank gezien deze ontwikkelingen een goed beeld van de afzet van Incare tegenover de logistieke diensten die DKL daarvoor verrichte.
2.12.
De conclusie is dan ook dat DKL onvoldoende onderbouwd heeft dat de gegevens die Incare heeft verstrekt ten aanzien van de door DKL in augustus tot en met december 2023 gemiste omzet, niet betrouwbaar zijn. Dit betekent dat de rechtbank deze gegevens bij de schadebegroting tot uitgangspunt neemt.
De marges
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat eventuele door DKL toegepaste marges zijn verwerkt in de wijze waarop Incare de door DKL gemiste omzet heeft berekend. Een bespreking van de aktewisseling ten aanzien van de door DKL gestelde marges is daarom niet meer nodig. Dit baseert de rechtbank op het volgende.
2.14.
De berekening van de door DKL gemiste omzet is gebaseerd op de bedragen die DKL voor haar logistieke dienstverlening aan Incare in juli 2023 heeft gefactureerd. Indien DKL over haar dienstverlening marges voor planning, overhead en rendement/winst rekende, dan zijn deze marges verwerkt in de kosten die DKL aan Incare heeft gefactureerd over juli 2023. Die som van kosten en mogelijk marges is als omzet van DKL ten grondslag gelegd aan de verdere berekening van de gemiste omzet over augustus tot en met december 2023. Daarmee zijn eventuele marges van DKL voor planning, overhead en rendement/winst verwerkt in de schadebegroting. Dit verschilt ten opzichte van de schadeopstelling van DKL (productie 7 bij dagvaarding en productie 10 bij de brief van 27 november 2024). In die schadeopstelling is de berekening van de gemiste omzet van DKL gescheiden van de berekening van de marges die zij op die omzet zou hebben toegepast en heeft gemist.
2.15.
Daarnaast heeft DKL gesteld dat zij een marge van 100% rekent voor de gemiste omzet voor de opslag van producten van Incare. DKL stelt dat zij op een dergelijk korte termijn geen vervangende klant met een opslagvolume van 4.000 tot 5.000 pallets kon vinden, zodat het beschikbare opslagvolume niet is benut. In haar akte heeft DKL geen toelichting op de toepasselijkheid van deze marge gegeven. Daar komt bij dat de rechtbank bij het toewijzen van schadevergoeding uitgaat van de hypothetische situatie dat Incare haar logistieke dienstverlening ook in augustus tot en met december 2023 bij DKL had voortgezet. In die hypothetische situatie hoefde DKL geen vervangende klant voor het opslagvolume van Incare te vinden. Onder deze omstandigheden heeft DKL geen recht op toewijzing van schadevergoeding gebaseerd op de marge (van 100%) voor gemiste opslag.
De conclusie van de schadebegroting
2.16.
Op grond van de door Incare c.s. verstrekte gegevens begroot de rechtbank ingevolge artikel 6:97 BW de schade van DKL voor de gemiste omzet over augustus tot en met december 2023 op een bedrag van € 153.284,00. De vordering van DKL zal voor dit bedrag worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.
De verklaringen voor recht
2.17.
De door DKL onder 1 en 2 gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen. Niet gebleken is welk zelfstandig belang zij heeft bij toewijzing van deze vordering, nu de rechtbank in het tussenvonnis heeft geoordeeld dat tussen partijen een duurovereenkomst heeft bestaan (r.o. 5.4) en dat Incare in de nakoming van die overeenkomst toerekenbaar tekortgeschoten is en daarmee schadeplichtig is (r.o. 5.13), en de gevorderde schadevergoeding voor een bedrag van € 153.284,00 zal worden toegewezen.
De vorderingen tegenover Codi
2.18.
Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft geoordeeld (r.o. 5.28), zal de rechtbank de vorderingen tegen Codi afwijzen.
De proceskosten
De proceskosten in het geschil DKL - Incare
2.19.
Incare is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van DKL betalen. De proceskosten van DKL worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,15
- griffierecht
5.737,00
- salaris advocaat
6.785,00
(2,5 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.812,15
De proceskosten in het geschil DKL - Codi
2.20.
DKL is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Codi betalen. De rechtbank waardeert deze kosten op de helft, nu de kosten mede zijn gemaakt ten behoeve van Incare. Het voorgaande geldt niet voor de akten, die enkel zijn genomen ten behoeve van Incare en in welke kosten DKL dan ook niet jegens Codi zal worden veroordeeld. De proceskosten van Codi worden begroot op:
- griffierecht
2.868,50
- salaris advocaat
2.714,00
(2 punten × 0,5 x € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.760,50

3.De beslissing

De rechtbank
ten aanzien van de vorderingen jegens Incare
3.1.
veroordeelt Incare tot betaling aan DKL van een schadevergoeding van € 153.284,00,
3.2.
veroordeelt Incare in de kosten van de procedure voor zover die zien op het geschil tussen DKL en Incare, aan de zijde van DKL tot aan deze uitspraak begroot op € 12.812,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Incare niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
ten aanzien van de vorderingen jegens Codi
3.3.
veroordeelt DKL in de kosten van de procedure voor zover die zien op het geschil tussen DKL en Codi, aan de zijde van Codi tot aan deze uitspraak begroot op € 5.760,50, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als DKL niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
ten aanzien van de vorderingen jegens Incare en Codi
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.