Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Gelderland
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] vorderde toegang tot de gehuurde bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 1], omdat hij stelde dat hij geen toegang had tot zijn bedrijfsvoorraad, wat essentieel is voor zijn onderneming. De procedure begon met een dagvaarding op 30 oktober 2025, maar [gedaagde] is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd, waardoor verstek is verleend.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat er een huurovereenkomst bestaat tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] heeft vanaf juni 2025 maandelijks huur betaald en er zijn spullen van [eiser] in de bedrijfsruimte aanwezig. De kantonrechter oordeelde dat er geen rechtsgeldige opzegging van de huurovereenkomst heeft plaatsgevonden, waardoor [eiser] recht heeft op nakoming van deze overeenkomst.
De vordering van [eiser] is toegewezen, waarbij [gedaagde] wordt bevolen om toegang te verlenen tot het gehuurde, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft. Daarnaast is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op € 888,21. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.