ECLI:NL:RBGEL:2025:10970

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/2492
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van handhaving van een last onder dwangsom bij overtreding bestemmingsplan

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Gelderland het beroep van eisers, eigenaren van een woning in Arnhem, tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders om hen een last onder dwangsom op te leggen. De eisers hebben een aanbouw gerealiseerd die deels op een perceel met de bestemming 'groen' is gesitueerd, wat in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank behandelt het beroep op 31 oktober 2025, waarbij zowel eisers als de gemachtigden van het college en een derde-partij aanwezig zijn. De rechtbank concludeert dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom handhaving noodzakelijk is, gezien de onjuiste maatvoering die het college hanteerde. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college de proceskosten en het griffierecht aan eisers vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college

(gemachtigde: mr. M. van Rijbroek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [plaats] , derde-partij
(gemachtigde: mr. F.B.M. van Aanhold).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de beslissing van het college om hen een last onder dwangsom op te leggen.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser] en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college, derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij. Het beroep is gelijktijdig met de beroepen in zaaknummers 24/2599, 24/2806, 24/2809 en 24/2810 behandeld.

Procesverloop

2. Eisers zijn eigenaar van de woning en het bijbehorende perceel aan het [locatie 1] in [plaats] . Eisers hebben een aanbouw gerealiseerd aan hun woning die bestaat uit een serre, een overkapping, een verlenging van de garage en een afdak (de uitbouw).
2.1.
Het perceel van eisers is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Burgemeesterswijk Transvaalbuurt 2013’ (bestemmingsplan). Op het gedeelte waarop de uitbouw is gerealiseerd rust gedeeltelijk de bestemming ‘groen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’.
2.2.
Op 10 februari 2023 heeft de derde-partij een handhavingsverzoek ingediend. In dit verzoek stelt de derde-partij onder meer dat eisers bouwwerken hebben gerealiseerd die zijn gesitueerd op de groenbestemming.
2.3.
Op 27 juni 2023 heeft een toezichthouder ter plaatse een controle uitgevoerd. Tijdens dit bezoek constateerde de toezichthouder dat de uitbouw is geplaatst zonder omgevingsvergunning en in strijd is met het bestemmingsplan. Dit heeft geleid tot het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom van 10 juli 2023 en uiteindelijk tot het opleggen daarvan op 12 oktober 2023 (het primaire besluit). De last houdt in dat eisers de uitbouw moeten verwijderen en verwijderd moeten houden dan wel dat eisers de uitbouw gedeeltelijk verwijderen dan wel verwijderd moeten houden door binnen de enkelbestemming woning 10 m2 van de uitbouw te verwijderen en het gedeelte van de uitbouw die zich binnen enkelbestemming ‘groen’ bevindt, te verwijderen. [1] Dit voorgaande onder dreiging van een dwangsom van € 2.500,- ineens mocht de last niet zijn uitgevoerd voor 1 januari 2024.
2.4.
Op 23 november 2023 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
2.5.
Op 22 maart 2024 heeft het college een beslissing op het bezwaar van eisers genomen (de beslissing op bezwaar). In deze beslissing op bezwaar heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Daarentegen heeft het college het primaire besluit wel gewijzigd. Eisers kunnen reeds aan de last voldoen door enkel de uitbouw die is gesitueerd op de bestemming ‘groen’ te verwijderen en verwijderd te houden.
2.6.
Op 23 april 2024 hebben eisers beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.7.
Op 26 april 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar van 22 maart 2024 aan de hand van de argumenten van eisers, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
5.1.
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beroepsgronden

6. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake van een overtreding is, zodat het college bevoegd is om handhavend op te treden. De enkele vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of het college moet afzien van handhaving, omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid.
Beginselplicht tot handhavend optreden
7. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dit laat onverlet dat handhavingsbesluiten wel aan het evenredigheidsbeginsel getoetst dienen te worden, waarbij de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. [2]
7.1.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is sprake van een bijzonder geval. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [3]
Had het college van handhavend optreden moeten afzien omdat sprake was van bijzondere omstandigheden?
8. Eisers betogen dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen dat het college van handhavend optreden moet afzien. Zij voeren hiertoe aan dat sprake is van een geringe overtreding. Zij wijzen erop dat de uitbouw slechts 30 centimeter is gesitueerd op het deel van het perceel met de bestemming ‘groen’ en dat dit geen significant effect heeft op de groenbeleving op de [locatie 2] . Ter zitting hebben eisers aangegeven dat het college in de beslissing op bezwaar van een onjuiste oppervlakteberekening is uitgegaan. De situering van de uitbouw op de groenbestemming (in vierkante meters) waarnaar het college verwijst is volgens eisers niet mogelijk, gelet op de breedte van het perceel van eisers. De oppervlakte van de uitbouw op de groenbestemming is veel kleiner. Het opleggen van de dwangsom was volgens hen daarom onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel.
8.1.
Het college voert hierover aan dat het voor het college evident is dat het bebouwen van 13,82 m2 van de groenstrook tot gevolg heeft dat daarmee de ruimtelijke kwaliteit van de buurt wordt aangetast. Het college stelt dat deze oppervlakte met het blote oog waarneembaar is. Verder acht het college relevant dat het gedogen/tolereren van deze overtreding mogelijke precedentwerking tot gevolg heeft.
8.2.
In de beslissing op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen:
‘Motivering van het besluit
Voor de motivering van ons besluit verwijzen wij u naar het advies van de commissie van 18 maart 2024. Dit advies treft u aan als bijlage bij dit besluit.
(…)
‘De commissie komt tot het oordeel dat geen sprake is van onevenredig handhaven en ligt hieronder toe waarom. (…) Het college heeft het belang om de bestemming ‘groen’ te beschermen zwaarder mogen laten wegen dan het belang van bezwaarmaker om de uitbouw (ongewijzigd) in stand te laten. Daarbij weegt voor de commissie mee dat het college heeft vastgesteld dat ongeveer 91 m2 meter aan uitbouw is gerealiseerd, waarvan 13,83 m2 in de bestemming ‘groen’. Dit is niet een zodanig klein aantal dat handhaven onevenredig is. Evenmin kan worden gesteld dat 13,83 m2 uitbouw niet met het blote oog waarneembaar is.’
8.3.
In het rapport van 28 juni 2023, waarin een toezichthouder van het college de uitgevoerde controle van 27 juni 2023 op het perceel van eisers heeft gerapporteerd, is onder meer het volgende opgenomen:

Aanbouw staat deels op de bestemming groen.
(…)
Het aanbouwen aan de woning is op te splitsen in een aantal onderdelen die allemaal vallen onder de activiteit bouwen.
B
X
L
X
H
Serre
3000
X
6320
X
2930
Overkapping
3020
X
6320
X
2930
Verlengen garage
2040
X
4030
X
3430/2500
Dak tbv fiets
3760
X
2500
X
2500/2100
Maatvoering is aangegeven in mm
8.4.
In het stedenbouwkundig advies van 14 december 2023 aan het college is onder meer onderstaande afbeelding opgenomen.
8.5.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitbouw met een breedte van 30 centimeter op de groenbestemming is gesitueerd. Daarentegen staat wel tussen partijen ter discussie hoeveel oppervlakte de uitbouw op de groenbestemming is gesitueerd.
8.6.
De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake was van een bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het college bij de beoordeling van de situering van de uitbouw op de groenbestemming is uitgegaan van een onjuiste maatvoering. De gehanteerde oppervlakte van 13,82 m² door het college is niet mogelijk wanneer de breedte van het perceel van eisers in acht wordt genomen. De uitbouw dient in zo’n geval om en nabij de 46 meter breed te zijn. Dat is niet mogelijk, want het perceel van eisers is ongeveer 18 meter breed. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het college in de beslissing op bezwaar niet deugdelijk heeft gemotiveerd in hoeverre sprake is van een bijzondere omstandigheid om van handhavend op te treden af te zien. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. Dit omdat het college opnieuw moet motiveren wat de feitelijke afmetingen zijn en of het handhavend wil op treden tegen de overtreding. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat onderzoek nodig is om het gebrek te herstellen en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond en wat de uitkomst hiervan is.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 maart 2024;
- draagt het college een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het college heeft in de last besloten dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4650.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4650.