ECLI:NL:RBGEL:2025:10953

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/05/459287/KG ZA 25-410
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van de gezamenlijke woning na echtscheiding met geschil over taxatiewaarde

In deze zaak betreft het een kort geding waarin de man en de vrouw, die eerder gehuwd zijn geweest, in geschil zijn over de verdeling van hun gezamenlijke woning na de ontbinding van hun huwelijk op 20 januari 2025. De rechtbank had eerder bepaald dat de woning getaxeerd moest worden en dat de man de mogelijkheid had om de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde. De man stelt dat het taxatierapport van de makelaar niet voldoet aan de eisen voor zijn hypothecaire financiering en vordert dat hij de woning kan overnemen voor een lagere waarde die door een andere taxateur is vastgesteld. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man af, omdat de taxatie door de eerste makelaar voldoet aan de vereisten van de rechtbank. De man moet uiterlijk op 18 december 2025 aangeven of hij de woning kan overnemen tegen de vastgestelde waarde van € 370.000. Indien hij dit niet kan, moet de woning verkocht worden. De vrouw heeft ook een vordering ingediend in reconventie, waarin zij de man verzoekt om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning indien hij niet in staat is de woning over te nemen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de man afgewezen en de vrouw in haar vorderingen gedeeltelijk in het gelijk gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/459287 / KG ZA 25-410
Vonnis in kort geding van 8 december 2025
in de zaak van
[naam man],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits,
tegen
[naam vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. L.L.A. Cox.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 november 2025;
  • het aanvullend stuk van de man van 25 november 2025 (proces-verbaal eerste aanleg);
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 25 november 2025;
  • de conclusie van antwoord in reconventie van 26 november 2025;
  • de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waarbij beide partijen met hun advocaten zijn verschenen.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Het huwelijk is ontbonden op 20 januari 2025 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort de voormalige echtelijke woning aan [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] (hierna: de woning).
2.3.
Bij beschikking van 1 augustus 2025 heeft de rechtbank in het dictum onder rechtsoverweging 3.6, voor zover nu relevant, de navolgende wijze van verdeling van de woning gelast:
  • “partijen zullen binnen een week na deze beschikking opdracht geven aan een makelaar verbonden aan [naam makelaar 1] in [woonplaats] om de woning te taxeren tegen de actuele waarde. Als slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;
  • ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
  • de man krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan (…);
  • indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis aan de man plaats te vinden binnen één maand nadat hij de vrouw binnen de termijn van drie maanden na het opmaken van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen, onder gelijktijdige uitbetaling aan de vrouw van haar aandeel in de overwaarde, zoals hierna bepaald;
  • (…)
  • indien de man de vrouw binnen drie maanden bericht dat hij niet in staat is de woning over te nemen, of niet binnen de genoemde termijn van drie maanden schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning onder voormelde voorwaarden over te nemen, of als ondanks laatstgenoemd bericht het transport van de woning - buiten schuld van de vrouw - niet uiterlijk een maand na dat bericht heeft plaatsgevonden, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden door de makelaar die de taxatie heeft verricht;
  • partijen dienen binnen een week nadat de hiervoor bedoelde omstandigheid zich voordoet een opdracht tot verkoop aan de makelaar te geven;
2.4.
Een makelaar verbonden aan [naam makelaar 1] in [woonplaats] (hierna: [makelaar 1] ) heeft in opdracht van beide partijen de marktwaarde van de woning op 4 september 2025 getaxeerd op € 370.000. In het bijbehorende taxatierapport van 18 september 2025 staat vermeld dat het doel van de taxatie is het vaststellen van de marktwaarde ten behoeve van een boedelscheiding.
2.5.
Op 20 oktober 2025 heeft een makelaar verbonden aan [naam makelaar 2] in [plaats] (hierna: [makelaar 2] ) in opdracht van de man de marktwaarde van de woning getaxeerd op € 350.000. In het taxatierapport staat vermeld dat het doel van de taxatie is het verkrijgen van een (hypothecaire) financiering.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Te bepalen dat de man de woning kan overnemen tegen een waarde groot
€ 350.000 en dat met in achtneming van die waarde van € 350.000 de man verder, conform de inhoud van rechtsoverweging 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, onder de daar gestelde voorwaarden, uitgaande van de waarde van de woning van € 350.000 de woning volledig in eigendom toebedeeld kan krijgen, waarbij de handtekening van de vrouw wordt vervangen door het te wijzen vonnis op de notariële akte verdeling en eventuele andere documenten welke door partijen dienen te worden ondertekend voor de wijziging tenaamstelling van de woning en de verdeling van de spaarpolis welke is gekoppeld aan de hypotheek;
II. Met compensatie van proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij zijn/haar eigen proceskosten dient te betalen.
3.2.
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
In reconventie
3.3.
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Te bepalen dat de man de gelegenheid krijgt tot uiterlijk 18 december 2025 de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning tegen een waarde van € 370.000 en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis kan overnemen, conform de inhoud van rechtsoverweging 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, onder de daar gestelde voorwaarden, waarbij de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen;
De man te veroordelen, in geval hij de woning kan overnemen tegen een bedrag van € 370.000 en de waarde van de spaarpolis, onder de genoemde voorwaarden in 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, zijn medewerking te verlenen aan de levering van de woning uiterlijk op 18 januari 2026, onder gelijktijdige uitbetaling aan de vrouw van haar aandeel in de overwaarde, rekening houdende met de waarde van € 370.000 voor de woning en de voorwaarden zoals onder 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025 bepaald;
De man te veroordelen, in geval hij de vrouw uiterlijk 18 december 2025 heeft bericht de woning niet tegen een bedrag van € 370.000 en de waarde van de spaarpolis, onder de genoemde voorwaarden in 3.6 van de beschikking van
1 augustus 2025, over te kunnen nemen of in geval hij de vrouw niet uiterlijk op 18 december 2025 schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning tegen een bedrag van € 370.000 en de waarde van de spaarpolis en onder de voorwaarden uit 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025 over te kunnen nemen, of als ondanks laatstgenoemd bericht het transport van de woning - buiten de schuld van de vrouw - niet uiterlijk op 18 januari 2026 heeft plaatsgevonden, de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, onder de voorwaarden zoals benoemd onder 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van de benodigde handtekening(en) van de man;
4. Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordelingen te voldoen, met dien verstande dat niet meer dan € 50.000 aan dwangsommen kan worden verbeurd;
5. De man te veroordelen in de kosten van deze procedure, advocaatkosten inbegrepen.
3.4.
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang (ontvankelijkheid)
4.1.
De vorderingen in conventie en reconventie zien op de afwikkeling van de verdeling van de gemeenschappelijke woning tussen partijen. Partijen voeren allebei aan dat zij belang hebben bij een spoedige afwikkeling daarvan. Daarmee is het spoedeisend belang in conventie en in reconventie gegeven.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.
Vanwege proceseconomische redenen zal de rechtbank hierna de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandelen.
4.3.
Partijen hebben samen een woning en die moet worden verdeeld. In de (onherroepelijke) beschikking van 1 augustus 2025 van de rechtbank is een zogenoemd spoorboekje opgenomen hoe de woning moet worden verdeeld. In lijn met die beschikking hebben partijen als eerste stap een gezamenlijke opdracht verstrekt aan [makelaar 1] voor een taxatie van de woning. [makelaar 1] heeft de marktwaarde van de woning vastgesteld op
€ 370.000. Anders dan de man zowel in de dagvaarding als tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, constateert de voorzieningenrechter dat in het rapport van [makelaar 1] niet wordt gesproken over een marktwaarde van € 350.000. Er wordt enkel gesproken over een marktwaarde van € 370.000. Zowel in het taxatierapport zelf als in de
e-mail van 5 augustus 2025 bevestigt [makelaar 1] dat het altijd de marktwaarde is die getaxeerd wordt. De stelling van de man dat [makelaar 1] in het rapport onderscheid maakt tussen een taxatiewaarde van € 370.000 en een marktwaarde van € 350.000 volgt de voorzieningenrechter daarom niet.
De man voert verder aan dat [makelaar 1] in zijn e-mail van 17 oktober 2025 aan de man partijen adviseert om bij een eventuele verkoop een vraagprijs van € 350.000 te hanteren. De voorzieningenrechter overweegt dat de vraagprijs niet gelijk is aan de marktwaarde. Zoals [makelaar 1] in zijn e-mail ook schrijft kan een woning zowel onder als boven de vraagprijs verkocht worden, waarbij de uiteindelijke verkoopprijs bepalend is voor de marktwaarde. Verder schrijft [makelaar 1] dat hij ziet dat soortgelijke woningen als de woning van partijen boven de vraagprijs worden verkocht. De e-mail van 17 oktober 2025 van [makelaar 1] kan de stelling van de man dat de marktwaarde van de woning € 350.000 is dan ook niet dragen.
4.4.
Door de man is niet gesteld dat er inhoudelijke gebreken kleven aan het rapport van [makelaar 1] , waardoor het rapport om die reden niet bruikbaar zou zijn. Wel heeft de man gesteld dat de doelstelling van de taxatie door [makelaar 1] onjuist was, waardoor het rapport niet bruikbaar was voor zijn financieringsaanvraag en het rapport daardoor niet voldeed aan de beschikking van 1 augustus 2025. Dat standpunt volgt de voorzieningenrechter niet. De rechtbank heeft immers in de beschikking van 1 augustus 2025 bepaald dat in het kader van de verdeling van de woning tussen partijen de actuele waarde van de woning vastgesteld moest worden door [makelaar 1] . Hieraan voldoet de taxatie. Hierbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat voor de bepaling van de marktwaarde niet relevant is wat de doelstelling van de taxatie is. [1]
4.5.
Hier komt nog bij dat beide partijen hebben ingestemd met de opdrachtverlening aan [makelaar 1] , zo blijkt uit de door de man overgelegde mailwisseling met [makelaar 1] . In de
e-mail van 12 augustus 2025 schrijft [makelaar 1] aan partijen dat hij de taxatieopdracht kan aannemen, waarbij als doel van de taxatie staat vermeld: ‘vaststellen marktwaarde ten behoeve van boedelscheiding.’ De man antwoordt hierop dezelfde dag: ‘goed nieuws en prima’. Voor zover de man stelt dat hij vooral reageerde op het feit dat [makelaar 1] de opdracht mocht aannemen en dat hij mogelijk de rest van de e-mail niet aandachtig heeft gelezen, blijft dit voor zijn eigen rekening en risico.
4.6.
De man stelt dat de door hem beoogde verstrekker van de hypothecaire geldlening het taxatierapport van [makelaar 1] niet voldoende vond om de financieringsaanvraag te onderbouwen, omdat het taxatierapport van [makelaar 1] niet tot doel had het verkrijgen van een (hypothecaire) financiering. De man zag zich daarom genoodzaakt nogmaals een taxatierapport te laten opstellen, ditmaal door [makelaar 2] .
4.7.
Of het rapport van [makelaar 1] inderdaad onbruikbaar is voor de aanvraag van een (hypothecaire) geldlening kan de rechtbank niet beoordelen. Door de man is immers niet gesteld noch onderbouwd dat ook andere hypotheekverstrekkers het taxatierapport van [makelaar 1] evenmin zouden accepteren in het kader van een financieringsaanvraag.
4.8.
Los van het antwoord op voorgaande vraag, doet de ontstane situatie niets af aan de geldigheid van het rapport van [makelaar 1] om in het kader van de verdeling van de woning tussen partijen de marktwaarde vast te stellen. Dat hierdoor mogelijk een situatie ontstaat dat de man een hogere waarde aan de vrouw moet vergoeden dan hij kan financieren op basis van zijn financieringsaanvraag, is door partijen niet voorzien. Dit komt echter niet voor rekening en risico van de vrouw. Zij staat immers buiten de verhouding tussen de man en de hypotheekverstrekker. Bovendien is door de man ook niet gesteld noch onderbouwd dat hij de woning niet zou kunnen financieren op basis van de marktwaarde van € 370.000.
4.9.
De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat tussen partijen in het kader van de verdeling van de woning moet worden uitgegaan van de door [makelaar 1] vastgestelde marktwaarde van € 370.000 en dat de man de gelegenheid heeft om voor die waarde de woning over te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn als bedoeld onder het derde gedachtestreepje van 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025 op 18 december 2025 eindigt. Het is dan ook aan de man op uiterlijk op die datum aan de vrouw kenbaar te maken of hij de overname van het onverdeelde halve aandeel van de vrouw in de woning voor de door [makelaar 1] vastgestelde waarde, verifieerbaar voor de vrouw, kan financieren. Als de man de woning kan overnemen geldt als volgende stap dat de akte van verdeling uiterlijk 18 januari 2026 moet zijn gepasseerd door de notaris. Als de man de woning niet kan overnemen, dient de woning te worden verkocht door [makelaar 1] . In beide gevallen is de man gehouden zijn medewerking te verlenen aan de volgende stap. De rechtbank zal hem hiertoe veroordelen zoals door de vrouw gevorderd.
4.10.
Hoewel de man heeft verklaard dat hij zijn medewerking zal verlenen aan de onderhandse verkoop en levering van de woning aan een derde als hij er niet in slaagt om de woning over te nemen (en dus niet financieel in staat is om de vrouw uit te kopen), zal ook de door de vrouw gevorderde dwangsom worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de (advocaat van de) vrouw verduidelijkt dat de vordering over de dwangsom ziet op de vorderingen onder 3.2 en 3.3. Gelet op de tijd die inmiddels is verstreken sinds partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan, acht de voorzieningenrechter het op zijn plaats dat de man een financiële prikkel moet hebben om aan dit vonnis te voldoen. Wel zal de dwangsom worden gematigd tot de bedragen genoemd in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.11.
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht.
Proceskosten
4.12.
Het uitgangspunt bij familiezaken is dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. De voorzieningenrechter ziet in deze zaak, anders dan door de vrouw betoogd, onvoldoende reden om hiervan af te wijken. De voorzieningenrechter bepaalt daarom dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
in reconventie
5.2.
bepaalt dat de man de gelegenheid krijgt tot uiterlijk 18 december 2025 de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning tegen een waarde van € 370.000 en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis kan overnemen, conform de inhoud van rechtsoverweging 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, onder de daar gestelde voorwaarden, waarbij de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen;
5.3.
veroordeelt de man, in geval hij de woning kan overnemen tegen een bedrag van
€ 370.000 en de waarde van de spaarpolis, onder de genoemde voorwaarden in 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, zijn medewerking te verlenen aan de levering van de woning uiterlijk op 18 januari 2026, onder gelijktijdige uitbetaling aan de vrouw van haar aandeel in de overwaarde, rekening houdende met de waarde van € 370.000 voor de woning en de voorwaarden zoals onder 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025 bepaald;
5.4.
veroordeelt de man, in geval hij de vrouw uiterlijk 18 december 2025 heeft bericht de woning niet tegen een bedrag van € 370.000 en de waarde van de spaarpolis, onder de genoemde voorwaarden in 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, over te kunnen nemen of in geval hij de vrouw niet uiterlijk op 18 december 2025 schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning tegen een bedrag van € 370.000 en de waarde van de spaarpolis en onder de voorwaarden uit 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025 over te kunnen nemen, of als ondanks laatstgenoemd bericht het transport van de woning - buiten de schuld van de vrouw - niet uiterlijk op 18 januari 2026 heeft plaatsgevonden, om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, onder de voorwaarden zoals benoemd onder 3.6 van de beschikking van 1 augustus 2025, bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van de benodigde handtekening(en) van de man;
5.5.
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100 voor iedere dag dat de man in gebreke blijft aan de veroordelingen onder 5.3 en 5.4 te voldoen, met dien verstande dat niet meer dan € 10.000 aan dwangsommen kan worden verbeurd;
5.6.
verklaart de beslissingen onder 5.2 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en reconventie
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.

Voetnoten