Uitspraak
“
(…)Laatst hebben jullie met [naam 2] gesproken en hebben het een en ander afgesproken. Ik zal
€ 7.124,48;
“
Zoals jullie het ook hebben gezien, zijn de muren helaas na de zoveelste poging nog niet gelukt.
“
Laten we het doen zoals jij denkt dat het passend is. Ik zal [naam 2] het ook vertellen en de situatie toelichten.”
In deze brief verzoekt [eiser] [gedaagde] om binnen 14 dagen onder meer te bevestigen dat hij over gaat tot kosteloos herstel van de gebreken, waarbij [eiser] aangeeft dat indien niet binnen 14 dagen tot kosteloos herstel van de gebreken wordt over gegaan, [gedaagde] in verzuim verkeert. [eiser] geeft daarbij aan dat hij in dat geval [gedaagde] geen gelegenheid meer zal bieden om de gebreken te herstellen, maar dat hij de gebreken door derden zal laten herstellen en de kosten daarvan zal verhalen op [gedaagde] .
[gedaagde] heeft aan deze sommatie niet voldaan.
1.StukadoorswerkAls uitgangspunt van het stukadoorswerk hebben wij de bestekomschrijving uit het bestek Hoofdstuk 40, Stukadoorswerk aangehouden. Dit zijn immers de eisen en de wensen van de opdrachtgever waaraan het stucwerk dient te voldoen. Deze hebben wij (…) in bijlage 2 toegevoegd. Bij de beoordeling van het oppervlak hebben wij de methode aan gehouden zoals aangegeven in richtlijn 3.8 van het Technisch Bureau Afbouw (TBA) en de oppervlakteboordelingscriteria stukadoorswerk binnen. Bedoelde richtlijn en methode betreffen een algemeen aangewende beoordelingsrichtlijnen. Deze documenten hebben
2.Behangwerk
3.Gietvloer
oorzaakvan de geconstateerde gebreken vermeldt het rapport van [bedrijf 1] het volgende:
1.Stukadoorswerk
Door de geconstateerde gebreken voldoet het werk niet aan de verwachting en de gestelde eisen van cliënt. Het ligt dan ook in de lijn dat alle gebreken hersteld dienen te worden.”
1.Stukadoorswerk
€ 500,00
€ 73.720,00
12.240,00
12.240,00
€ 800,00
€ 127.500,-- vermeerderd met een bedrag van € 1.815,-- aan buitengerechtelijke kosten.
“(…)
De oplevering van de werkzaamheden die mijn cliënte heeft verricht heeft plaatsgevonden op 9 april 2020. Bij deze oplevering waren uw cliënten aanwezig, de heer [naam 4] en de heer [gedaagde] . De werkzaamheden door cliënte zijn naar tevredenheid uitgevoerd. Uw cliënten hebben die dag het uitgevoerde werk van cliënte aanvaard.(…)
(…)
a. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 127.925,-- in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 24 juli 2021, althans 23 oktober 2024,
[gedaagde] verkeert in verzuim omdat hij na ingebrekestelling geen gelegenheid heeft gemaakt van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen.
[gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor lijdt en nog zal lijden.
[gedaagde] heeft aan meerdere sommaties om de schade te vergoeden niet voldaan.
Er is sprake van een inspanningsverbintenis. Die is hij nagekomen. Met [eiser] is niet afgesproken aan welke kwaliteitseisen het werk moest voldoen. Hij heeft -ondanks dat dit met [eiser] was afgesproken- geen concept-rapport van [bedrijf 1] ontvangen, zodat hij geen invloed heeft kunnen uitoefenen op het rapport van [bedrijf 1] . Hij betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten.
a. [eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.124,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur van 5 mei 2020, althans een door de rechtbank te bepalen datum,
Elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Indien de opdrachtgever de aannemer een termijn heeft gesteld waarbinnen deze het gebrek zal kunnen wegnemen, begint de verjaring pas te lopen bij het einde van die termijn, of zoveel eerder als de aannemer te kennen heeft gegeven het gebrek niet te zullen herstellen.”
Bij brief van 9 juli 2021 heeft [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding en heeft hij [gedaagde] gesommeerd tot betaling. Die sommatie heeft [eiser] bij brief van 29 september 2021 herhaald.
Nu de inleidende dagvaarding op 23 oktober 2024 is betekend, heeft [eiser] zijn rechtsvordering tot vervangende schadevergoeding tijdig ingesteld.
Het beroep op verjaring wordt dan ook verworpen.
Het is immers aan de rechtbank om na afloop van het getuigenverhoor te beoordelen welke bewijskracht aan de door de getuigen ter zitting afgelegde verklaringen dient te worden toegekend. Een prognose daarover voorafgaand aan het getuigenverhoor is dan ook niet aan de orde.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van de zijde van [eiser] heeft [gedaagde] zijn andersluidende stelling niet, althans volstrekt onvoldoende nader onderbouwd, zodat er in deze niet van zal worden uitgegaan dat [eiser] na april 2020 nog herstelwerkzaamheden aan de woning heeft uitgevoerd dan wel heeft laten uitvoeren.
[eiser] heeft het bestaan van de door [gedaagde] gestelde toezegging weersproken. Hierop heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. De rechtbank merkt hierbij nog op dat -anders dan het geval is wanneer een deskundigenonderzoek op verzoek van de rechtbank wordt gelast- de wederpartij van degene in wiens opdracht een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden- behoudens andersluidende opdracht van de opdrachtgever aan de deskundige- geen aanspraak kan maken op toezending van een (concept-)rapport waarop de wederpartij kan reageren voordat de partijdeskundige een definitief rapport zal opstellen.
[gedaagde] heeft de oordelen van de deskundige niet, althans niet voldoende gemotiveerd tegengesproken (op een punt na, dat hierna zal worden besproken). Dat het stucwerk in zijn algemeenheid oneffenheden kan vertonen mag zo zijn, maar dat is niet waar het hierbij om gaat. De door de deskundige geconstateerde gebreken aan het stucwerk hebben geen betrekking op verwaarloosbare oneffenheden in het stucwerk.
[eiser] bestrijdt dat sprake is van meerwerk. Wat daarvan ook zij, ook al zou er sprake zijn van meerwerk doet dat er niet aan af dat het stucwerk moet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
Het gaat volgens [bedrijf 1] om meerdere posities, zowel op de begane grond als op de eerste verdieping, waarbij de wand meer dan 5 millimeter per meter verticaal afwijkt.
De gietvloer op de begane grond voldoet daarmee niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
Deze gebreken worden (op de hiervoor vermelde uitzonderingen met betrekking tot het stucwerk na) aan [gedaagde] toegerekend. Voor zover het werkzaamheden betreft die [gedaagde] heeft laten uitvoeren door de door hem ingeschakelde onderaannemers, komen de daarbij gemaakte fouten van onderaannemers in zijn relatie tot [eiser] voor rekening en risico van [gedaagde] .
[gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap dat er op de keukenbar c.q. het keukenblad is gemorst. Deze betwisting is -gegeven het feit dat [gedaagde] en zijn onderaannemers in de woning werkzaamheden hebben verricht- gelet op de aard en omvang van die werkzaamheden- onvoldoende gemotiveerd.
enige-door [gedaagde] niet nader omschreven- herstelwerkzaamheden heeft laten verrichten betekent niet dat [gedaagde] dus had mogen blijven stilzitten. Zoals hiervoor is overwogen heeft [eiser] vóór 2 november 2020 alleen een gedeelte van het stucwerk door derden laten herstellen, zodat ervan uit wordt gegaan dat de overige gebreken aan het stucwerk, de gebreken aan de gietvloer, het schilderwerk en het behang waarvan in die brief melding wordt gedaan, vóór 2 november 2020 niet waren opgelost. Nu [gedaagde] niet aan de sommatie heeft voldaan, is hij in verzuim geraakt.
De rechtbank verzoekt [eiser] om aan [bedrijf 1] te vragen welke prijs per verfblik zij heeft gehanteerd bij de begroting van de kosten van het schilderwerk (sauswerk van de binnenwanden) en te vragen om deze prijs zonodig aan te passen aan de prijs van verf van Hornbach.
€ 7.124,48 beroepen op verrekening. Aangezien thans nog niet vaststaat of [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak kan maken op vergoeding van herstelkosten van de gebreken, zal iedere verdere beslissing in reconventie worden aangehouden tot aan het eindvonnis in conventie.
woensdag 10 december 2025voor opgave door [gedaagde] van de namen van de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
januari 2026tot en met
april 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoorde schriftelijke reactie van [bedrijf 1] op de hiervoor onder 4.52., 4.53., en 4.54. weergegeven vragen aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,
26 november 2025.