ECLI:NL:RBGEL:2025:10874

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
ARN 25/2101
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de hoogte van immateriële schadevergoeding in de toeslagenaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, wordt de hoogte van de immateriële schadevergoeding voor eiseres, slachtoffer van de toeslagenaffaire, beoordeeld. Eiseres had een verzoek ingediend voor een aanvullende schadevergoeding, maar de Dienst Toeslagen had dit verzoek afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de Dienst onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde factoren, zoals 'eigen waarde' en 'ongelijke behandeling', niet zijn meegenomen in de berekening van de schadevergoeding. De rechtbank komt tot de conclusie dat deze factoren wel degelijk relevant zijn en besluit om deze mee te nemen in de vaststelling van de schadevergoeding. Hierdoor wordt de hoogte van de immateriële schadevergoeding vastgesteld op € 21.750, ondanks dat eiseres al eerder € 30.000 had ontvangen. De rechtbank vernietigt het eerdere besluit van de Dienst en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Tevens wordt de Dienst veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814 en moet het betaalde griffierecht van € 53 vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.G.W. van Wees),
en

Dienst Toeslagen, de Dienst

(gemachtigden: mr. N. Hamdach en mr. I. Mulder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiseres tot een aanvullende schadevergoeding voor haar werkelijke schade als slachtoffer van de toeslagenaffaire. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de factoren ‘eigen waarde’ en ‘ongelijke behandeling’ niet zijn meegenomen in de berekening van de hoogte van de immateriële schade. De rechtbank ziet om proceseconomische redenen aanleiding deze factoren mee te nemen bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Hierdoor wordt de hoogte van de immateriële schadevergoeding € 21.750. Omdat eiseres al eerder € 30.000 heeft ontvangen, leidt dit niet tot een nabetaling. Het beroep is hierdoor wel gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft in de jaren 2009 tot en met 2015 kinderopvangtoeslag ontvangen. De Dienst heeft met de brief van 17 augustus 2021 meegedeeld dat er fouten zijn gemaakt door de Dienst over de toeslagjaren 2014 en 2015. Eiseres heeft daarom een bedrag van € 13.076 ontvangen. Dat bedrag is vervolgens aangevuld tot een bedrag van € 30.000 op grond van de zogenoemde Catshuisregeling.
2.1. Eiseres heeft vervolgens een verzoek gedaan voor een aanvullende vergoeding van de door haar gestelde werkelijke schade. Voor de beoordeling van dit verzoek heeft de Dienst advies ingewonnen bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De CWS heeft geadviseerd om geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen, omdat de reeds betaalde
€ 30.000 in financiële zin afdoende is geweest. Met het besluit van 11 juli 2023 heeft de Dienst, onder verwijzing naar het advies van de CWS, het verzoek van eiseres om een aanvullende schadevergoeding afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst overgegaan tot het betalen van een aanvullende schadevergoeding van € 500 vanwege de gevolgde procedure bij de CWS. De overige verzochte aanvullende schadevergoeding is afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het toegekende compensatiebedrag wordt door de Dienst op verzoek aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. [1]
3.1.
De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op de door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. De Dienst dient bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen de Dienst en de aanvrager in geschil is. [2]
3.2.
Voor de beoordeling van het verzoek voor een aanvullende vergoeding van de door een ouder geleden werkelijke schade wint de Dienst advies in bij de CWS. De CWS beoordeeld de werkelijke schade aan de hand van het zogenoemde schadekader.
Had de Dienst meer factoren moeten meenemen bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade?
4. Eiseres stelt dat de Dienst de hoogte van de immateriële schade onjuist heeft vastgesteld, omdat een aantal factoren niet zijn meegenomen. Zo was sprake van langdurige moeilijke omstandigheden tussen eiseres en haar partner door de terugvorderingen. Dit heeft ook geleid tot een ernstige relatiebreuk en tot de situatie dat eiseres moest vluchten naar een Blijf van mijn lijf-huis. Het gevoel van eigenwaarde van eiseres heeft hierdoor ook een flinke knauw opgelopen, terwijl deze factor niet is meegenomen bij de vaststelling van de immateriële schade. Verder speelt ook het gevoel van ongelijke behandeling en discriminatie een rol door de manier waarop de Dienst eiseres heeft behandeld. Eiseres stelt dan ook dat een redelijke uitleg van deze factoren altijd moet leiden tot een vergoeding, terwijl dat hier niet is gebeurd. Daarnaast is het aspect van de verkoop van sieraden niet meegenomen bij de bepaling van de immateriële schade, terwijl deze factor wel is opgenomen in het nieuwe schadekader.
4.1.
In het bestreden besluit is de immateriële schade uiteindelijk bepaald op € 5.250 op basis van zeven factoren. [3] De Dienst stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de immateriële schadevergoeding juist is vastgesteld, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de door eiseres naar voren gebrachte factoren zich in zodanige mate hebben voorgedaan dat daarvoor een immateriële schadevergoeding moet worden toegekend. De Dienst stelt dat zij hierbij kan afgaan op het advies van de CWS, omdat het advies is gebaseerd op de door eiseres ingebrachte stukken, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusie uit het advies daarop aansluit. Uit het advies van de CWS blijkt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar naar voren gebrachte factoren zich in zodanige mate hebben voorgedaan dat in dat verband immateriële schade moet worden toegekend. Zo heeft de financieel slechte situatie waarin eiseres in de jaren 2014 en 2015 verkeerde kennelijk een andere oorzaak dan de problemen met de kinderopvangtoeslag. De kinderopvangtoeslag over 2014 is pas op 6 februari 2015 op nihil gesteld, terwijl is gebleken dat eiseres daarvoor al financiële problemen had. Omdat in dit geval er al voor de eerste terugvordering van de kinderopvangtoeslag sprake was van serieuze financiële problemen, ligt het niet voor de hand dat de problemen in de relatie hun oorsprong hebben in de problemen met de kinderopvangtoeslag.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst voor een deel van de door eiseres naar voren gebracht factoren onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet zijn meegenomen in de berekening van de hoogte van de immateriële schade. De rechtbank gaat onder 4.2.1. in op de factoren die de Dienst niet mee heeft hoeven nemen in de berekening. Daarna zal de rechtbank onder 4.2.2. bespreken voor welke factoren de Dienst onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet zijn meegenomen in de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding.
4.2.1.
De Dienst heeft geen aanleiding hoeven zien om de factoren ‘langdurige moeilijke financiële omstandigheden’ en ‘verdriet door verkoop van sieraden’ mee te nemen bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Bij de factor ‘langdurige moeilijke financiële omstandigheden’ gaat het om de situatie waarbij ook daadwerkelijk is overgegaan tot invorderingen, terwijl bij eiseres slechts een bedrag van € 107 is terugbetaald. Daarbij komt dat is gebleken dat al sprake was van een financieel moeilijke situatie voordat de kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd. Dit betekent dat de oorzaak voor de financieel moeilijke situatie niet is gelegen in de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Verder stelt eiseres dat zij haar sieraden heeft verkocht om haar huur te kunnen betalen, maar elke vorm van ondersteuning van haar standpunt ontbreekt. De Dienst heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om deze factor mee te nemen in de berekening van de immateriële schadevergoeding.
4.2.2.
De Dienst heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de factoren ‘eigen waarde’ en ‘ongelijke behandeling’ niet zijn meegenomen in de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom deze factoren in het geval van eiseres niet van toepassing zijn. De CWS is niet op deze aspecten ingegaan omdat het nieuwe schadekader toen nog niet bekend was. Op 12 september 2024 heeft de Uitvoeringsorganisatie UHT een aanvullende reactie gegeven naar aanleiding van het nieuwe schadekader, daarin is ook niet op deze aspecten ingegaan. De bezwaarschriftenadviescommissie heeft volstaan met de stelling dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze factoren zich in zodanige mate hebben voorgedaan. Deze stelling is verder niet gemotiveerd. Dit betekent dat het bestreden besluit voor deze twee factoren onvoldoende is gemotiveerd.
4.2.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het bestreden besluit hierom in zijn geheel te vernietigen en de Dienst op te dragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen. Dit leidt namelijk tot een verlenging van de procedure en daar heeft eiseres noch de Dienst baat bij. De rechtbank ziet daarom om proceseconomische redenen aanleiding de factoren ‘eigen waarde’ en ‘ongelijke behandeling’ mee te nemen bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het meenemen van deze factoren feitelijk niet tot een nabetaling leidt. Door deze factoren mee te nemen tegen een waarde van € 750 per factor, wordt de hoogte van de immateriële schadevergoeding namelijk € 21.750. Eiseres heeft al € 30.000 aan compensatie ontvangen waardoor geen recht bestaat op een nabetaling.
Heeft de Dienst een te laag bedrag per kind meegenomen in de berekening van de immateriële schadevergoeding?
5. Eiseres stelt dat de Dienst ten onrechte slechts € 2.250 per kind toekent. Door de spanningen en financiële stress was sprake van een (gewelddadige) relatiebreuk. Dit heeft ook een vlucht naar het Blijf van mijn lijf-huis veroorzaakt. Dat is schokkend voor jonge kinderen en dit speelt ook nog steeds een rol. Eiseres vindt daarom dat hier de maximale vergoeding van € 3.000 per kind had moeten worden toegekend.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst geen aanleiding heeft hoeven zien een hoger bedrag dan € 2.250 per kind mee te nemen in de berekening van de immateriële schadevergoeding. Hoewel eiseres veel heeft meegemaakt en dit impact op haar en haar kinderen heeft gehad, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van de maximale vergoeding van € 3.000 per kind. De Dienst heeft, gelet op de impact van de problemen op de kinderen, al een hogere vergoeding toegekend dan het minimale bedrag van € 1.500 per kind. Er kunnen zich echter nóg schrijnendere situaties voordoen waarvoor de Dienst kan aansluiten bij de maximale vergoeding van € 3.000 per kind, zoals bij een uithuisplaatsing.
Heeft de Dienst ten onrechte geen vergoeding toegekend voor het gestelde inkomensverlies?
6. Eiseres stelt dat de Dienst ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het inkomensverlies. Het wegvallen van de kinderopvangtoeslag heeft een kettingeffect veroorzaakt. De problemen die er al waren zijn verergerd en dat heeft geleid tot studievertraging. Daarbij is ook van belang dat bij vragen over het causaal verband ook kan worden gekeken naar een procentueel verband. Dat is hier niet gebeurd, waardoor het bestreden besluit onzorgvuldig en onredelijk is. De stelling dat de gehele situatie door iets anders is veroorzaakt dan de terugvordering van de kinderopvangtoeslag, is onjuist.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst geen vergoeding heeft hoeven toekennen voor het gestelde inkomensverlies. Het causale verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de studievertraging is namelijk niet aannemelijk gemaakt. De eerste terugvordering van de kinderopvangtoeslag was in 2015 terwijl de studievertraging al vóór 2015 is ontstaan. Daarbij komt dat eiseres ook voor de aanvang van de problemen met de kinderopvangtoeslag al in financiële problemen verkeerde. Ook het beroep op de procentuele toekenning slaagt niet, omdat dit pas van toepassing is wanneer onzekerheid bestaat over de mate van een causaal verband tussen de schade van een ouder en de problemen met de kinderopvangtoeslag. In de situatie van eiseres is het causale verband tussen de studievertraging en de problemen met de kinderopvangtoeslag echter niet aannemelijk geworden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat de Dienst ten onrechte niet alle relevante factoren heeft meegenomen in de berekening van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover de hoogte van de schadevergoeding is vastgesteld op € 20.250. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen op € 21.750 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [4] Verder zijn er geen kosten gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de hoogte van de schadevergoeding is vastgesteld op € 20.250;
  • stelt de hoogte van de schadevergoeding vast op € 21.750;
  • bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • veroordeelt de Dienst in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814;
  • bepaalt dat de Dienst het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.ABRvS 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.
3.De factoren sociale impact, tijdsduur kinderopvangtoeslagschuld, dwangverrekening, bezwaar-/beroepsprocedure, kwetsbaarheid door depressie, kwetsbaarheid door relatiebreuk en stress vervangende opvang.
4.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor van 1.