ECLI:NL:RBGEL:2025:10822

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
AWB 25/5368
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor radartoren in Herwijnen

Op 21 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan op een verzoek om een voorlopige voorziening van de Stichting Niet Nog een Radar in Herwijnen. De stichting verzet zich tegen de omgevingsvergunning die aan defensie is verleend voor de bouw en het gebruik van een radartoren in Herwijnen. De voorzieningenrechter oordeelt dat er alleen sprake is van een spoedeisend belang voor de bouw van de radartoren, maar niet voor de ingebruikname van de radarinstallatie, die pas na Q3 2026 zal plaatsvinden. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de omgevingsvergunning en concludeert dat deze rechtmatig is verleend. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, wat betekent dat defensie verder mag gaan met de bouw van de radartoren. De uitspraak is gedaan in aanwezigheid van de griffier en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5368
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Niet Nog een Radar in Herwijnen, uit Herwijnen, de stichting

(gemachtigde: mr. P.A. de Lange),
en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden / de minister van defensie (hierna te noemen: defensie)
(gemachtigde voor zowel de minister als defensie: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).

Samenvatting

1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de aan defensie verleende omgevingsvergunning voor het realiseren en het gebruiken van een radartoren aan de [locatie] in Herwijnen. De stichting is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en zij heeft daarom beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om hangende beroep een voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen, zodat defensie niet verder mag gaan met (bouw)werkzaamheden totdat er uitspraak is gedaan op het beroep van de stichting.
1.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat alleen sprake is van een spoedeisend belang voor zover het de bouw van de radartoren betreft. Er is (vooralsnog) geen spoedeisend belang bij het inwerking hebben van de radarinstallatie, omdat de ingebruikname van de radarinstallatie pas is voorzien na Q3 van 2026 en de voorzieningenrechter verwacht dat de rechtbank vóór die tijd uitspraak heeft gedaan op het beroep van de stichting. De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak daarom alleen een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op de activiteit ‘het bouwen van de radartoren’. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat de omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op de bouw van de radartoren, rechtmatig is. Het is de voorzieningenrechter op voorhand namelijk niet gebleken dat, anders dan de stichting betoogt, het ten onrechte toepassen van de rijkscoördinatieregeling heeft geleid tot gebreken in de totstandkoming van het bestreden besluit of op een andere manier de rechtmatigheid daarvan aantast. De stichting krijgt dus geen gelijk en de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 24 februari 2025 heeft de minister de omgevingsvergunning verleend. De stichting heeft tegen de verleende omgevingsvergunning beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 november 2025 op zitting behandeld. Namens de stichting zijn [persoon A] en de gemachtigde verschenen. Namens de minister en defensie hebben deelgenomen aan de zitting: [persoon B], [persoon C], [persoon D], mr. R.L. Langeveld, mr. M.A. van Werkhoven, [persoon E], [persoon F] en de gemachtigde.
2.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voordat de voorzieningenrechter daaraan toekomt, beoordeelt zij eerst of sprake is van een spoedeisend belang in deze zaak.
Waar gaat deze zaak (in het kort) over?
4. Defensie is al langere tijd van plan om een radarlocatie op te richten aan de [locatie] in Herwijnen, op de plek waar in het verleden een civiele radar van Luchtverkeersleiding Nederland heeft gestaan. Defensie wil het radarstation oprichten omdat dit noodzakelijk is voor de bescherming van het luchtruim (een dergelijke radarinstallatie kan bijvoorbeeld de aanwezigheid van drones detecteren). Het radarstation is volgens defensie niet alleen nodig voor de veiligheid van het grondgebied van Nederland, maar ook essentieel om te kunnen voldoen aan de verplichtingen die Nederland kent als NAVO-lidstaat.
4.1.
Om het radarstation mogelijk te maken is in 2017 een ontwerpbestemmingsplan opgesteld, maar de gemeenteraad van de voormalige gemeente Lingewaal (tegenwoordig de gemeente West Betuwe) heeft in 2018 besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Daardoor was de bouw van het nieuwe radarstation niet mogelijk. Uiteindelijk hebben de minister en staatssecretaris van Defensie en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening besloten om zelf een rijksinpassingsplan (dat is een bestemmingsplan maar dan op rijksniveau) vast te stellen. Met het rijksinpassingsplan is de bouw en het in werking hebben van de radartoren planologisch gezien mogelijk gemaakt.
4.2.
Voor het oprichting van het radarstation is daarnaast ook een omgevingsvergunning benodigd. Op 23 juni 2023 heeft defensie deze omgevingsvergunning aangevraagd bij de minister. De aanvraag heeft betrekking op het oprichten (dus zowel om het bouwen als het gebruiken) van de radartoren. De verleende omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van 5 april 2024 tot en met donderdag 16 mei 2024 heeft het ontwerpbesluit (de ontwerp-omgevingsvergunning) ter inzage gelegen. De stichting heeft een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit. De minister heeft op 24 februari 2025 een definitief besluit genomen en de omgevingsvergunning (met een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit) verleend. In de omgevingsvergunning zijn twee activiteiten vergund: de bouw van de radartoren [1] en het oprichten en in werking hebben van een inrichting. [2]
4.3.
Bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan en de omgevingsvergunning is toepassing gegeven aan de rijkscoördinatieregeling, die is opgenomen in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening. Het (juist) toepassen van deze regeling heeft onder meer tot gevolg dat deze besluiten gecoördineerd door één bestuursrechter behandeld worden. De stichting heeft tegen zowel het rijksinpassingsplan als tegen de omgevingsvergunning beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In de uitspraak van 12 november 2025 [3] heeft de Afdeling, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de rijkscoördinatieregeling in dit geval niet toegepast had mogen worden, omdat de Tweede Kamer niet heeft ingestemd met het coördinatiebesluit dat daarvoor is genomen. Deze instemming was wel noodzakelijk om de beroepen tegen het rijksinpassingsplan en de vergunning gecoördineerd door de Afdeling te laten behandelen. De Afdeling is daarom van oordeel dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de beroepen tegen de verleende omgevingsvergunning. Om die reden heeft de Afdeling het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van de stichting voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning doorgestuurd ter behandeling aan de rechtbank Gelderland.
4.4.
Deze zaak gaat specifiek over het verzoek om een voorlopige voorziening van de stichting tegen de verleende omgevingsvergunning.
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. [4] Dat is het geval als de uitspraak van de bestuursrechter in de beroepszaak niet kan worden afgewacht. Een uitspraak in de beroepszaak kan niet worden afgewacht als er vóórdat die uitspraak is gedaan onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.
5.1.
De minister heeft aangevoerd dat er bij de gehele vergunning geen spoedeisend belang is. Dat volgt de voorzieningenrechter niet. Omwonenden zien op dit moment iets ingrijpends gebeuren in hun leefomgeving en dat leidt tot veel onrust. Van de bouwwerkzaamheden ondervinden zij op dit moment al de gevolgen en zij hebben daar op dit moment in zekere zin dus al last van. Als aangenomen zou worden dat er geen spoedeisend belang is bij de gehele vergunning, dan zou er geen gang naar rechter openstaan om de vergunning te schorsen en deze nu al ontstane onrust weg te nemen. Dat gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver. Het voorgaande betekent echter niet dat per definitie bij de gehele omgevingsvergunning een spoedeisend belang is. Daarvoor is van belang dat in dit geval een omgevingsvergunning is verleend voor twee activiteiten, te weten het bouwen van een bouwwerk en het oprichten en in werking hebben van een inrichting. Dit zijn twee losse besluitonderdelen. Omdat de bouw van de radartoren en de daadwerkelijke ingebruikname van de radarinstallatie verschillende activiteiten zijn en deze activiteiten op verschillende momenten aanvangen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om per activiteit en dus per besluitonderdeel te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang.
Wel spoedeisend belang bij het bouwen van de radartoren
6. Vaststaat en niet in geschil is dat defensie reeds is aangevangen met de bouwwerkzaamheden voor de radartoren. [5] De minister en defensie stellen zich desondanks op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang voor zover het de bouw van de toren betreft, omdat de bouw volgens hen omkeerbaar is. Verder stellen de minister en defensie zich op het standpunt dat de stichting zich in haar beroepschrift in het geheel niet richt tegen de bouw van de radartoren, maar enkel tegen het in werking zijn van de radarinstallatie. Er is alleen sprake van een spoedeisend belang als het belang van de stichting bij een voorlopige voorziening verband houdt met de gronden die worden ingeroepen in de connexe bodemprocedure, aldus de minister en defensie.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat wel sprake is van een spoedeisend belang bij het besluitonderdeel dat betrekking heeft op de bouw van de radartoren. Hoewel in principe voor (bijna) alle bouwwerken geldt dat deze op enig moment weer afgebroken zouden kunnen worden en in zekere zin dus omkeerbaar zijn, maakt dat niet dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De drempel voor het spoedeisend belang wanneer reeds is aangevangen met bouwwerkzaamheden ligt namelijk niet zo hoog. Voor een spoedeisend belang is in dit geval voldoende dat reeds gestart is met de bouwwerkzaamheden en dat de stichting met toewijzing van het verzoek kan voorkomen dat er verder gebouwd wordt (en daarmee in zekere zin ook kan bereiken dat de radartoren niet conform planning in gebruik wordt genomen).
6.2.
Ook de stelling van de minister dat er geen gronden zijn aangevoerd tegen de bouw van de radartoren (maar slechts tegen de ingebruikname daarvan), volgt de voorzieningenrechter niet. Hoewel er slechts beperkt gronden zijn aangevoerd, is op zitting duidelijk geworden dat de stichting aanvoert dat het ten onrechte toepassen van de rijkscoördinatieregeling ook gevolgen heeft voor de rechtmatigheid verleende vergunning, en dus ook voor het bouwdeel.
6.3.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er wel sprake is van een spoedeisend belang bij de omgevingsvergunning voor zover die het bouwen van de radartoren mogelijk maakt.
(Vooralsnog) geen spoedeisend belang bij het in werking hebben van de radarinstallatie
7. Defensie heeft de voorzieningenrechter kenbaar gemaakt dat de planning erop gericht is om de radarinstallatie in Q3 van 2026 te plaatsen en om deze vóór de start van het broedseizoen in 2027 in gebruik te nemen.
7.1.
Zoals de voorzieningenrechter op zitting heeft toegelicht, is op dit moment de verwachting dat de rechtbank rond de zomer van 2026 (en dus vóórdat de radarinstallatie in gebruik wordt genomen) uitspraak doet op de beroepen gericht tegen de verleende omgevingsvergunning. Dat betekent dat er voor zover het de ingebruikname betreft geen onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan vóórdat de rechtbank een einduitspraak heeft gedaan. De voorzieningenrechter is onder die omstandigheid van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang bij het besluitonderdeel van de omgevingsvergunning dat betrekking heeft op het in werking hebben van de radarinstallatie.
7.2.
Daar merkt de voorzieningenrechter nog het volgende bij op. Hoewel de rechtbank zich er voor zal inspannen dat er rond de zomer uitspraken zijn gedaan in de beroepen, is op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen of dat lukt. De rechtbank is daarvoor namelijk ook afhankelijk van externe omstandigheden, zoals wanneer de STAB een advies uitbrengt en wanneer de reacties van partijen daarop komen. Mocht onverhoopt blijken dat, anders dan waar de voorzieningenrechter op dit moment vanuit gaat, de beroepen niet zijn afgedaan vóórdat de radartoren in Q3 wordt geplaatst, dan kan de stichting zoals op zitting is besproken een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen. Zoals de minister ter zitting ook expliciet erkende zijn er dan namelijk nieuwe feiten en omstandigheden, want de uitspraak komt later dan waar de voorzieningenrechter op dit moment vanuit gaat. Om de stichting een adequate mogelijkheid te geven om hiertoe over te kunnen gaan, hebben partijen afgesproken dat de minister een week voor de start van de ingebruikname van de radar daarvan melding doet aan de gemachtigde van de stichting.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
8. De voorzieningenrechter beoordeelt of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat er alleen sprake is van een spoedeisend belang bij de activiteit bouwen, beperkt zij die beoordeling tot de vraag of er aanleiding bestaat om dat besluitonderdeel te schorsen. Daarvoor is van belang of het beroep van de stichting, voor zover gericht tegen dat besluitonderdeel, een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om dat besluitonderdeel te schorsen. Of het beroep tegen dat besluitonderdeel een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van de stichting.
8.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de stichting in algemene zin heeft aangevoerd dat het ten onrechte toepassen van de rijkscoördinatieregeling ook de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning aantast (en daarmee ook het bouwdeel daarvan). Het is de voorzieningenrechter op voorhand echter niet gebleken dat het ten onrechte toepassen van de rijkscoördinatieregeling heeft geleid tot gebreken in de totstandkoming van het bestreden besluit of op andere manier de rechtmatigheid daarvan aantast. Daarbij is ook niet geconcretiseerd door de stichting waar die onrechtmatigheden dan in zouden zitten. Voor het overige heeft de stichting geen gronden aangevoerd waarom het bouwdeel van de omgevingsvergunning onrechtmatig zou zijn. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op de activiteit bouwen, rechtmatig is verleend.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Dat betekent concreet dat defensie voor eigen rekening en risico verder mag gaan met de bouw van de radartoren.
9.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.
9.2.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.
3.ABRvS 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5496.
4.Dat volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Defensie heeft het terrein al bouwrijp gemaakt en funderingspalen geplaatst.