ECLI:NL:RBGEL:2025:10799

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ARN 25/29 T
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over omgevingsvergunning voor minicamping en theetuin met betrekking tot parkeerdruk en bestemmingsplan

Deze tussenuitspraak betreft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel tot verlening van een omgevingsvergunning voor een minicamping en theetuin. Eiser, een inwoner van [plaats], is het niet eens met de verleende vergunning en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 9 september 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en vertegenwoordigers van het college aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond met betrekking tot de parkeerdruk slaagt. Het college moet nader motiveren wat de parkeerbehoefte van de theetuin is en waar deze op eigen terrein kan worden opgevangen. De rechtbank wijst op het belang van een goede ruimtelijke ordening en de noodzaak om te voldoen aan de regels van het bestemmingsplan. De uitspraak benadrukt dat de vergunning alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en dat de parkeerdruk adequaat moet worden onderbouwd. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om het gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen, met een termijn van twee weken voor de mededeling aan de rechtbank. Indien het college gebruik maakt van deze gelegenheid, kunnen partijen binnen vier weken reageren op de herstelpoging. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/29 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel, het college
(gemachtigden: mr. M.G.H.C. Truijen en S. Elemans).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel
: [derde-partij]uit [plaats] (derde-partij).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over het besluit van het college tot verlening van een omgevingsvergunning voor een minicamping en theetuin. Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgrond met betrekking tot de parkeerdruk slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 3 juni 2023 heeft de derde-partij een aanvraag ingediend voor het realiseren van een minicamping en theetuin op het perceel [locatie] in [plaats]. [1] Het gebruik van de gronden op de enkelbestemming "Wonen" als theetuin is in strijd met de bestemmingsomschrijving van artikel 18.1. van het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan”. Het gebruik van de gronden op de enkelbestemming "Agrarisch met waarden" als minicamping is in strijd met de bestemmingsomschrijving van artikel 4.1. van het bestemmingsplan. Om de omgevingsvergunning toch te kunnen verlenen is het college afgeweken van het bestemmingsplan. [2] Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het besluit van 19 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de verlening van de vergunning gebleven. Eiser heeft op 3 januari 2025 beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, namens het college mr. M.G.H.C. Truijen en dhr. S. Elemans en namens de derde-partij [derde-partij].

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
3.1
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 3 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

4. In de bijlage bij de uitspraak staan de voor deze uitspraak van belang zijnde artikelen uit het van toepassing zijnde bestemmingsplan.
Het toetsingskader
4.1.
Het college heeft de vergunning verleend om gronden te gebruiken in afwijking van het bestemmingsplan.
4.2.
Bij een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend als deze activiteit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en, voor zover hier van belang, met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels over het afwijken van het bestemmingsplan.
Letterlijke uitleg van de planregels
5. Eiser woont op meer dan 200 meter afstand en is daarnaast eigenaar van het agrarische perceel ten oosten van de locatie [locatie]. Hij stelt dat de regels uit het bestemmingsplan onjuist zijn toegepast en dat kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan op gronden met een woonbestemming en, zo nodig, deels op de daaraan direct aangrenzende gronden met een agrarische bestemming. Kamperen dat uitsluitend plaatsvindt op agrarische gronden valt volgens eiser buiten de reikwijdte en is ook in strijd met de systematiek van het bestemmingsplan en de bedoeling van de planwetgever. Eiser wijst daarbij op de aanwezigheid van het mobiele sanitairgebouw dat geen fysieke of functionele relatie heeft met het woonperceel. Voor het sanitair wordt daardoor geen gebruik gemaakt van voorzieningen van de woning. Dit toont volgens eiser aan dat sprake is van een zelfstandige exploitatie op de gronden met een agrarische bestemming, wat volgens hem niet is toegestaan. Daarnaast voert eiser aan dat de camping met theetuin afbreuk doet aan het karakter van de omgeving.
5.1.
In artikel 41.4 van het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan” (bestemmingsplan) staat (voor zover relevant):
“41.4 Kleinschalig kamperen bij de burger
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan ten behoeve van het toestaan van kleinschalig kamperen binnen de bestemming ‘Wonen’ en de aangrenzende agrarische gronden, met dien verstande dat:
a. er niet meer dan 15 mobiele kampeermiddelen op het bestemmingsvlak zijn toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
b. er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing door middel van een landschappelijk inpassingsplan;
c. de oppervlakte van het perceel niet minder bedraagt dan 0,5 ha;
d. de kampeermiddelen en de bijbehorende voorziening binnen de bestemming ‘Wonen’ dienen te worden gesitueerd dan wel direct aangrenzend aan het bestemmingsvlak van de bestemming ‘Wonen’ ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch’ of ‘Agrarisch met
waarden’ met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard’;
e. bijbehorende gebouwde voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan indien de maatvoering voldoet aan de regels welke zijn opgenomen in Artikel 18 lid 18.2 dan wel in de bestaande bebouwing welke zijn gelegen op de gronden direct aangrenzend aan het bestemmingsvlak van de bestemming ‘Wonen’ ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch’ of ‘Agrarisch met waarden’ met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard’;
f. vaste kampeermiddelen niet zijn toegestaan; “de kampeermiddelen en de bijbehorende voorziening binnen de bestemming 'Wonen' dienen te worden gesitueerd dan wel direct aangrenzend aan het bestemmingsvlak van de bestemming 'Wonen' ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden' met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard';”
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit de letterlijke tekst van artikel 41.1 van de planregels niet volgt dat de minicamping altijd ten minste ten dele ook op de bestemming ‘Wonen’ moet zijn gelegen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk dienen te worden uitgelegd. [3] De term ‘dan wel’ in artikel 41.4, onder d, van de planregels moet naar het oordeel van de rechtbank worden gelezen als synoniem van ‘of’. Dit betekent dat op grond van deze planregel de kampeermiddelen binnen de bestemming ‘Wonen’ maar ook direct aangrenzend aan het bestemmingsvlak van de bestemming ‘Wonen’, ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch’ of ‘Agrarisch met waarden’, gesitueerd kunnen worden. Omdat de tekst duidelijk en leidend is, wordt niet toegekomen aan een systematische uitleg of de bedoeling van de planwetgever. Dat een functionele afhankelijkheid moet bestaan van de voorzieningen van binnen de woonbestemming vereist het bestemmingsplan niet.
5.3.
De rechtbank stelt verder vast het college op basis van het bij de aanvraag behorende inpassingsplan heeft geconcludeerd dat de camping geen afbreuk doet aan het karakter van de omgeving. Eiser is het daarmee niet eens maar heeft alleen naar voren gebracht dat de plannen van initiatiefnemer haaks staan op de uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aanwezige waarden worden aantast. De rechtbank ziet in deze enkele stellingen geen grond dat het college de vergunning niet heeft kunnen verlenen op basis van het inpassingsplan.
Beroepsgronden die niet slagen op grond van het relativiteitsvereiste
Spuitzonering
6. Eiser stelt dat geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De naast de camping gelegen fruitteelt brengt risico’s met zich mee voor de omgeving. Met het oog op het voorzorgsbeginsel moeten omwonenden worden beschermd tegen de mogelijke schadelijke effecten van bestrijdingsmiddelen. Daarbij moet worden uitgegaan van een maximale invulling van de bestemming, inclusief intensieve teelt en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Volgens eiser is de genomen maatregel (een windhaag) onvoldoende, aangezien deze niet hoog genoeg is, en maakt het aanvullende spuitzone-onderzoek geen deel uit van de omgevingsvergunning.
6.1.
De rechtbank beoordeelt deze beroepsgrond van eiser niet inhoudelijk, gelet op artikel 8:69a van de Awb. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt namelijk dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel, als deze regel niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De wetgever heeft met dit artikel beoogd een strikte relativiteitsregel in het bestuursprocesrecht in te voeren. Dit betekent dat een belanghebbende een besluit alleen met succes kan aanvechten in een procedure bij de rechter als het concrete voorschrift dat volgens hem is geschonden, mede strekt tot bescherming van zijn belangen. Dit betekent dat een belanghebbende die zich niet kan beroepen op zo’n specifieke norm, zich ook niet kan beroepen op die norm als argument dat vanwege schending van de norm geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. [4] Een partij kan zich daarom niet beroepen op normen ter bescherming tegen mogelijke risico's voor de gezondheid van anderen als argument voor het betoog dat geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
6.2.
In artikel 4.4.3, onder c, van de planregels is bepaald dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met zij- en opwaartse spuittechniek binnen 50 meter van gevoelige functies in strijd is met de bestemming. De in de planregels opgenomen afstand komt overeen met de norm die uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt. [5] Deze normen strekken kennelijk niet tot bescherming van het belang van eiser, maar tot bescherming van het belang van de campingbezoekers. Eiser kan zich hierop dan ook niet met succes beroepen.
Flora en Fauna
7. Eiser stelt dat op het perceel van de camping ransuilen verbleven. De gemeente had daarom volgens hem een flora- en fauna quickscan moeten laten uitvoeren. Door geen ecologisch onderzoek te laten verrichten, is het besluit volgens eiser niet zorgvuldig voorbereid.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat ook hier het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a Awb in de weg staat. Een natuurlijke persoon die zich beroept op bepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb), welke strekken tot bescherming van plant- en diersoorten, beroept zich op een algemeen belang waarvoor hij in rechte niet kan opkomen. Alleen als de belangen van omwonenden zodanig verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, kan een uitzondering gelden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat zo’n verwevenheid in beginsel niet wordt aangenomen als de afstand tussen de woning van eiser en het betrokken perceel meer dan 100 meter bedraagt. [6] Eiser woont op meer dan 200 meter afstand, zodat er geen sprake is van een zodanige verwevenheid.
Belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen
7.2.
Eiser stelt dat het voorziene gebruik van het perceel als camping en theetuin zal leiden tot extra planologische belemmeringen voor zowel de huidige als de toekomstige agrarische bedrijfsvoering op de naastgelegen percelen. Door de komst van recreatief gebruik neemt volgens hem de kans op klachten over geur, geluid, erfbeplanting of agrarisch verkeer toe. Op grond hiervan wordt volgens eiser niet voldaan aan artikel 18.5.2, onder f, van de planregels.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat ook hier het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a Awb in de weg staat. Artikel 18.5.2, onder f, heeft als doel om belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiend uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving, te voorkomen. Eiser heeft, voor zover bij de rechtbank bekend, geen agrarisch bedrijf dat door de ontwikkeling van de theetuin planologisch zou kunnen worden belemmerd, en komt daarom niet op voor een eigen belang.
Parkeerdruk
8. Eiser stelt dat geen gedegen parkeerdrukmeting of verkeerstechnisch rapport ten grondslag ligt aan de beoordeling van de parkeerbehoefte. De gemeente baseert zich volgens hem slechts op de inschatting van de aanvrager en gaat volgens eiser ten onrechte uit van parkeerbehoefte van vier parkeerplaatsen. Daarbij zijn de openingstijden niet vastgelegd en is de aanname, dat de bezoekers uitsluitend wandelaars of fietsers zijn, niet controleerbaar of afdwingbaar. De stelling van het college dat de extra parkeerbelasting geen problemen oplevert in de openbare ruimte is niet onderbouwd.
8.1.
Het college stelt dat aannemelijk is dat de ruimtelijke ontwikkeling geen parkeerproblemen in de omgeving zal veroorzaken. De openbare ruimte biedt volgens het college voldoende capaciteit. Elke kampeerplaats is voorzien van een eigen parkeerplek, waarmee wordt voldaan aan artikel 41.4, onder h, van de planregels. Voor de theetuin moet op basis van de planregels voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig zijn. Volgens het college is de parkeerbehoefte 4 tot 8 plaatsen. Gezien de beperkte openstelling (volgens de aanvrager één dag per week en mogelijk vaker bij goed weer) en de verwachte bezoekersgroep (wandelaars, fietsers en campinggasten), wordt uitgegaan van de ondergrens van 4 plaatsen. Deze parkeerdruk kan volgens het college worden opgevangen in de bestaande openbare ruimte.
8.2.
De beroepsgrond slaagt. Op grond van artikel 18.5.2, onder h, van de planregels moet er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig zijn als recreatieve activiteiten in afwijking van het bestemmingsplan worden toegestaan. Hieronder worden begrepen “horeca-activiteiten (een theetuin en soortgelijke activiteiten)”. Uitgangspunt is dus dat de parkeerbehoefte van de theetuin op eigen terrein wordt opgevangen. Hoewel aannemelijk is dat de theetuin voornamelijk door wandelaars en fietsers zal worden bezocht, stelt eiser terecht dat dit niet is geborgd en dat daar dus niet zonder meer van uit kan worden gegaan. Er ontbreekt bovendien een onderbouwing van een deskundige waarin inzichtelijk is gemaakt hoe de parkeerbehoefte is vastgesteld. Er zou een advies zijn uitgebracht, maar het college heeft dit niet ten grondslag gelegd aan de vergunning of de beslissing op bezwaar en ook in de beroepsprocedure niet overgelegd. Hierdoor is onduidelijk in hoeverre de parkeerbehoefte, zoals het bestemmingsplan voorschrijft, op eigen terrein wordt opgevangen. Dat tijdens de zitting is gesteld dat de parkeerbehoefte op eigen terrein zal kunnen worden opgevangen is onvoldoende om dit te passeren. In het inrichtingsplan of in de vergunning is namelijk niet opgenomen of, en zo ja waar, parkeerplaatsen ten behoeve van de theetuin op het eigen terrein worden gerealiseerd, terwijl het wel voor de hand had gelegen dit ook in het besluit te borgen. De rechtbank gaat in de conclusie in op de gevolgen van het slagen van deze beroepsgrond.
Ladder voor Duurzame Verstedelijking
9. Eiser stelt dat een toereikende ruimtelijke motivering voor het initiatief ontbreekt. Volgens hem is niet aangetoond dat er sprake is van een actuele regionale behoefte aan een camping met theetuin.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de Ladder voor Duurzame Verstedelijking niet van toepassing is in gevallen waarin de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wabo. [7] Uit artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) volgt namelijk dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) uitsluitend van toepassing is wanneer de vergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°. Nu de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van een binnenplanse afwijking, is de Ladder voor Duurzame verstedelijking niet van toepassing. Er is dus geen ruimtelijke motivering nodig waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een actuele regionale behoefte aan een camping met theetuin.
Gronden niet behandeld in bezwaar
10. Eiser stelt dat de in bezwaar niet is ingegaan op zijn klacht dat een flora- en fauna quickscan ontbreekt, dat ten onrechte archeologische toets is verricht, het niet borgen van het inrichtingsplan in de omgevingsvergunning en de noodzaak van een verkeersonderzoek.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat deze stelling onjuist is en dat de gronden wel zijn behandeld. Voor zover eiser bedoelt heeft te zeggen dat de beoordeling daarvan onjuist is geweest, heeft hij dit niet onderbouwd. De rechtbank gaat daarom niet verder op deze beroepsgronden in.
Overige gronden
11. Eiser heeft in beroep - onder de noemer ‘overige planologische aspecten’ - nog aangevoerd dat een toets op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ontbreekt, en gesteld bezwaren te hebben tegen het akoestisch onderzoek. Ook heeft eiser betoogd dat niet is geborgd dat toekomstige ongewenste nevenfuncties zijn uitgesloten en dat hij onheus is bejegend door het college dat in strijd zou hebben gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit is niet nader uitgewerkt en onderbouwd en ook niet toegelicht tijdens de zitting. De rechtbank gaat hier daarom niet verder op in.

Conclusie en gevolgen

12. Uit overweging 8.2. volgt dat de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank kan het college in de gelegenheid stellen een gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen of te laten herstellen. [8] Dit wordt het toepassen van een bestuurlijke lus genoemd. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen.
12.1.
Om het gebrek te herstellen moet het college alsnog nader motiveren wat de parkeerbehoefte vanwege de theetuin is en toelichten waar dit op eigen terrein opgevangen zal worden, zodat vanwege de parkeerbehoefte geen verkeerskundige effecten zijn te verwachten in de openbare ruimte.
12.2.
Als het college geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk dan wel uiterlijk binnen twee weken meedelen aan de rechtbank.
12.3.
Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser en de derde-partij in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
12.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het college op om binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid
van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

Artikel 18 Wonen

18.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen;
aan huis verbonden beroepen;
hobbymatig agrarisch gebruik;
behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden van de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
en paardenbak, met dien verstande dat de bestemmingsgrens van de bestemming 'Wonen' met 10 m mag worden overschreden ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden', mits minimaal 75% van de paardenbak gelegen is binnen het bestemmingsvlak van de bestemming 'Wonen';
nevenactiviteiten;
ter plaatse van de aanduiding 'garagebox', uitsluitend een garagebox;
waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen;
bermen en taluds;
geluidwerende voorzieningen;
ontsluiting van percelen;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, paden e.d.
18.5.2
Recreatieve activiteiten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.1 teneinde binnen een woning en/of bijbehorende bouwwerken recreatieve activiteiten zoals het verstrekken van logies en ontbijtvoorzieningen (bed & breakfast), horeca-activiteiten (theetuin en soortgelijke activiteiten), exposities, verhuur van fietsen, huifkarren e.d., toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de woonfunctie dient in overwegende mate behouden te blijven;
de activiteit dient plaats te vinden binnen de bestaande gebouwen dan wel binnen het bestemmingsvlak indien het buitenactiviteiten betreffen;
de activiteit maximaal 30% van het vloeroppervlak van de op het perceel aanwezige bebouwing tot een maximum van 150 m2 mag bedragen;
indien het betreft logies, zijn maximaal 5 appartementen toegestaan;
r mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke waarden;
het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en/of leiden tot onevenredige parkeerdruk;
parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein.
41.4
Kleinschalig kamperen bij de burger
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan ten behoeve van het toestaan van kleinschalig kamperen binnen de bestemming 'Wonen' en de aangrenzende agrarische gronden, met dien verstande dat:
er niet meer dan 15 mobiele kampeermiddelen op het bestemmingsvlak zijn toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing door middel van een landschappelijk inpassingsplan;
de oppervlakte van het perceel niet minder bedraagt dan 0,5 ha;
e kampeermiddelen en de bijbehorende voorziening binnen de bestemming 'Wonen' dienen te worden gesitueerd dan wel direct aangrenzend aan het bestemmingsvlak van de bestemming 'Wonen' ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden' met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard';
bijbehorende gebouwde voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan indien de maatvoering voldoet aan de regels welke zijn opgenomen in Artikel 18 lid 18.2 dan wel in de bestaande bebouwing welke zijn gelegen op de gronden direct aangrenzend aan het bestemmingsvlak van de bestemming 'Wonen' ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden' met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard';
vaste kampeermiddelen niet zijn toegestaan;
het gebruik geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu mag opleveren en geen afbreuk mag doen aan het karakter van de buurt;
et gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en/of leiden tot onevenredige parkeerdruk;
detailhandel niet is toegestaan.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)
2.Met toepassing van artikel 2.12 eerste lid, onder a, aanhef en onder 1° van de Wabo, in samenhang met artikel 18.5.2 en 41.4 van de planregels.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3579.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.
5.Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2024:2044.
8.Artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht.