ECLI:NL:RBGEL:2025:10729

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/675
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om inzage in persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens

Deze uitspraak betreft het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens op basis van de Wet politiegegevens. Eiser stelt dat de inzage die hem door de minister van Defensie is verleend niet volledig is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep ongegrond is, omdat de zoekslag die door de minister is uitgevoerd voldoende was en de verleende inzage als volledig kan worden beschouwd. De rechtbank legt uit dat de minister op 21 december 2023 aan eiser inzage heeft verleend in de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, omdat hij meent dat er meer gegevens over hem zijn verwerkt dan hem zijn verstrekt. De rechtbank heeft het procesverloop uiteengezet, waarin eiser zijn verzoek om inzage heeft ingediend en de minister heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de zaak op 23 september 2025 behandeld en heeft de argumenten van eiser en de minister afgewogen. De rechtbank concludeert dat de minister geen volledige inzage heeft gegeven, maar dat de zoekslag naar persoonsgegevens adequaat is uitgevoerd. Eiser krijgt geen gelijk, en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/675

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigden: mr. S.K.S. Toelsie en mr. T.M.D. Buruma),
en

de minister van Defensie

(gemachtigden: mr. M.J.A. Hanhart, mr. N.N. Bontje en mr. P.G.M. van der Voorn).

Samenvatting en leeswijzer

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens. Volgens eiser is de door de minister verleende inzage niet volledig.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat waar deze zaak over gaat. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij legt de rechtbank eerst uit wat het beoordelingskader in deze zaak is. Daarna gaat de rechtbank onder 5 in op de vraag of de zoekslag voldoende is geweest en of de door de minister verleende inzage volledig was. Onder 6 beantwoordt de rechtbank de vraag of de minister de vragen van eiser had moeten beantwoorden. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft de minister verzocht om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Met het besluit van 21 december 2023 heeft de minister aan eiser inzage verleend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit. [1]
2.2.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ten aanzien van één stuk heeft de minister de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en te bepalen dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. De rechtbank heeft gehandeld alsof de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming van het voor eiser geheimgehouden stuk gerechtvaardigd is. [2] Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld tegelijk met de zaken 24/674, 24/677, 24/679, 24/680 en 24/2086. Namens eiser zijn verschenen de gemachtigden van eiser. De minister heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Toonders en mr. drs. D.J. le Clercq, bijgestaan door gemachtigden van de minister. De rechtbank doet in elke zaak afzonderlijk uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Aan eiser en zijn reisgenoten is op 10 oktober 2022 door de Spaanse autoriteiten een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Dit inreisverbod is volgens eiser gebaseerd op vermeende banden van eiser en zijn reisgenoten met een groep personen die zijn veroordeeld in het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek [naam onderzoek]. Eiser vermoedt dat de onderbouwing van het inreisverbod afkomstig is uit Nederland. Uit de onderbouwing van het inreisverbod blijkt dat eiser in verband wordt gebracht met de “[naam groep]”. Volgens het inreisverbod behoort hij tot een groep met terroristische ideologie onder de naam “[naam groep]”, waarbij [plaats 1] de voornaamste plaats is in Nederland waar een groot deel van de leden van de verschillende cellen die het netwerk heeft gehad woonachtig zijn of waren. Verder wordt in de onderbouwing verwezen naar de ontmanteling in de steden [plaats 2] en [plaats 1] van een cel die was begonnen met het aanschaffen van vuurwapens en explosieve stoffen. Volgens eiser kan het niet anders dan dat hiermee wordt verwezen naar de groep die in het onderzoek [naam onderzoek] is aangehouden en vervolgd voor het in o.a. [plaats 1] deelnemen aan een terroristische organisatie en het o.a. in [plaats 2] voorbereiden van een terroristische aanslag door het aanschaffen van vuurwapens en mest. In 2024 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in deze zaak. Volgens eiser wordt hij, hoewel is aangegeven dat hij niet wordt verdacht van terroristische misdrijven of feiten, in het buitenland kennelijk wel gerekend tot de groep personen die verdacht waren in dit onderzoek, althans ermee in verband wordt gebracht. Volgens eiser onderbouwt ook de informatie waarin door de korpschef van de Nationale Politie wel inzage is gegeven het vermoeden dat in Nederland het verband is gelegd tussen eiser en [naam groep], respectievelijk [naam onderzoek], en dat dit aan Spanje is verstrekt.
Het verzoek
3.1.
Op 6 juni 2023 heeft eiser op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming en artikel 25 van de Wpg verzocht om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Daarbij heeft eiser de volgende vragen gesteld:
1. Of eiser en zijn reisgenoten in verband zijn gebracht met het onderzoek [naam onderzoek] en zo ja, of dit nog steeds het geval is en op basis van welke informatie;
2. Of eiser en zijn reisgenoten als CTER-subject zijn aangemerkt en zo ja, op basis van welke informatie;
3. Of deze informatie door de minister is gedeeld met andere instanties en zo ja, met welke instanties (in Nederland en daarbuiten);
4. Of, indien op enig moment er een gewijzigd inzicht plaatsvond, dit gedeeld is met voornoemde instanties;
5. Aan wie zijn de verwerkte persoonsgegevens verstrekt en/of van wie persoonsgegevens zijn verkregen, onder vermelding van een niet-limitatieve lijst;
6. Inzage in informatie aangaande de waarborgen voor doorgifte die de minister heeft getroffen ingeval voornoemde persoonsgegevens zijn doorgegeven aan een ander land of aan een internationale organisatie.
Eiser heeft ook verzocht om (verlopen) verlengingen en intrekkingen van signaleringen, meldingen en verstrekkingen en om uitputtend te vermelden welke afdelingen en systemen wel en niet zijn geraadpleegd en op welke wijze dit is gebeurd.
Het besluit
3.2.
De minister heeft in het besluit van 21 december 2023 aangegeven dat de KMar één keer persoonsgegevens van eiser heeft verwerkt bij de uitvoering van haar politietaken uit artikel 4, eerste lid, van de Politiewet. Deze verwerking heeft plaatsgevonden op 3 november 2023 en betrof een controle van een voertuig waarvan eiser bestuurder was. De minister heeft deze registratie in het besluit samengevat en daarbij vermeld dat eiser recht heeft op fysieke inzage van de registratie. Tevens is de informatie verstrekt als bedoeld in artikel 25 van de Wpg. In de toelichting op het besluit van 31 januari 2024 heeft de minister de bij het besluit reeds verstrekte informatie in een andere vorm – een tabel - met eiser gedeeld en aangegeven dat de politiegegevens die zijn verwerkt de gewone persoonsgegevens van eiser zijn, namelijk de naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geslacht, nationaliteit en BSN.
Beoordelingskader
4. De rechtbank stelt voorop dat zij de problemen die eiser heeft ondervonden (en nog steeds ondervindt) begrijpt. De rechtbank begrijpt ook de moeilijkheden/beperkingen die hij ervaart bij het achterhalen van de oorzaak daarvan, zoals deze ook naar voren komen in het rapport ‘Blind vertrouwen’ van de Nationale Ombudsman van 12 november 2024, waarnaar eiser heeft verwezen. De rechtbank onderkent bovendien dat deze uitspraak mogelijk leidt tot een voor eiser onbevredigend resultaat. Eiser wenst in feite te vernemen of er nog meer of andere registraties zijn geweest over zijn persoon en of die registraties mogelijk hebben bijgedragen aan het door Spanje opgelegde inreisverbod. Op die vraag zal eiser in deze procedure geen antwoord krijgen.
4.1.
Gegevens die zijn verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak moeten worden aangemerkt als politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Voor de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. [3] Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren. [4]
4.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg volgt dat degene op wie een politiegegeven betrekking heeft in beginsel een recht op kennisneming van die gegevens heeft met het oog op de uitoefening van zijn rechten tot verbetering of verwijdering van die gegevens. [5] Het inzagerecht ziet op inzage in de politiegegevens van de verzoeker en niet van anderen. Aan het inzagerecht kan geen recht worden ontleend op verstrekking van de documenten waarin de verwerkte politiegegevens zijn opgenomen. [6]
4.3.
Het recht op kennisneming van de politiegegevens is geen absoluut recht. Het kan worden beperkt als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is in het belang van, onder andere, de bestrijding van strafbare feiten. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wpg volgt dat een verzoek om kennisneming van politiegegevens wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is vanwege de in die bepaling vermelde belangen. Aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg moet een belangenafweging ten grondslag liggen. [7]
De door de minister verleende inzage en de uitgevoerde zoekslag
5. Eiser voert aan dat de minister geen volledige inzage in de door hem verwerkte politiegegevens heeft gegeven. Uit het besluit blijkt namelijk niet van een registratie op 20 februari 2023. Op die dag is eiser samen met zijn reisgenoten met Spaanse escorte naar Nederland begeleid. Volgens eiser kan het daarom niet anders dan dat er die dag persoonsgegevens van hem zijn verwerkt. Bij drie van zijn reisgenoten is inzage in de registratie van persoonsgegevens op die dag verleend en bij twee van zijn reisgenoten is inzage geweigerd. Het is daarom onbegrijpelijk dat er geen persoonsgegevens van eiser zouden zijn verwerkt. Daarbij voert eiser ook aan dat de minister in het besluit onvoldoende heeft toegelicht welke afdelingen en systemen wel en niet zijn geraadpleegd en op welke wijze dit is gebeurd.
5.1.
De minister heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser gezocht naar alle persoonsgegevens en politiegegevens die hij verwerkt over eiser. Daartoe heeft de minister gezocht in alle bronsystemen waarvan hij verwerkingsverantwoordelijke is. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat op meerdere momenten in de procedure opnieuw een zoekslag is gemaakt. Daarbij heeft de minister steeds een ruime betekenis van het begrip “persoonsgegeven” gebruikt. Zo is er onder andere gezocht op naam en afkorting van de naam van eiser. De minister heeft hierbij geen andere registraties aangetroffen dan de registratie waarvan aan eiser gedeeltelijk inzage is verleend. Eiser komt niet voor met een registratie van 20 februari 2023.
5.2.
Eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het opmerkelijk is dat van eiser op 20 februari 2023 geen persoonsgegevens zijn verwerkt. Er is op die dag sprake geweest van een gecontroleerde overdracht onder Spaans escorte, hetgeen een nauwe samenwerking tussen Spaanse en Nederlandse autoriteiten veronderstelt, de KMar daaronder begrepen. Bovendien valt niet goed in te zien waarom de persoonsgegevens van enkele reisgenoten van eiser wél en die van eiser niet zijn verwerkt. Tegelijkertijd geldt dat de minister geen inzage kan geven in een verwerking die – om wat voor reden dan ook – niet heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook als die verwerking voor de hand ligt. De vraag die moet worden beantwoord is of de zoekslag van de minister volledig is geweest. In dit verband overweegt de rechtbank dat zij geen concrete aanknopingspunten heeft om te twijfelen aan de volledigheid van de door de minister uitgevoerde zoekslag en de door de minister verleende inzage. In het verzoek heeft eiser diverse systemen genoemd en de minister heeft op zitting aangegeven in die systemen te hebben gezocht, behoudens het systeem Pi-NL omdat de minister daarvoor geen verwerkingsverantwoordelijke is. Dit heeft de minister al toegelicht in het besluit. Daarbij heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de minister bij de zoekslag een te beperkte opvatting van het begrip “persoonsgegeven” heeft gebruikt. Zoals door de minister ter zitting is toegelicht, verschilt de zoekslag niet ten opzichte van de zoekslag zoals die is gedaan naar aanleiding van de verzoeken van eisers reisgenoten. In die zoekslagen zijn ten aanzien van twee van eisers reisgenoten registraties van de persoonsgegevens op de dag van overdracht wél naar boven gekomen. Daarmee is niet ongeloofwaardig dat zo’n registratie ten aanzien van eiser niet is gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Antwoorden op vragen van eiser
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de beantwoording van vragen 1 t/m 6 geweigerd.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de beantwoording van de vragen kan worden gerelateerd aan artikel 25 van de Wpg is er sprake van politiegegevens en dient de minister inzage in te geven tenzij zich weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg voordoen. Inzage kan antwoord geven op de gestelde vragen. De beantwoording van andere vragen valt niet onder de Wpg. De minister heeft daarom terecht alleen antwoord gegeven op de vraag of politiegegevens in de zin van artikel 25 van de Wpg zijn verwerkt en heeft, voor zover deze zijn verwerkt, hierin inzage verleend.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mr. A.S. Gaastra en mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uit de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht) volgt dat tegen een besluit genomen op grond van artikel 25 van de Wpg geen bezwaar kan worden gemaakt en dat rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
2.Dit volgt uit artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021.
4.Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50.
5.Kamerstukken II 2005/2006, 30 327, nr. 3, p. 83.