ECLI:NL:RBGEL:2025:10546

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/05/455184 / HZ ZA 25-12
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de rechtbank in een faillissementskwestie met meerdere gedaagden

In deze zaak, die zich afspeelt in het civiele recht en insolventierecht, heeft de Rechtbank Gelderland op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een incident. De eiser, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van drie bedrijven, heeft vorderingen ingesteld tegen meerdere gedaagden. De rechtbank heeft zich deels onbevoegd verklaard op grond van artikel 93 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat de vorderingen betrekking hebben op een arbeidsovereenkomst en de kantonrechter bevoegd is. De eiser vorderde onder andere schadevergoeding en vernietiging van onrechtmatige betalingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen III tot en met VII, die betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst, door de kantonrechter behandeld moeten worden. De rechtbank heeft de zaak voor deze vorderingen verwezen naar de kantonrechter in Apeldoorn. De eiser is veroordeeld in de proceskosten van het incident, omdat hij grotendeels in het ongelijk is gesteld. De zaak zal voor de overige vorderingen op de rol komen van 7 januari 2026 voor conclusie van antwoord door de gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/455184 / HZ ZA 25-212
Vonnis in incident van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser hoofdzaak], in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ,
te [plaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser hoofdzaak] ,
advocaat: mr. M. Kauffmann,
tegen

1.[gedaagde hoofdzaak 1] ,

te [plaats] ,
advocaat: mr. G.D. te Biesebeek,
eiseres in het incident,
gedaagde in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde hoofdzaak 1] ,
2.
[gedaagde hoofdzaak 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde hoofdzaak 2] ,
niet verschenen,
3.
[gedaagde hoofdzaak 3],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde hoofdzaak 3] ,
advocaat: mr. S.H.J. Buitenkamp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 24 september 2025
- de incidentele conclusie inhoudende exceptie van onbevoegdheid
- de conclusie van antwoord in het incident tevens akte vermeerdering van eis in de hoofdzaak.

2.Het geschil in de hoofdzaak jegens [gedaagde hoofdzaak 1]

2.1.
[eiser hoofdzaak] vordert – na vermeerdering van eis – in de hoofdzaak jegens [gedaagde hoofdzaak 1] :
Primair:
I. [gedaagde hoofdzaak 1] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 53.081,64 aan [eiser hoofdzaak] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening,
Subsidiair:
II. de onttrekkingen, te weten de betalingen vanaf de en/of-rekening van [gedaagde hoofdzaak 2] en [gedaagde hoofdzaak 1] aan de persoonlijke bankrekening van [gedaagde hoofdzaak 1] van 28 februari 2025,
1 maart 2025 en 3 maart 2025, te vernietigen tot een bedrag van € 53.081,64,
Zowel primair als subsidiair:
III. voor recht te verklaren dat [eiser hoofdzaak] de betaling van [bedrijf 1] aan [gedaagde hoofdzaak 1] van 23 oktober 2024 rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van artikel 42 van de Faillissementswet (FW) dan wel artikel 47 FW, alsmede [gedaagde hoofdzaak 1] te veroordelen tot terugbetaling van € 9.126,08 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
IV. [gedaagde hoofdzaak 1] te veroordelen tot terugbetaling van € 2.247,30 bruto aan onverschuldigd betaalde vergoeding voor overuren;
V. [gedaagde hoofdzaak 1] te veroordelen tot terugbetaling van € 559,57 bruto aan onverschuldigd uitbetaald loon;
VI. [gedaagde hoofdzaak 1] te veroordelen tot terugbetaling van € 3.775,67 bruto aan onverschuldigd uitbetaalde vakantiedagen;
VII. [gedaagde hoofdzaak 1] te veroordelen tot betaling van € 831,30 ter vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van [eiser hoofdzaak] ;
VIII. [gedaagde hoofdzaak 1] te veroordelen tot vergoeding van de beslagkosten, alsmede de proces- en nakosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee dagen na de betekening van het vonnis.
2.2.
Door [gedaagde hoofdzaak 1] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak.

3.Het geschil in het incident

3.1.
[gedaagde hoofdzaak 1] verzoekt de rechtbank zich onbevoegd te verklaren om over de door
[eiser hoofdzaak] tegen [gedaagde hoofdzaak 1] ingestelde vorderingen te oordelen.
3.2.
[eiser hoofdzaak] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde hoofdzaak 1] in het incident met veroordeling van [gedaagde hoofdzaak 1] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
[gedaagde hoofdzaak 1] baseert haar vordering in het incident op de stelling dat de vorderingen in de hoofdzaak van [eiser hoofdzaak] jegens [gedaagde hoofdzaak 1] enerzijds een arbeidsovereenkomst betreffen en anderzijds gezamenlijk een beloop hebben van minder dan € 25.000,00, zodat op grond van artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de kantonrechter bevoegd is en niet de rechtbank. [eiser hoofdzaak] betwist dat de vorderingen jegens [gedaagde hoofdzaak 1] een beloop hebben van minder dan € 25.000,00. Daartoe voert hij aan dat in de hoofdzaak eveneens een vordering is ingesteld tot vernietiging van een koopovereenkomst die weliswaar niet is ingesteld jegens [gedaagde hoofdzaak 1] , maar [gedaagde hoofdzaak 1] wel raakt, nu zij als (mede) verkoper betrokken was bij die koopovereenkomst. Volgens [eiser hoofdzaak] dient deze vordering daarom eveneens betrokken te worden bij het bepalen van de totale beloop van de vordering jegens [gedaagde hoofdzaak 1] . Daarnaast heeft [eiser hoofdzaak] zijn eis bij zijn conclusie van antwoord in het incident vermeerderd, waardoor de gezamenlijke waarde van de eis in de hoofdzaak jegens [gedaagde hoofdzaak 1] de grens van € 25.000,00 ruimschoots overschrijdt.
4.2.
Op grond van artikel 93 onder a Rv worden zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 door de kantonrechter beslist. Zowel primaire
vordering I als subsidiaire vordering II hebben na de vermeerdering van de eis van
[eiser hoofdzaak] reeds een beloop van € 53.081,64, zodat, mede gelet op het bepaalde in
artikel 95 Rv, de zaak niet op grond van artikel 93 onder a Rv verwezen dient te worden naar de kantonrechter. Daarmee kan de vraag of de gevorderde vernietiging van de koopovereenkomst van de woning mee dient te wegen bij het bepalen van de geldelijke waarde van de vorderingen in het midden blijven.
4.3.
Op grond van artikel 93 onder c Rv worden zaken betreffende een arbeidsovereenkomst en een collectieve arbeidsovereenkomst beslist door de kantonrechter. Aan vorderingen III tot en met VII ligt de vraag ten grondslag of de door
[bedrijf 1] aan [gedaagde hoofdzaak 1] verrichte betalingen met betrekking tot loon, vakantie-uren, ATV-uren en overuren al dan niet verschuldigd waren op grond van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst en op grond van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst. [eiser hoofdzaak] betwist ook niet dat zijn vorderingen deels betrekking hebben op een arbeidsovereenkomst. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van vorderingen betreffende een (collectieve) arbeidsovereenkomst, zodat op grond van artikel 93 sub c Rv de kantonrechter bevoegd is om over vorderingen III tot en met VII te oordelen.
4.4.
Indien een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een arbeidsovereenkomst betreft, worden deze vorderingen op grond van artikel 94 lid 2 Rv alle door de kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Van een dergelijke samenhang is in het onderhavige geval geen sprake, aangezien aan de overige vorderingen niet eenzelfde feitencomplex ten grondslag ligt en de juridische grondslag evenmin gelijk is. Dit is slechts anders voor wat betreft de onder VIII gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, nu de gestelde buitengerechtelijke incassomaatregelen zien op betaling van het onder vordering III gevorderde bedrag. De rechtbank zal op grond van het voorgaande, als het mindere, zich onbevoegd verklaren kennis te nemen van de vorderingen III tot en met VII en vordering VIII, voor zover deze ziet op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, en de zaak voor wat betreft deze vorderingen verwijzen naar de kantonrechter.
4.5.
Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd. In het zaaksverdelingsreglement van de rechtbank Gelderland
(Staatscourant 2017, 10513) is bepaald bij welke zittingslocatie een zaak wordt behandeld. Nadere regels zijn opgenomen in het Besluit interne relatieve bevoegdheid rechtbank Gelderland (hierna: “Besluit”). Op grond van bijlage 1 bij het Besluit worden zaken waarin de gedaagde Epe als woonplaats heeft behandeld door de kantonrechter van zittingslocatie Apeldoorn. Nu [gedaagde hoofdzaak 1] woonachtig is te Epe, zal de rechtbank de zaak ten aanzien van de vorderingen III tot en met VIII op de voet van artikel 71 lid 2 Rv en het Besluit interne relatieve bevoegdheid rechtbank Gelderland ambtshalve naar de kantonrechter van de locatie Apeldoorn verwijzen.
Proceskosten
4.6.
[eiser hoofdzaak] heeft deels zijn vorderingen ten onrechte aangebracht bij de rechtbank, zodat [eiser hoofdzaak] naar het oordeel van de rechtbank heeft te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. [eiser hoofdzaak] zal daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde hoofdzaak 1] worden begroot op € 614,00
(1 punt x € 614,00, gebaseerd op tarief II).

5.De beoordeling in de hoofzaak

5.1.
Door [gedaagde hoofdzaak 1] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak zodat de rechtbank de zaak voor wat betreft de vorderingen die niet verwezen worden naar de kantonrechter op de rol zal plaatsen van 7 januari 2026 voor conclusie van antwoord door [gedaagde hoofdzaak 1] .
5.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiser hoofdzaak] in de hoofdzaak, zoals overwogen onder 4.4, en verwijst de zaak voor wat betreft deze vorderingen in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Apeldoorn,
6.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure, voor zover deze wordt verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank, niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
6.3.
veroordeelt [eiser hoofdzaak] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde hoofdzaak 1] tot op heden begroot op € 614,00,
6.4.
wijst het anders of meer gevorderde af,
in de hoofdzaak
6.5.
bepaalt dat de zaak, voor wat betreft de vorderingen die niet naar de kantonrechter zijn verwezen, weer op de rol zal komen van 7 januari 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord in conventie door [gedaagde hoofdzaak 1] ,
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
JV/PB