ECLI:NL:RBGEL:2025:10495

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AWB 25/4702
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor nokverhoging

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 4 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het betreft een verzoek van een inwoner van Wageningen tegen de verleende omgevingsvergunning voor een nokverhoging van een woning. De voorzieningenrechter oordeelt dat de bezwaargronden van de verzoeker geen redelijke kans van slagen hebben. De voorzieningenrechter legt uit dat de omgevingsvergunning is verleend door het college van burgemeester en wethouders op 12 september 2025, en dat de verzoeker bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 20 november 2025 heeft de verzoeker zijn bezwaren toegelicht, maar de vergunninghoudster heeft ervoor gekozen niet aanwezig te zijn.

De voorzieningenrechter bespreekt de totstandkoming van het bestreden besluit en het wettelijk kader. Hij stelt vast dat de vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor een nokverhoging, die in strijd is met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter concludeert dat de belangen van de verzoeker, zoals privacy en uitzicht, onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging van het college. Desondanks oordeelt hij dat de omgevingsvergunning niet onevenredig is en dat de verzoeker geen recht heeft op vrij uitzicht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat de bezwaren van de verzoeker geen redelijke kans van slagen hebben. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4702

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen

(gemachtigden: M. Peters en mr. K Schuttert).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een nokverhoging voor de woning op het adres [locatie] in [plaats].
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat de bezwaargronden van verzoeker geen redelijke kans van slagen hebben. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2025 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting. Vergunninghoudster heeft aan de voorzieningenrechter kenbaar gemaakt niet deel te nemen aan de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder kort hoe het bestreden besluit tot stand is gekomen. Daarna zet hij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Op 1 augustus 2025 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een nokverhoging op het adres [locatie] in [plaats] (het perceel). De activiteiten die zijn aangevraagd zijn de omgevingsplanactiviteit bouwen [1] en de technische bouwactiviteit. [2] Bij besluit van 12 september 2025 heeft het college deze omgevingsvergunning voor beide activiteiten verleend.
4.1.
Verzoeker woont naast het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Hij wil voorkomen dat uitvoering wordt gegeven aan de vergunning, omdat hij (met name) vreest dat de nokverhoging zijn zicht zal beperken. Ook meent hij dat zijn belangen, zoals privacy en de omstandigheid dat de nokverhoging daglicht wegneemt, onvoldoende zijn meegewogen bij het bestreden besluit.
Wettelijk kader
5. Verzoeker heeft geen gronden gericht tegen de omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op de technische bouwactiviteit. De voorzieningenrechter beperkt zich hieronder daarom tot het wettelijk kader dat geldt voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
5.1.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [3] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Voor het perceel waar de woning op gelegen is, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Wageningen, 2e herziening’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Wageningen. Volgens het bestemmingsplan gelden op het perceel de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Op grond van artikel 23.1.1 geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat de goothoogte maximaal 6 meter en bouwhoogte maximaal 9 meter mag bedragen.
5.2.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [4] Het bouwplan van vergunninghoudster is in strijd met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan, omdat de goothoogte van de dakopbouw 7,3 meter bedraagt en daarmee 1,3 meter te hoog is. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voorvraag: kan het college de omgevingsvergunning alleen verlenen in bijzondere gevallen?
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het college bevoegd is om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij meent dat het college een dergelijke vergunning alleen kan verlenen als sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat verzoeker er gelet op de bouwregels in het omgevingsplan in beginsel vanuit zou mogen gaan dat er niet hoger gebouwd wordt op het perceel van vergunninghoudster. Dat volgt de voorzieningenrechter niet. Zoals onder het wettelijk kader is weergegeven, heeft het college de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de wet- en regelgeving volgt niet dat het college deze vergunning alleen kan verlenen als sprake is van bijzondere omstandigheden.
6.1.
Voor de vraag of het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen is dus alleen van belang of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de nokverhoging voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Die vraag beoordeelt de voorzieningenrechter hieronder.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
7. Verzoeker stelt dat hij nu al zicht heeft op de nok van de woning en dat een nokverhoging dit zicht per definitie zal beperken. Verder voert hij aan dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen. Niet is onderzocht wat de gevolgen zijn voor zijn uitzicht, in welke mate daglicht wordt weggenomen, wat de gevolgen voor zijn privacy zijn en of dit tot waardevermindering van zijn woning leidt.
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de belangen van omwonenden (zoals het belang bij privacy en de eventuele beperking van uitzicht) betrokken moeten worden in de belangenafweging bij de verlening van de omgevingsvergunning wanneer er wordt afgeweken van het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.
8.1.
De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen als het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De omgevingsvergunning geeft geen blijk van een kenbare belangenafweging waarbij de belangen van omwonenden zijn betrokken. Zoals de voorzieningenrechter onder 8 heeft overwogen, moet dit wel. Het herstellen van (zoals in dit geval) een motiveringsgebrek in bezwaar leidt niet automatisch tot een gegrondverklaring van het bezwaar. Er vindt immers op de grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaats. Dat staat met zoveel woorden in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Die heroverweging is juist bedoeld voor het herstellen van eventuele tekortkomingen in de motivering zonder dat dit tot een gegrond bezwaar leidt. Ook in dit geval kan het gebrek in bezwaar nog worden hersteld. Daarvoor is het volgende van belang.
8.2.
Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij op dit moment reeds zicht heeft op nok van de woning. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de nok hoger en breder wordt. De voorzieningenrechter is het met het college eens dat dit geen onevenredige inperking van het uitzicht van verzoeker oplevert. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat met het realiseren van de nokverhogen de maximale bouwhoogte van 9 meter niet wordt overschreden. De bestemmingsplanwetgever heeft een bouwhoogte van 9 meter reeds ruimtelijk aanvaardbaar geacht en het uitzicht van verzoeker zou dus (planologisch gezien) nog verder ingeperkt kunnen worden. Daar komt bij dat er, zoals het college op zitting ook heeft toegelicht, geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat. [5]
8.3.
In het verweerschrift heeft het college ook een motivering gegeven waarom de overige aangevoerde aspecten geen belemmering opleveren om de omgevingsvergunning te verlenen. De voorzieningenrechter kan deze motivering volgen. Het college heeft – kort samengevat –namelijk voldoende kenbaar en begrijpelijk betrokken dat er geen nieuwe ramen komen in de richting van verzoeker en dat ook niet is gebleken dat de nokverhoging, gelet op de afstand tussen de woningen, tot daglichtvermindering zal leiden. De voorzieningenrechter verwacht, mede gelet op de motivering van het college in het verweerschrift, dan ook niet dat de belangen van verzoeker zodanig zwaar wegen dat het toestaan van de nokverhoging niet voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.4.
Ten aanzien van de waardedaling van de woning merkt de voorzieningenrechter nog op dat, wat daar ook van zij, dit aspect geen onderdeel uitmaakt van het beoordelingskader om de vergunning al dan niet te verlenen. Ook als aangenomen zou worden dat de woning van verzoeker in waarde zou dalen, kan dit voor het college dus geen reden zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Verzoeker kan daar in voorkomende gevallen een aparte procedure voor starten om nadeelcompensatie te verzoeken.
De bezwaargrond heeft geen redelijke kans van slagen.
Heeft het college de termijn voor het indienen van zienswijzen niet gerespecteerd?
9. Verzoeker is van mening dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel
3:16, eerste lid van de Awb. Het college heeft zich niet aan de termijn uit die bepalingen gehouden.
9.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat, zoals het college ook terecht heeft gesteld, artikel 3.16, eerste lid, van de Awb is opgenomen in afdeling 3.4 van de Awb. Deze afdeling geeft regels voor als de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor het verlenen van voorliggende omgevingsvergunning is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. [6] Artikel 3.16 is daarom niet van toepassing en het college heeft om die reden niet in strijd gehandeld met die bepaling.
De bezwaargrond heeft geen redelijke kans van slagen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat de bezwaren van verzoeker geen redelijke kans van slagen hebben.
10.1.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
2.Als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
3.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
5.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld ABRvS 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1159.
6.Dat volgt uit artikel 16.62 van de Omgevingswet.