ECLI:NL:RBGEL:2025:10370

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
505801924
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een 18-jarige man voor afpersing, mishandelingen en openlijk geweld met een gedragsbeïnvloedende maatregel

Op 2 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland een 18-jarige man veroordeeld voor afpersing, mishandelingen, openlijk geweld en het voorhanden hebben van knalpatronen. De man was ten tijde van de feiten minderjarig. De rechtbank legde een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie van 136 dagen op, samen met een taakstraf van 60 uur en een gedragsbeïnvloedende maatregel van 12 maanden. De feiten vonden plaats in Ulft, waar de verdachte samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen meerdere slachtoffers, waaronder het afpersen van een mobiele telefoon en kleding. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing, mishandeling en openlijk geweld. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een normoverschrijdend-gedragsstoornis. De rechtbank vond het noodzakelijk om een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen om recidive te voorkomen. De slachtoffers hebben schadevergoeding gevorderd, die door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, inclusief smartengeld en materiële schade.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/058019-24
Datum uitspraak : 2 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] [postcode] in [woonplaats] ,
op dit moment vanwege een andere verdenking gedetineerd in de [verblijfsplaats] .
Raadsman: mr. W.L.M. Fleuren, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek, althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (te weten een
Motorola E13), een trui (merk Gucci), een sportbroek (merk Nike) en/of schoenen
(merk Puma), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer]
en/of een derde toebehoorde(n)
door
- die [slachtoffer] een of meermalen met een helm, althans een soortgelijk voorwerp,
op of tegen zijn hoofd te slaan,
- op, althans in de richting van, het hoofd van die [slachtoffer] te spugen,
- een vloeistof in het gezicht en/of over het lichaam van die [slachtoffer] te spuiten,
- een of meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan
en/of te stompen en/of
- een of meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Ulft, althans in Nederland,
openlijk, te weten aan/op/bij een fietspad in de buurt van de [straat] , in elk
geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging,
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer]
door
- die [slachtoffer] een of meermalen met een helm, althans een soortgelijk voorwerp,
op of tegen zijn hoofd te slaan,
- op, althans in de richting van, het hoofd van die [slachtoffer] te spugen,
- een vloeistof in het gezicht en/of over het lichaam van die [slachtoffer] te spuiten,
- een of meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan
en/of te stompen,
- een of meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of
- voornoemde geweldshandelingen te filmen;
2.
hij op of omstreeks 21 juni 2023 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 2] een of meermalen op of tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen
en/of
- met een hand de keel van die [slachtoffer 2] vast te pakken en (vervolgens) in zijn keel
te knijpen;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 17 mei 2023 te Ulft,
gemeente Oude IJsselstreek, openlijk, te weten aan de [straat] te Ulft, in elk
geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging,
geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] ,
door
- om die [slachtoffer 3] heen te gaan staan,
- die [slachtoffer 3] een of meermalen te duwen,
- die [slachtoffer 3] een of meermalen op of tegen zijn gezicht en/of zijn lichaam te slaan
en/of te stompen en/of
- voornoemde geweldshandelingen te filmen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 17 mei 2023 te Ulft,
gemeente Oude IJsselstreek
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door
die [slachtoffer 3] een of meermalen op of tegen zijn gezicht en/of zijn lichaam te slaan
en/of te stompen;
4.
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 1 augustus 2023 te
Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek,
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door
die [slachtoffer 4] een of meermalen op of tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen;
5.
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek, munitie
van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
30 knalpatronen van het kaliber 9mm,
voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (hierna te noemen: [verdachte] ) zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman bepleit dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken voor de primair ten laste gelegde afpersing. Hiertoe is aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat [verdachte] een wederrechtelijk bevoordeling als motief heeft gehad voor de confrontatie met het slachtoffer. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde openlijk geweld is geen bewijsverweer gevoerd. Ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde is eveneens geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Bij een raadslid van de gemeente Oude IJsselstreek is een USB-stick met hierop videobeelden afgegeven. Door de politie zijn deze beelden uitgekeken en uitgeschreven. Uit de beschrijving van deze videobeelden volgt het volgende. Op het eerste filmpje is een jongen te zien (hierna: het slachtoffer) met een ontbloot bovenlijf die op een bankje zit. Voor hem staat verdachte 1. Deze persoon houdt een blauwkleurige helm in de hand en slaat daarmee het slachtoffer op zijn hoofd. Vervolgens geeft verdachte 1 een harde klap tegen het hoofd van het slachtoffer en spuugt hij op zijn hoofd. Verdachte 2 komt in beeld en hij geeft het slachtoffer een klap op zijn lichaam. Door verdachte 3, degene die filmt, wordt het slachtoffer getrapt. Verdachte 2 is degene die vloeistof uit een fles in het gezicht van het slachtoffer spuit en wederom een klap op zijn lichaam geeft. Even later spuit verdachte 2 de vloeistof ook ter hoogte van het kruis van het slachtoffer. Vervolgens krijgt hij nog een klap met de helm tegen zijn hoofd. [2]
Het slachtoffer uit het filmpje blijkt [slachtoffer] te zijn. Een begeleider van [slachtoffer] nam contact op met de politie toen hij op 19 juli 2023 gewond thuis werd aangetroffen. Tegen de politie heeft [slachtoffer] verklaard dat hij eerder die dag had afgesproken met [verdachte] in Ulft. Hij werd in een bosje opgewacht door meerdere andere jongens, waaronder [medeverdachte] . Hij moest hier op een bankje gaan zitten en de jongens hebben toen zijn telefoon afgepakt. Hij werd geslagen, getrapt, bespuugd en nat gemaakt en hij moest zijn kleren uittrekken. Hij mocht weglopen met alleen zijn ondergoed nog aan. [slachtoffer] is mishandeld door onder meer [verdachte] en [medeverdachte] . [3] De spullen van [slachtoffer] die zijn weggenomen betreffen een telefoon (Motorola E13), een trui van Gucci, een sportbroek van Nike en schoenen van Puma. [4]
[verdachte] heeft verklaard dat hij degene was die heeft gefilmd en die [slachtoffer] heeft getrapt. [5] Hieruit maakt de rechtbank op dat [verdachte] degene is die bij de beschrijving van de camerabeelden wordt aangeduid als ‘verdachte 3’.
[medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] de pet en de Gucci tas van [slachtoffer] wilde houden. De kleding van [slachtoffer] is in het water gegooid. [6]
Aan [verdachte] is primair het medeplegen van afpersing met geweld en bedreiging met geweld ten laste gelegd. De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen het volgende af. [verdachte] was op 19 juli 2023 samen met [slachtoffer] en andere jongens aanwezig in Ulft. Op een plek in de bosjes is er geweld tegen [slachtoffer] gebruikt, is er gedreigd met geweld en werd [slachtoffer] door de groep jongens gedwongen tot afgifte van zijn spullen. [verdachte] heeft dit gefilmd en was degene die [slachtoffer] een trap heeft gegeven. Uit de uitgeschreven videobeelden leidt de rechtbank verder af dat de geweldshandelingen door verschillende jongens werden toegepast.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de andere jongens. Er is namelijk sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van [verdachte] is van zodanig gewicht, dat sprake is van een wezenlijke bijdrage aan de afpersing. [verdachte] heeft immers de afspraak met [slachtoffer] gemaakt, heeft hem getrapt en heeft aangegeven dat hij de Gucci tas en de pet van [slachtoffer] wilde hebben. [slachtoffer] mocht pas vertrekken van de groep jongens toen hij alleen nog zijn ondergoed aanhad. [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank betrokken geweest bij de hele uitvoering van het plan. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde medeplegen van afpersing.
De verklaring van [verdachte] dat hij gedwongen werd door de groep om mee te doen en dat hij dus geen opzet had op de afpersing vindt de rechtbank gelet op het voorgaande niet geloofwaardig. Al zijn handelingen waren immers gericht op het meedoen met de afpersing van [slachtoffer] en dat sprake zou zijn van enige mate van dwang vanuit de andere jongens is op geen enkele wijze concreet geworden.
Conclusie
De rechtbank vindt het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 596 – 597;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 618 – 620;
- de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2025.
Op basis van de hierboven opgegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 755 – 757;
- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] , p. 316 – 317;
- de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2025.
Op basis van de hierboven opgegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat feit 3 primair wettig en overtuigend is bewezen.
Feit 4
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 854 – 858;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 882 – 883;
- de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2025.
Op basis van de hierboven opgegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat feit 4 wettig en overtuigend is bewezen.
Feit 5
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 57 – 58;
- de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2025.
Op basis van de hierboven opgegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat feit 5 wettig en overtuigend is bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks19 juli 2023 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en
/ofbedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (te weten een Motorola E13), een trui (merk Gucci), een sportbroek (merk Nike) en/of schoenen (merk Puma),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer]
en/of een derdetoebehoorde
(n
)
door
- die [slachtoffer]
een ofmeermalen met een helm,
althans een soortgelijk voorwerp, op oftegen zijn hoofd te slaan,
- op
, althans in de richting van,het hoofd van die [slachtoffer] te spugen,
- een vloeistof in het gezicht en/of over het lichaam van die [slachtoffer] te spuiten,
-
een ofmeermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en
/of
-
een ofmeermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen;
2.
hij
op ofomstreeks 21 juni 2023 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek [slachtoffer 2] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 2]
een ofmeermalen op of tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen en
/of
- met een hand de keel van die [slachtoffer 2] vast te pakken en (vervolgens) in zijn keel
te knijpen;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 1 mei 2023 tot en met 17 mei 2023 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek, openlijk, te weten aan de [straat] te Ulft,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] , door
- om die [slachtoffer 3] heen te gaan staan,
- die [slachtoffer 3] eenmaal
of meermalente duwen,
- die [slachtoffer 3]
een ofmeermalen op of tegen zijn gezicht en/of zijn lichaam te slaan
en/of te stompen en
/of
- voornoemde geweldshandelingen te filmen;
4.
hij in
of omstreeksde periode van 1 april 2023 tot en met 1 augustus 2023 te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4]
een ofmeermalen
op oftegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen;
5.
hij op
of omstreeks20 februari 2024 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 30 knalpatronen van het kaliber 9mm,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, primair:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
mishandeling;
feit 3, primair:
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
feit 4:
mishandeling;
feit 5:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het – gelet op de ernst van de feiten – niet passend is om aan [verdachte] een gedragsbeïnvloedende maatregel zoals bedoeld in artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen. Zij heeft gevorderd dat
[verdachte] zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die [verdachte] al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden te worden verbonden. Daarnaast heeft zij oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr gevorderd. Deze maatregel dient te worden opgelegd voor de duur van 2 jaar en houdt in een contactverbod met alle slachtoffers. Per overtreding kan 1 week vervangende jeugddetentie worden opgelegd, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden. Tot slot is de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat rekening gehouden dient te worden met het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Gelet op zijn normoverschrijdend-gedragsstoornis en persisterende rouwstoornis dienen de feiten in verminderde mate aan hem te worden toegerekend. Het is daarom passend om aan [verdachte] op te leggen een jeugddetentie die in duur gelijk is aan de tijd die reeds door hem in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast zou een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, passend zijn. Er is geen aanleiding om over te gaan tot oplegging van een maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van [verdachte] .
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten. Hij heeft samen met anderen en met geweld het slachtoffer [slachtoffer] afgeperst en zijn goederen weggenomen. [slachtoffer] werd op een afgelegen plek door [verdachte] en andere jongens bespuugd, geslagen, geschopt en nat gemaakt. Zijn spullen, waaronder zijn kleding, moest hij afstaan en [slachtoffer] bleef achter in zijn ondergoed. De rechtbank vindt het invoelbaar dat [slachtoffer] ontzettend bang moet zijn geweest en zich vernederd moet hebben gevoeld. [verdachte] heeft zich ook schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] , het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 3] en de mishandeling van [slachtoffer 4] . Voor alle slachtoffers geldt dat er geweld tegen hen werd gepleegd door [verdachte] terwijl [verdachte] met meerdere jongens was. De slachtoffers waren steeds alleen en het geweld dat tegen hen werd gebruikt is gefilmd. De rechtbank vindt dat het gaat om nare, ernstige maar ook om gemene feiten. Door het handelen van [verdachte] zijn bij alle slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid ontstaan. Dat blijkt voor de rechtbank ook uit het feit dat 3 van de 4 slachtoffers geen aangifte wilden doen. [verdachte] heeft een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Hij heeft ook laten zien geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen en ook niet voor andermans goederen en eigendommen.
Tot slot heeft [verdachte] zich ook schuldig gemaakt aan het bezit van 30 knalpatronen. Het bezit van munitie is gevaarlijk voor personen en draagt bij aan het gevoel van onveiligheid in de maatschappij.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] van 6 november 2025, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.
Over [verdachte] is een Pro Justitia rapportage opgesteld. Uit deze rapportage van psycholoog Friedrichs-Groenendaal van 6 juni 2024 volgt het volgende. Bij [verdachte] was ten tijde van de strafbare feiten sprake van een normoverschrijdend-gedragsstoornis. Verder wordt hij in zijn persoonlijkheidsontwikkeling bedreigd met antisociale en narcistische trekken en heeft hij last van een lage visuele verwerkingssnelheid. Deze stoornissen hebben [verdachte] beïnvloed bij het maken van zijn gedragskeuzes. Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 5 is daarom geadviseerd dit in verminderde mate aan hem toe te rekenen. Ten aanzien van het recidiverisico is gerapporteerd dat er sprake is van een matig tot hoog risico op gewelddadig gedrag. [verdachte] lijkt om te gaan met andere jongeren die antisociaal gedrag vertonen. Dit maakt het risico op foute keuzes groter. Om het recidiverisico te verkleinen is het van belang dat er onder meer aandacht wordt besteed aan [verdachte] identiteitsontwikkeling en stress- en emotieregulatie. Het is van belang dat [verdachte] het inzetten van agressief gedrag afleert en dat hij zijn eigen gedrag en het gedrag van anderen beter kan begrijpen. Het advies is daarom om een delictanalyse en schematherapie uit te voeren binnen de ambulante kinder- en jeugdpsychiatrie. Er wordt verder geadviseerd om het reclasseringskader vanuit de maatregel ITB-Harde Kern vorm te geven. Hiermee kan intensief gestuurd worden op een gezonde vrijetijdsbesteding en het hervatten van de schoolgang. De deskundige komt tot de conclusie dat een gedragsbeïnvloedende maatregel een passend kader is voor [verdachte] , gelet op de aard en intensiteit van het toezicht. De stok achter de deur is forser dan bij het verbinden van bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel. Het recidiverisico kan hiermee nog meer ingeperkt worden.
De rechtbank maakt met instemming van de officier van justitie en de raadsman gebruik van de Pro Justitie rapportage (inmiddels meer dan een jaar oud) en de rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over.
De Raad heeft een tweetal rapportages over [verdachte] opgesteld. Uit de rapportage van 21 oktober 2025 volgt dat [verdachte] tijdens zijn schorsing positieve stappen heeft gezet. Uit de aanvullende rapportage van de Raad, gedateerd 11 november 2025, volgt echter dat [verdachte] op 3 november 2025 is aangehouden omdat hij wordt verdacht van een nieuw strafbaar feit. De Raad heeft gerapporteerd dat de positieve ontwikkeling waarvan sprake leek, achterhaald is. Gezien de recente ontwikkelingen is het advies van de Raad om aan [verdachte] een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen voor de duur van 12 maanden. Middels een gedragsbeïnvloedende maatregel kan er vanuit het pedagogisch aspect begeleiding en behandeling plaatsvinden. Bij oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt het meewerken aan het ITB Harde Kern traject, ambulante behandeling en dagbesteding geadviseerd. Ter terechtzitting is door de jeugdreclasseerder de noodzaak van intensief toezicht benadrukt, gelet op de ernst van de strafbare feiten en de kans op recidive. De jeugdreclassering sluit zich aan bij het recente strafadvies van de Raad.
De op te leggen straf
Alles afwegende komt de rechtbank tot de volgende conclusies. Op grond van de aard en de ernst van de feiten vindt de rechtbank een jeugddetentie passend en geboden. Hierbij heeft de rechtbank strafverzwarend meegewogen dat twee feiten in vereniging zijn gepleegd. Toch vindt de rechtbank dat [verdachte] niet meer terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De rechtbank houdt daarbij in de eerste plaats rekening met het gegeven dat voor de bewezenverklaarde feiten – met uitzondering van feit 1 – sprake is van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid bij [verdachte] . Daarnaast is [verdachte] niet eerder veroordeeld en zijn de geweldsfeiten twee jaar tot twee en een half jaar geleden gepleegd. Dat zijn zeker voor het jeugdstrafrecht tamelijk oude feiten. [verdachte] heeft zich bovendien al die tijd naar zijn vermogen aan de strenge bijzondere voorwaarden gehouden. Hij wordt nu weliswaar weer verdacht van een nieuw strafbaar feit maar daarmee kan de rechtbank bij het bepalen van de straf voor de huidige, oude, feiten geen rekening houden. Tot slot vindt de rechtbank het passend om aan [verdachte] een gedragbeïnvloedende maatregel op te leggen, zoals hieronder verder wordt gemotiveerd. Dit is de beste kans om het recidiverisico te verminderen terwijl het teruggaan naar de jeugdgevangenis hieraan hoogstwaarschijnlijk geen bijdrage zal leveren. Dit alles maakt dat de rechtbank vindt dat [verdachte] (voor deze strafzaak) niet terug hoeft naar de gevangenis. Concluderend zal de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie opleggen voor de duur van 136 dagen, met aftrek van de tijd die [verdachte] al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het resterende deel van de jeugddetentie – te weten 90 dagen – zal de rechtbank als voorwaardelijk strafdeel opleggen. Tot slot zal de rechtbank aan [verdachte] een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 60 uren opleggen.
Gedragsbeïnvloedende maatregel
Naast deze vrijheids- en taakstraf vindt de rechtbank zoals gezegd het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) voor de maximaal mogelijke duur van een jaar, met het programma zoals voorgesteld door de Raad, passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten aanleiding geven tot het opleggen van deze maatregel en dat het – gelet op de adviezen van de deskundigen – noodzakelijk is dat [verdachte] een GBM krijgt. Behandeling en begeleiding binnen een strak kader met veel structuur zijn essentieel voor [verdachte] om recidive te voorkomen en om zo gunstig mogelijk verder te ontwikkelen. Bovendien wordt de behandeling binnen de GBM gewaarborgd door de mogelijkheid van een time-out in de jeugdgevangenis. De rechtbank zal bij het niet naar behoren meewerken aan de GBM een vervangende jeugddetentie voor de duur van 6 maanden opleggen. De rechtbank vindt deze forse stok achter de deur van belang om te bewerkstelligen dat [verdachte] optimaal gemotiveerd blijft om zich aan de voorwaarden van de maatregel te houden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op hetgeen verder over [verdachte] naar voren komt in de recente reclasseringsrapportage, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw een strafbaar feit zal plegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van [verdachte] is. Daarom zal de rechtbank bevelen dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is.
Bijzondere voorwaarden bij proeftijd
De GBM eindigt na maximaal een jaar. De rechtbank verwacht dat [verdachte] na die periode nog begeleiding nodig heeft vanuit een (minder intensief) verplichtend kader. Om die reden worden aan de proeftijd van [verdachte] ook bijzondere voorwaarden gekoppeld die vrijwel gelijkluidend zijn aan de voorwaarden bij de GBM.
Tot slot
De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen bestaan dat [verdachte] in de afgelopen maanden contact heeft gezocht met de slachtoffers.
De rechtbank zal gelet op de voorgaande beslissingen de reeds geschorste voorlopige hechtenis opheffen.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

[slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 300,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verder gevorderd de hoofdelijkheid uit te spreken.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Ten aanzien van het gevorderde smartengeld geldt dat de hoogte van het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Door de benadeelde partij is een bedrag van € 300,00 gevorderd aan materiële schade. Dit bedrag bestaat uit de schadeposten inzake de weggenomen kleding (à € 150,00) en de weggenomen telefoon (à € 150,00). De rechtbank is van oordeel dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd en dat er sprake is van rechtstreekse schade. De hoogte van de vordering is betwist. De rechtbank stelt vast dat deze goederen bij de benadeelde zijn weggenomen. Het gevorderde bedrag aan kleding en de weggenomen telefoon komt de rechtbank redelijk voor. Dit betekent dat de gevorderde kosten van in totaal € 300,00 zullen worden toegewezen.
Smartengeld
Met betrekking tot deze gevorderde schade overweegt de rechtbank dat er inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Door de afpersing en het geweld dat hiermee gepaard ging heeft de benadeelde letsel opgelopen. Zo heeft de benadeelde een litteken op zijn neus overgehouden aan het geweld. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van het smartengeld. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de rechtbank de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van
€ 2.500,00.
Conclusie
De toe te wijzen bedragen zijn dus de volgende:
  • Materiële schade: € 300,00
  • Immateriële schade: € 2.500,00
De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag voor materiële schadevergoeding van
€ 300,00 met de wettelijke rente met ingang van 14 november 2025, zijnde de datum van indiening van de vordering. De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag van smartengeld van € 2.500,00 met de wettelijke rente met ingang van 19 juli 2023, de dag van het plegen van het feit.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op te leggen. [verdachte] wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Omdat er sprake is van toepassing van het jeugdstrafrecht zal geen gijzeling aan hem worden opgelegd.
De rechtbank overweegt tot slot dat [verdachte] en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken omdat er sprake is van groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, dit zowel voor wat betreft het toegewezen bedrag als de schadevergoedingsmaatregel. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn mededader de schade heeft vergoed.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de hoogte van het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat er inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. De benadeelde heeft letsel opgelopen als gevolg van het toegepaste geweld, waaronder een verdikking van de kaak en blauwe plekken op kaak en arm. Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van het smartengeld. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 500,00. De rechtbank zal daarom ten aanzien van het smartengeld een bedrag van € 500,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023.
De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.
Tot slot zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade wordt vergoed. Nu er sprake is van toepassing van het jeugdstrafrecht zal geen gijzeling aan [verdachte] worden opgelegd.
[slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feit 4 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 750,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard dan wel dat de hoogte van het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd wegens onvoldoende onderbouwing.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat er inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. De benadeelde heeft als gevolg van de mishandeling letsel opgelopen.
Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van het smartengeld. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank het smartengeld toe tot het gevorderde bedrag van
€ 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2023.
Tot slot zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade wordt vergoed. Nu er sprake is van toepassing van het jeugdstrafrecht zal geen gijzeling aan [verdachte] worden opgelegd.

9.De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de teruggave van de twee telefoons (voorwerpnummers G3105415 en G3105414) aan [verdachte] gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
136 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het ITB Harde Kern traject, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • meewerkt aan de hulp van Kairos, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • vaste dagbesteding heeft, inclusief gestructureerde vrijetijdsbesteding.
 waarbij aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan de jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 legt op
een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van
60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
 legt aan verdachte op de
maatregel betreffende het gedrag van de jeugdigevoor de duur van
12 maanden;
 bepaalt dat de maatregel zal bestaan uit:
  • meewerken aan het ITB Harde Kern traject, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • meewerken aan de hulp van Kairos, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • het hebben van een vaste dagbesteding, inclusief gestructureerde vrijetijdsbesteding.
 waarbij wordt bepaald dat de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot taak heeft;
 beveelt, voor het geval de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
6 maanden;
 beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel
dadelijk uitvoerbaaris;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
 gelast de teruggave van de telefoons aan verdachte;
ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]
 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 300,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2025, en € 2.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 300,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2025 en € 2.500,00 aan smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen
0 dagengijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde [slachtoffer 3] van een bedrag van € 500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 500,00 aan smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen
0 dagengijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde [slachtoffer 4] van een bedrag van € 750,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2023;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , een bedrag te betalen van € 750,00 aan smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen
0 dagengijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (kinderrechter tevens voorzitter), mr. A.A.M. Bögemann en mr. M. Rietveld, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Disberg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 december 2025.
mrs. Post en Bögemann zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600- : 20240741451 (onderzoek Robinia), gesloten op 27 maart 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 468 – 470.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 445 – 446.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 462 – 463.
5.De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2025.
6.Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 264.