ECLI:NL:RBGEL:2025:10214

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/05/452992 / FA RK 25-2041
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindigen van gezag van een ouder en toekennen van gezag aan een stiefouder met afwijking van de drie jaren-eis

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 7 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de vader over de minderjarige [minderjarige] en het toekennen van het gezag aan de stiefvader. De moeder en de stiefvader hebben verzocht om het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder over [minderjarige] te beëindigen, zodat de moeder voortaan het eenhoofdig gezag zou hebben. Tevens vroegen zij om het gezag van de stiefvader over [minderjarige] te erkennen en de achternaam van het kind te wijzigen in die van de stiefvader. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders van [minderjarige] uit elkaar zijn en dat de moeder sinds 31 maart 2014 met de stiefvader is getrouwd. De rechtbank heeft de belangen van het kind vooropgesteld en geconcludeerd dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vader niet langer mede met het ouderlijk gezag is belast. De rechtbank heeft ook overwogen dat de stiefvader in een nauwe persoonlijke relatie tot [minderjarige] staat en dat het belang van het kind rechtvaardigt dat de drie jaren-eis, die normaal gesproken geldt voor het toekennen van gezag aan een stiefouder, in dit geval wordt genegeerd. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder en de stiefvader toegewezen en het gezag van de vader beëindigd, terwijl het gezag van de stiefvader werd erkend. De achternaam van [minderjarige] werd gewijzigd in die van de stiefvader, wat ook in het belang van het kind werd geacht.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/452992 / FA RK 25-2041
Datum uitspraak: 7 november 2025
beschikking gezag en geslachtsnaam
in de zaak van
[naam moeder](hierna: de moeder),
en
[naam stiefvader](hierna: de stiefvader),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A.J. Somhorst te Arnhem,
tegen
[naam vader](hierna: de vader),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. K.J.M. Slangen te Arnhem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift ingekomen bij de griffie op 12 juni 2025;
- de referteverklaring van de vader, namens hem ingediend door mr. Slangen, ingekomen bij de griffie op 17 juni 2025;
- het bericht van mr. Somhorst met de nagezonden producties 1 en 3, ingekomen bij de griffie op 11 juli 2025;
- twee beschikkingen, ter zitting overgelegd door mr. Somhorst.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 16 oktober 2025 zijn gehoord:
- de moeder en de stiefvader, bijgestaan door mr. A.J. Somhorst;
- de vader, bijgestaan door mr. K.J.M. Slangen;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie tussen de ouders is geboren het minderjarige kind:
- [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
2.2.
De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.3.
De ouders van [minderjarige] zijn uit elkaar. De moeder is op 31 maart 2014 getrouwd met de stiefvader.
2.4.
[minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder en de stiefvader verzoeken de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Te bepalen dat het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder over [minderjarige] wordt beëindigd en dat aan de moeder voortaan het eenhoofdig gezag toekomt;
II. De heer [naam stiefvader] (stiefvader) voortaan samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
III. Vast te stellen dat de achternaam van [minderjarige] na het gezamenlijk gezag zal worden gewijzigd van “ [achternaam vader] ” naar “ [achternaam stiefvader] ”;
IV. De griffier op te dragen, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en van deze beschikking aantekening te doen maken in het gezagsregister.

4.De standpunten ter zitting

4.1.
De moeder en de stiefvader hebben tijdens de zitting het verzoek gehandhaafd.
4.2.
Namens de vader is eerder een referteverklaring ingediend. De vader geeft ook tijdens de zitting aan dat hij het eens is met het verzoek. Wel doet de vader een appèl op de moeder en de stiefvader om tot contactherstel te komen tussen hemzelf en [minderjarige] .
4.3.
De zittingsvertegenwoordigster van de Raad adviseert de rechtbank om het verzoek toe te wijzen. De Raad benadrukt dat het een gezamenlijke beslissing van de volwassenen is geweest om [minderjarige] eerder in haar leven niet te informeren. Het is in haar belang dat de mensen om haar heen ook in de nieuwe situatie samen optrekken en in goed overleg de volgende stappen zetten, waaronder contactherstel met de vader.

5.De beoordeling

Gezagsbeëindiging vader

5.1.
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van (één van) de niet met elkaar gehuwde ouders het gezamenlijk gezag beëindigen. Hiervoor moet er sprake zijn van gewijzigde omstandigheden. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:251a lid 1 en 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
5.2.
Uit artikel 1:251a BW volgt dat de rechter het verzoek tot beëindiging van gezamenlijk gezag kan toewijzen als aan één of meer van de volgende redenen wordt voldaan: er moet een onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders, of de wijziging van het gezag moet om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk zijn.
5.3.
De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Onweersproken is gesteld dat het nemen van gezagsbeslissingen over [minderjarige] bemoeilijkt wordt door het feit dat de vader mede met het gezag is belast. In het verzoekschrift komt naar voren dat [minderjarige] spanning ervaart van het feit dat belangrijke onderwerpen en (op handen zijnde) beslissingen aan de vader moeten worden voorgelegd en zij wil bepaalde onderwerpen liever niet met hem bespreken. De rechtbank onderschrijft daarom dat het in haar belang noodzakelijk is dat de vader niet langer mede met het ouderlijk gezag over haar is belast. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vader een getekende referteverklaring heeft ingediend.
5.4.
De rechtbank zal daarom dit verzoek toewijzen en het gezag van de vader over [minderjarige] beëindigen. Dit heeft als eerste tot gevolg dat de moeder als enige met het gezag over [minderjarige] wordt belast.
Gezag stiefvader
5.5.
In de wet is bepaald dat de rechtbank het gezag over een kind ook mede kan toekennen aan een ander, te weten een persoon die niet de ouder van het kind is maar die wel in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat (artikel 1:253t van het BW). Dit is het tweede verzoek van de moeder, dat zij nu samen met de stiefvader doet. De rechtbank moet dus beslissen of de stiefvader mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast.
5.6.
De rechtbank stelt vast dat de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] staat. Vaststaat dat de stiefvader al lange tijd betrokken is bij het dagelijks leven en de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het gezin met de moeder en de stiefvader is voor [minderjarige] haar vaste, vertrouwde opvoedomgeving. De stiefvader heeft dan ook een nauwe, persoonlijke betrekking tot haar.
5.7.
Artikel 1:253t stelt extra eisen aan het verzoek van de moeder en de stiefvader (lid 2, sub a en b). Aan de eerste eis (sub a) is voldaan: de moeder en de stiefvader moeten vóór indiening van het verzoek minstens een jaar lang gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad. Dit is zo, want de moeder en de stiefvader zorgen al jarenlang gezamenlijk voor [minderjarige] .
5.8.
De tweede eis (sub b) is dat de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest. Het gaat hier om de moeder, want de stiefvader is geen biologisch ouder van [minderjarige] . De moeder wordt echter nu pas met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast. Aan de drie jaren-eis is dus niet voldaan.
5.9.
Met betrekking tot dit vereiste overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) volgt dat bij zaken waar het minderjarigen betreft, de belangen van kinderen de eerste overweging moeten zijn. Dit leidt er bij de rechtbank soms toe dat bepaalde, formele eisen terzijde worden geschoven wanneer het belang van het kind hiermee is gediend, of wanneer het strikt hanteren van deze eisen nadelig zou zijn voor het belang van het kind.
5.10.
De genoemde drie jaren-eis is door de wetgever ingesteld om te voorkomen dat kinderen binnen (zeer) korte tijd nadat hun vader of moeder een nieuwe relatie krijgt, meteen ook te maken krijgen met een nieuwe gezagdrager. Dan zou iemand met wie het kind pas net kennis heeft gemaakt, immers heel snel een heel belangrijke positie in het leven van het kind krijgen. Het stellen van een drie jaren-termijn vóór er een gezagsverzoek kan worden gedaan, voorkomt dat dit gebeurt.
5.11.
De rechtbank neemt echter in aanmerking dat de situatie van [minderjarige] heel anders is. Zij kent de nieuwe partner van de moeder al jarenlang als haar stiefvader en heeft een goede band met hem. De moeder en stiefvader en [minderjarige] leven al sinds oktober 2012 met elkaar in gezinsverband. De relatie tussen de moeder en stiefvader is bestendig en [minderjarige] heeft ook aangegeven dat zij graag ziet dat de stiefvader mede met het gezag wordt belast. Zoals ook in het verzoekschrift wordt opgemerkt, zou het vasthouden aan de drie jaren-termijn bovendien betekenen dat de stiefvader pas mede met het gezag over [minderjarige] kan worden belast wanneer zij al bijna meerderjarig is. De rechtbank concludeert dan ook dat het belang van [minderjarige] er in dit geval niet mee is gediend om de drie jaren-eis strikt te hanteren; dit zou juist nadelig voor haar zijn.
5.12.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om, met het belang van [minderjarige] voorop, af te wijken van de wettelijke eis en het verzoek van de moeder en de stiefvader toe te wijzen. De stiefvader zal mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] worden belast.
Geslachtsnaam
5.13.
In het vijfde lid van artikel 1:253t staat dat het verzoek over het gezag samen kan gaan met een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind. De moeder en de stiefvader hebben samen dit verzoek gedaan en willen de achternaam van [minderjarige] veranderen.
5.14.
Uit het wetsartikel komt naar voren dat het verzoek moet worden afgewezen als van één of meer van de volgende redenen sprake is:
het kind van twaalf jaar of ouder heeft ter gelegenheid van zijn of haar verhoor niet ingestemd met het verzoek;
het verzoek over het gezag wordt afgewezen; of
het belang van het kind verzet zich tegen toewijzing.
5.15.
De rechtbank concludeert dat dit allemaal niet aan de hand is. In een gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat zij het eens is met het verzoek om de geslachtsnaam van haar stiefvader te krijgen. Vooral omdat haar stiefzusjes deze achternaam ook dragen en [minderjarige] zich graag ‘echt’ tot het gezin verbonden wil voelen. Het verzoek over het gezag wordt toegewezen, zoals hierboven te lezen is. Bovendien ziet de rechtbank geen aanleiding waarom het belang van [minderjarige] zich zou verzetten tegen toewijzing van het verzoek.
De conclusie
5.16.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Het is positief dat de moeder, de stiefvader en de vader van [minderjarige] het met elkaar eens zijn en de rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] om het zo te regelen. De rechtbank zal daarom de verzoeken toewijzen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van de vader,
[naam vader] ,over de minderjarige:
- [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;
6.2.
bepaalt dat de moeder en haar echtgenoot,
[naam stiefvader] ,gezamenlijk het gezag zullen uitoefenen over [minderjarige] ;
6.3.
wijzigt de geslachtsnaam van [minderjarige] van “ [achternaam vader] ” in
[achternaam stiefvader];
6.4.
geeft opdracht aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in de [gemeente] om de vermelding van deze wijziging in het gezag en van deze geslachtsnaamswijziging aan de daarvoor in aanmerking komende akte(n) toe te voegen;
6.5.
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank hiervoor een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in [gemeente] zal zenden, zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.S. van Nijen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van J.J. van den Boogaard als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.