ECLI:NL:RBGEL:2025:10149

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
458017
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 700 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing van beslag op roerende zaken en aandelen

In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van beslagen die gelegd zijn op roerende zaken, aandelen, een bankrekening en een woning. De voorzieningenrechter beoordeelt allereerst de geldigheid van het beslagverlof en stelt vast dat dit niet nietig is, ondanks een mogelijke verkeerde toedeling binnen de rechtbank.

Vervolgens wordt de vraag of de vordering summierlijk ondeugdelijk is besproken. Partijen verschillen van mening over de feiten na aflevering van een Porsche bij een logistiek bedrijf, waarbij camerabeelden niet duidelijk maken wie de transporter heeft weggenomen. Dit zal in de bodemprocedure worden uitgezocht. Ook is aannemelijk dat eiser schade heeft veroorzaakt door de Porsche weg te nemen.

De belangenafweging weegt mee dat het beslag op de roerende zaken een belemmering vormt voor eiser, maar dat het beslag op aandelen, bankrekening en woning onvoldoende verhaal biedt voor de vordering van €250.000, mede doordat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd over de waarde van deze activa. Hierdoor wordt de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen. De proceskosten worden aan eiser opgelegd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/458017 / KG ZA 25-357
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 17 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] , eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. H.H. Jansen,
tegen
[gedaagde],
t.h.o.d.n. [bedrijf 1] , wonende te [woonplaats] (Duitsland), gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.J.S. Spanjersberg.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Arnhem.
De zaak wordt behandeld door mr. S.A. van den Toorn, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.C. Hulsbergen als griffier.
Aanwezig zijn:
  • [eiser] , bijgestaan door mr. Jansen,
  • [gedaagde] , bijgestaan door mr. Spanjersberg en vergezeld door [naam] (tolk).
De volgende stukken zijn ontvangen:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 11 (waaronder een usb-stick met camerabeelden als productie 4)
  • de aanvullende producties 12 t/m 17 van [eiser]
  • de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 17
  • de e-mails van [gedaagde] van 14 november 2025 via Zivver met bijlagen 13 t/m 17 (camerabeelden)
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht, waarbij mr. Jansen spreekaantekeningen heeft overgelegd. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
De vraag of het verlof om beslag te mogen leggen nietig is, wordt als volgt beoordeeld. Dat is niet het geval. Volgens artikel 700 Rv Pro is onder meer bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de goederen zijn gelegen die beslagen zijn. Dat is in dit geval de rechtbank Gelderland. Voor zover het beslagrekest niet conform het interne zaaksverdelingsreglement is toegedeeld aan de juiste locatie van deze rechtbank, omdat de voorzieningenrechter te Arnhem op het beslagrekest heeft beslist in plaats van de voorzieningenrechter te Zutphen, maakt dit niet dat het beslagverlof nietig is en dat het beslag om die reden zou moeten worden opgeheven.
1.2.
Voor wat betreft de vraag of de pretense vordering summierlijk ondeugdelijk is, geldt het volgende. Partijen zijn het over een aantal zaken eens, onder meer over de gang van zaken tot en met het moment van de aflevering van de Porsche bij POD Logistics. Over hetgeen daarna is gebeurd, verschillen partijen van mening.
De door [gedaagde] in het geding gebrachte camerabeelden zijn niet zodanig duidelijk dat daarop meteen zichtbaar is wie er loopt of van wie de transporter is. Desondanks kan niet op voorhand worden aangenomen dat het niet [eiser] is en dat het niet zíjn transporter is. De vraag of [eiser] en zijn transporter te zien zijn op de camerabeelden (prod 14-17 van [gedaagde] ) waarop volgens [gedaagde] te zien is dat de Porsche weer bij POD Logistics wordt weggehaald, moet in de bodemprocedure worden beantwoord. Dit brengt met zich dat in deze kortgedingprocedure niet aannemelijk is geworden dat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is.
1.3.
Dat geldt ook voor het onderdeel schade. In het geval komt vast te staan dat [eiser] de Porsche heeft weggenomen, dan is zonder meer aannemelijk dat [gedaagde] daardoor schade heeft geleden. Voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de Porsche zelf met een winstopslag heeft doorverkocht.
1.4.
Vervolgens wordt toegekomen aan een belangenafweging. De voorzieningenrechter heeft oog voor het belang van [eiser] om te kunnen beschikken over de roerende zaken waarop beslag is gelegd, omdat het een handelsvoorraad is. Het betreft echter niet een voorraad in zijn bedrijf, maar een voorraad in zijn privé vermogen. Daarmee handelt [eiser] ook en verdient hij ook geld. Dat is een omstandigheid die er voor pleit om het beslag dat daarop ligt op te heffen.
Daartegen pleit dat de vordering niet summierlijk ondeugdelijk is. Er is beslag gelegd voor een vordering die is begroot op € 250.000,00. In de belangenafweging moet daarom de vraag worden betrokken of die vordering kan worden verhaald als deze wordt toegewezen in de bodemprocedure. Als er alleen beslag ligt op de aandelen die [eiser] houdt in [bedrijf 2] , op de rekening van [eiser] bij ABN AMRO Bank N.V. en op zijn woning te [woonplaats] , rijst de vraag of dat voldoende is om de (pretense) vordering te kunnen verhalen.
1.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet duidelijk geworden wat de beslagen aandelen waard zijn. [eiser] heeft daarvoor onvoldoende in het geding gebracht. Verder is ter zitting gebleken dat het saldo op de beslagen ABN bankrekening iets meer dan € 4.000,00 bedraagt. Ten aanzien van de waarde van de woning en de omvang van de hypotheekschuld heeft [eiser] het een en ander ter zitting naar voren gebracht, maar hij heeft nagelaten dat met stukken te onderbouwen. Het had op de weg van [eiser]
gelegen om door middel van een taxatierapport aan te tonen wat de waarde is van de woning in de vrije verkoop, wat de executiewaarde is en wat de omvang is van zijn hypothecaire verplichting. Dat heeft hij nagelaten. De enkele stelling van [eiser] ter zitting dat uit een taxatierapport blijkt dat de woning € 795.000,00 waard zou zijn, is onvoldoende onderbouwd. [eiser] verwijst weliswaar naar een taxatierapport dat hij zelf op zijn telefoon kan zien, maar hij heeft nagelaten een kopie daarvan in het geding te brengen.
Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting die gestelde taxatiewaarde weersproken. De enkele stelling van [eiser] omtrent de waarde van zijn woning is daarom onvoldoende om als uitgangspunt aan te nemen. Daar komt bij dat [eiser] de omvang van zijn hypothecaire verplichtingen evenmin voldoende heeft onderbouwd.
1.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat het beslag op de aandelen, de bankrekening en de woning reeds voldoende verhaal biedt voor de (pretense) vordering van € 250.000,00. Die omstandigheid weegt zwaarder dan de belemmering die [eiser] nu ondervindt door het beslag op de roerende zaken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat [eiser] ook kan ondernemen via zijn onderneming [bedrijf 2] , zodat hij niet is verstoken van inkomsten. Dit heeft [eiser] ook niet aangevoerd. Bij deze stand van zaken zal de voorzieningenrechter de vordering om het beslag op te heffen dan ook afwijzen.
1.7.
Dit betekent niet dat dit de situatie is tot de mondelinge behandeling in de bodemprocedure. Als [eiser] een taxatierapport aan [gedaagde] verstrekt, met daarin de vrije verkoopwaarde en de executiewaarde van de woning, waarbij [eiser] tevens kan aantonen wat de omvang is van zijn hypothecaire verplichtingen én vervolgens blijkt dat er
€ 250.000 aan vrije ruimte is, dan kan [eiser] nogmaals een opheffingskortgeding aanhangig maken. In ieder geval is er voor opheffing van de beslagen meer nodig dan dat [eiser] tot nu toe heeft laten zien.
1.8.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief. Het vonnis zal voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
1.9.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal
1.616,00

2.De beslissing

De voorzieningenrechter
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van
betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.