Eiser, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om compensatie van een reeds afgeloste schuld aan de Belastingdienst van €16.833. De Sociale Banken Nederland wees dit verzoek af omdat de schuld was afbetaald vóór ontvangst van het compensatiebedrag. De minister handhaafde deze afwijzing bij bezwaar.
De rechtbank constateerde een kennelijke verschrijving in het bestreden besluit, waarbij de minister abusievelijk artikel 4.3 van de Wht toepaste in plaats van artikel 3.13, dat ziet op compensatie van publiekrechtelijke schulden. Dit had echter geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit.
Eiser stelde dat het niet compenseren van zijn schuld in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel, omdat hij onder grote financiële druk zijn schulden moest aflossen. De rechtbank oordeelde dat zij niet hoefde te toetsen of artikel 3.13 Wht in strijd is met deze beginselen, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die toepassing van de wet buiten toepassing zouden stellen.
Ook een beroep op de hardheidsclausule faalde, omdat eisers situatie niet zo schrijnend was dat een ernstige onbillijkheid zou ontstaan bij handhaving van het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.