Uitspraak
1.De procedure
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
Rechtbank Gelderland
In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van diverse bedragen op grond van een vermeende consumentenkredietovereenkomst met ING Bank. Eiseres stelt dat zij samen met haar overleden echtgenoot in 2002 een consumentenkredietovereenkomst heeft gesloten, maar ING voert een bevoegdheidsincident op en stelt dat het krediet een zakelijk karakter heeft en door een hypotheek is gewaarborgd.
De kantonrechter beoordeelt de bevoegdheid aan de hand van artikel 93 Rv Pro, waarin de kantonrechter bevoegd is voor vorderingen uit consumentenkredietovereenkomsten ongeacht de hoogte van de vordering. Uit de overgelegde kredietovereenkomst blijkt echter dat het krediet een rekening-courantkrediet betreft met een kredietfaciliteit van € 200.000, bedoeld voor zakelijke doeleinden en gewaarborgd door een tweede hypotheek op het woonhuis.
Daarmee valt de overeenkomst onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW Pro, waardoor geen sprake is van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van artikel 93 sub c Rv Pro. De kantonrechter verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst de zaak naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Partijen worden erop gewezen dat zij bij de handelskamer advocaat moeten laten optreden en dat zij verhoogde griffierechten verschuldigd zijn.
De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist. De zaak wordt verwezen naar de civiele rolzitting van 19 juni 2024 voor verdere procedurele afhandeling.
Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de handelskamer.