Partijen sloten op 2 juni 2023 een overeenkomst van opdracht waarbij de opdrachtnemer een programma aanbood om de website van de opdrachtgever te verbeteren en leads te genereren. De vergoeding werd in termijnen gefactureerd en betaling was gekoppeld aan de voortgang en afronding van de opdracht.
Eind 2023 begon de samenwerking te haperen en in mei 2024 stelde de opdrachtgever de opdrachtnemer formeel aansprakelijk en ontbond de overeenkomst, zonder een termijn te stellen voor herstel van tekortkomingen. De opdrachtgever vorderde terugbetaling van reeds betaalde termijnen en incassokosten.
De opdrachtnemer vorderde betaling van de laatste termijn en gemaakte juridische kosten, stellende dat de ontbinding niet rechtsgeldig was. De rechter oordeelde dat geen sprake was van verzuim omdat geen ingebrekestelling met hersteltermijn was gedaan, waardoor ontbinding niet gerechtvaardigd was. Ook was de laatste termijn niet opeisbaar omdat de opdracht niet was afgerond.
Beide vorderingen werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.