De Stichting Vrienden van de Molenberg vorderde betaling van €171.446,47 wegens ongerechtvaardigde verrijking door gedaagden, ouders van een erfgenaam die betalingen verrichtte ten laste van het vermogen van een overleden vrouw. De Stichting wijzigde haar eis en baseerde deze op directe verrijking van gedaagden.
Gedaagden voerden verweer met onder meer het gezag van gewijsde van een eerder vonnis uit 2017 waarin een vergelijkbare vordering deels was afgewezen en het beroep op verjaring. De rechtbank oordeelde dat het deel van de vordering dat reeds in 2017 definitief was afgewezen niet opnieuw kan worden behandeld vanwege gezag van gewijsde.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken sinds juni 2016, toen de bewindvoerder beslag legde en bekend was met de schade en aansprakelijke partij. De vordering was daarmee verjaard. De Stichting kon niet aantonen dat de verjaring was gestuit.
De rechtbank concludeerde dat de vordering van de Stichting moet worden afgewezen en veroordeelde de Stichting tot betaling van de proceskosten.