Eiseres werd in 1986 een bouwsubsidie toegekend voor renovatie van een gebouw, waarvoor een waarborghypotheek ten behoeve van de staat werd gevestigd. In 2021 vorderde de minister de subsidie terug vanwege de verkoop van het gebouw. De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd is tot terugvordering, mede gelet op behoud van vervallen regelgeving.
Echter, de minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het volledige subsidiebedrag wordt teruggevorderd en heeft nagelaten een commissie van deskundigen in te schakelen om de waarde vast te stellen. De minister volstond met een verwijzing naar een 'bestendige lijn', maar dit is niet toereikend.
De rechtbank vernietigt het besluit, wijst de minister op de noodzaak tot nadere motivering en inschakeling van deskundigen bij een nieuw besluit, en veroordeelt de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.