ECLI:NL:RBGEL:2024:7817

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
NL24.40554
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Gelderland behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had bezwaar tegen de rechtmatigheid van de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

Tijdens de zitting op 29 oktober 2024 verscheen eiser niet en tekende een afstandsverklaring. De rechtbank achtte de handtekening rechtsgeldig en zag geen reden het onderzoek te heropenen. De rechtbank oordeelde dat de uitplaatsing van eiser naar het Justitieel Complex Rotterdam tijdig had plaatsgevonden, binnen 24 uur na oplegging van de maatregel.

Verder werd geoordeeld dat de minister terecht geen lichter middel toepaste gezien het onttrekkingsrisico en de medische omstandigheden adequaat werden meegenomen. Ook werd vastgesteld dat de minister voldoende voortvarend handelde in het starten van een nieuwe laissez-passer aanvraag. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40554

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 16 oktober 2024, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Een medewerker van het detentiecentrum (DTC) heeft via telehoren ten overstaan van de rechtbank verklaard dat eiser niet wilde verschijnen op de zitting. In overleg met de gemachtigde van eiser is door de medewerker van het DTC medegedeeld dat een afstandsverklaring zal worden opgemaakt. De gemachtigden van eiser en de minister zijn verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser afstand willen doen van het recht om te worden gehoord?
2. De rechtbank heeft na het sluiten van het onderzoek op de zitting op 29 oktober 2024 een afstandsverklaring ontvangen. Uit de afstandsverklaring leidt de rechtbank af dat eiser niet op de zitting heeft willen verschijnen. Eiser heeft de afstandsverklaring getekend met een ‘X’. De rechtbank heeft, na navraag te hebben gedaan bij het DTC over de juistheid van de handtekening, bevestiging ontvangen dat deze correct is. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de inhoud van de afstandsverklaring en de mededeling van de medewerker van het DTC voorafgaand aan de zitting dat eiser niet wenste te verschijnen, met voldoende zekerheid is komen vast staan dat eiser niet wenste te worden gehoord. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen na ontvangst van de afstandsverklaring. Daar komt bij dat op de zitting door de rechtbank is medegedeeld dat nog een afstandsverklaring zou worden opgemaakt. In zoverre betrekt de rechtbank geen informatie bij de beoordeling van het beroep die nog niet bij partijen kenbaar was.
Is eiser te laat uitgeplaatst?
3. Een van de beroepsgronden van eiser is dat hij te laat is uitgeplaatst naar het Justitieel Complex Rotterdam, omdat niet is te controleren of dit uiterlijk de dag na de oplegging van de maatregel (op 17 oktober 2024) is gebeurd.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting duidelijkheid verschaft en medegedeeld dat uit interne informatie van de Koninklijke Marechaussee de uitplaatsing op 17 oktober 2024, om 12:17 uur, is gebeurd. De uitplaatsing is binnen 24 uur en dus tijdig gebeurd. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen.
Had de minister een lichter middel moeten toepassen?
4. Eiser voert aan dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, gezien de medische omstandigheden van eiser.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onttrekkingsrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is volgens de minister te groot. Daarnaast heeft de minister in de maatregel van bewaring extra aandacht gevraagd voor de medische omstandigheden van eiser. In dat verband merk de minister terecht op dat eiser in het DTC een beroep kan doen op medische zorg en dat deze medische zorg gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Ook is terecht opgemerkt dat als er niet voldoende zorg kan worden gegeven, eiser naar een zorginstelling zal worden overgeplaatst. Bovendien staat in het verslag vertrekgesprek van 25 oktober 2024 dat er extra aandacht is gevraagd voor de medische omstandigheden van eiser, omdat het vermoeden aanwezig is dat hij depressieve gevoelens binnen detentie aan het ontwikkelen is. Ook staat daarin dat de medische dienst en geestelijke verzorging van het DTC in kennis zijn gesteld. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat geen grond is voor het oordeel dat de minister een lichter middel had moeten toepassen.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Het is onduidelijk wat de stand van zaken is met het laissez-passer (lp) traject, omdat een eerdere lp inmiddels is verlopen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt. De minister heeft op de zitting toegelicht dat het eerder afgegeven lp verlopen is en dat deze niet verlengd kan worden, omdat niet bekend is welke organisatie de lp-aanvraag heeft gestart. Eiser heeft hierover geen informatie gegeven en wilt een nieuwe aanvraagformulier niet invullen. Verder is op de zitting medegedeeld dat een nieuw lp-aanvraag wordt gestart. Ook heeft de minister op 18, 24 en 25 oktober 2024 vertrekgesprekken met eiser gevoerd.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden van deze maatregel niet is voldaan. [1]
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.